<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	>

<channel>
	<title>Textualscholarship.nl &#187; Achtergrond</title>
	<atom:link href="http://www.textualscholarship.nl/?cat=20&#038;feed=rss2" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>http://www.textualscholarship.nl</link>
	<description>Textualscholarship.nl is bedoeld voor iedereen die zich bezighoudt met het (digitaal) editeren, publiceren en analyseren van bronnen en teksten in de ruimste zin van het woord. De site biedt onder andere toegang tot edities, informatie over tools, achtergrondinformatie, praktische aanwijzingen en opinie.</description>
	<lastBuildDate>Wed, 15 May 2013 06:45:47 +0000</lastBuildDate>
	<language>en-US</language>
	<sy:updatePeriod>hourly</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>1</sy:updateFrequency>
	<generator>http://wordpress.org/?v=3.5</generator>
		<item>
		<title>Brieven als Buit: het belang van het handschrift</title>
		<link>http://www.textualscholarship.nl/?p=12886</link>
		<comments>http://www.textualscholarship.nl/?p=12886#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 08 May 2013 06:48:22 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Renske Siemens</dc:creator>
				<category><![CDATA[Manuscript van de maand]]></category>
		<category><![CDATA[Textualscholarship nieuws]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.textualscholarship.nl/?p=12886</guid>
		<description><![CDATA[Het Leidse Brieven als Buit-project (2008-2013), gefinancierd door NWO, zit in de afrondende fase. De belangrijkste resultaten komen dit jaar gereed, waaronder twee elektronische corpora. Marijke van der Wal, leider van het onderzoeksprogramma, laat zien hoe belangrijk handschriftenonderzoek is voor betrouwbare corpora en taalkundige analyse. Ontsluiting van ‘sailing letters’ De intrigerende schat aan Nederlandstalige documenten, [...]]]></description>
				<content:encoded><![CDATA[<p>Het Leidse <i>Brieven als Buit</i>-project (2008-2013), gefinancierd door NWO, zit in de afrondende fase. De belangrijkste resultaten komen dit jaar gereed, waaronder twee elektronische corpora. Marijke van der Wal, leider van het onderzoeksprogramma, laat zien hoe belangrijk handschriftenonderzoek is voor betrouwbare corpora en taalkundige analyse.<span id="more-12886"></span></p>
<p><i>Ontsluiting van ‘sailing letters’</i></p>
<p>De intrigerende schat aan Nederlandstalige documenten, door historici ‘sailing letters’ genoemd, bevindt zich in meer dan duizend archiefdozen in de Engelse National Archives. Ontsluiting ervan is op verschillende manieren mogelijk: verkennend per archiefdoos of  gericht op specifieke documenten. <a href="http://www.textualscholarship.nl/?p=12150">Het eerste gebeurde bij het Gekaapte brievenproject: zeven archiefdozen werden binnen het conserveringsproject Metamorfoze compleet gefotografeerd en met transcripties op een website geplaatst</a>. De andere manier van ontsluiten heeft plaatsgevonden binnen het <i>Brieven als Buit</i>-project. Daar is in een grote hoeveelheid archiefdozen gericht gezocht naar privébrieven uit twee periodes. Het zijn de jaren 1664-1674 (van kort vóór de Tweede Engelse oorlog tot en met het einde van de Derde Engelse oorlog) en het tijdvak 1776-1784 (van de Vierde Engelse oorlog en de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog), met een bewust gekozen interval van ongeveer honderd jaar.</p>
<p><i>Persoonlijke brieven</i></p>
<p>Die persoonlijke brieven, vanuit Nederland naar Azië, Afrika en het Caraïbisch gebied gestuurd en vice versa, zijn voor historisch taalkundigen zo waardevol, omdat de afzenders mannen en vrouwen, soms zelfs kinderen, uit alle lagen van de maatschappij waren. Voor een indruk van de variëteit aan brieven verwijs ik naar de reeks Brieven van de maand  op <a href="http://www.brievenalsbuit.nl">www.brievenalsbuit.nl</a>.</p>
<p><img class="alignnone size-full wp-image-12877" style="width: 501px; height: 314px;" alt="" src="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2013/05/VanderWal_1-kinderbriefje-Jan-Pael.jpeg" width="597" height="370" /></p>
<p>Kinderbriefje van Jan Pael (1671)</p>
<p>Die brieven kunnen dus toegang geven tot het taalgebruik van briefschrijvers uit diverse sociale klassen. Daarmee beschikken we over prachtig materiaal voor zogeheten historisch-sociolinguïstisch onderzoek en met de gekozen periodes krijgen we ook zicht  op taalveranderingen die zich in een eeuw hebben voltrokken.</p>
<p><i>Elektronische corpora als resultaat van onderzoek</i></p>
<p>Binnen het <i>Brieven als Buit</i>-programma is de ontsluiting geen einddoel, maar een belangrijke tussenfase. Na het fotograferen van de geselecteerde brieven, het transcriberen binnen het vrijwilligersproject <a href="http://www.hum.leidenuniv.nl/onderzoek/brieven-als-buit/wikiscripta-neerlandica/" target="_blank"><i>Wikiscripta Neerlandica</i></a> en een drietrapscorrectiefase zijn twee uitgebalanceerde zeventiende- en achttiende-eeuwse corpora van in totaal ongeveer 1000 brieven samengesteld voor taalkundig onderzoek. Die corpora leveren niet alleen ontsloten teksten, maar zijn ook voorzien van essentiële informatie die resulteert uit archiefonderzoek en uit onderzoek naar de al of niet autografische status van de brieven.</p>
<p>Via archiefonderzoek is informatie achterhaald om afzenders in een sociale geleding, een leeftijdsgroep en een regio te kunnen plaatsen. Zo zou het mogelijk moeten zijn om onderzoek naar sociale en regionale variatie te verrichten, als de afzenders de brieven tenminste zelf geschreven hebben. Dat is niet vanzelfsprekend, omdat in de zeventiende eeuw velen niet konden schrijven. Bovendien had niet iedereen die het elementaire schrijven beheerste genoeg schrijfervaring om een brief te produceren. <del cite="mailto:Renske%20Siemens" datetime="2013-05-01T08:56"> </del>Daarvoor moesten analfabeten, semi-analfabeten of weinig schrijfvaardigen de hulp van anderen inroepen. Dat waren beroepsschrijvers of schrijfvaardige personen in hun naaste omgeving die we sociale scribenten noemen. In de achttiende eeuw is de alfabetiseringsgraad aanzienlijk toegenomen, maar ook dan moeten we nog rekening houden met ontbrekende schrijfvaardigheid.</p>
<p>Voordat taalkundig onderzoek verricht kan worden, moeten we er dus zeker van zijn dat de afzenders de brieven zelf hebben geschreven, anders worden ten onrechte bepaalde taalkenmerken aan een afzender gekoppeld die niet de scribent van de brief is. Het is dan ook cruciaal om de al of niet autografische status van de brieven vast te stellen.</p>
<p><i>Een voorbeeld van autografenonderzoek</i></p>
<p>De volgende, wat mismoedige uiting van een vrouwelijke emigrant treffen we aan in een zeventiende-eeuwse brief gestuurd vanuit Nieuw-Nederland (d.w.z. de oostkust van Noord-Amerika):</p>
<p>‘want wij in nieunederlant moe worden ende ick soude wel sijn [=zin] hebbe daer [=bij Gellicum] te wone ende mijn man is een timmer van sijn ambacht ende can oock boere werck soo dat hem niet en schelt [=scheelt] wat hij doet’.</p>
<p>Voor historici is deze reactie na de inname van Nieuw-Nederland door de Engelsen wellicht interessant, maar is de betreffende brief die Geertruit Weckmans naar haar voormalige werkgeefster Mevrouw Geertrui van Boetzelaar op huize Gellicum stuurde ook voor taalkundigen bijzonder? Is het een mooi voorbeeld van het taalgebruik van een vroegere bediende, een vrouw uit een lagere sociale klasse?</p>
<p>Het dubbele papier bestaat in feite uit twee brieven: een gedateerd 6 augustus 1664 en de ander van 12 oktober 1664, beide ondertekend door ‘kijrttrutt weckmans’ (Geertruit Weckmans).</p>
<p><img class="alignnone size-full wp-image-12878" alt="" src="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2013/05/VanderWal_2-handtekening-Geertruit.jpeg" width="523" height="162" /></p>
<p>De eerste brief kon nog niet bezorgd worden en vervolgens  ‘heb ick daer na noch bij geschreuen’, zo is de verklaring. Die opmerking moet ons er niet toe verleiden te concluderen dat Geertruit zelf de twee brieven heeft neergepend. Uit vergelijking van de ondertekeningen en de handschriften van de twee brieven blijkt namelijk dat we met drie verschillende handen te maken hebben.</p>
<p><img class="alignnone size-full wp-image-12879" alt="VanderWal_3-brief links-aug 1664" src="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2013/05/VanderWal_3-brief-links-aug-1664.jpeg" width="452" height="532" /></p>
<p><img class="alignnone size-full wp-image-12880" style="width: 451px; height: 574px;" alt="" src="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2013/05/VanderWal_4-brief-rechts-oktober-1664.jpeg" width="462" height="583" /></p>
<p>Geertruit Weckmans was tot ondertekening in staat, maar heeft voor de brieven zelf de hulp van anderen moeten inroepen. Voor de eerste brief (linksboven) is dat een professioneel scribent geweest, voor de tweede een sociaal scribent, Geertruits man, Pieter Meessen Vroman (voor de bewijsvoering zie Marijke van der Wal &amp; Gijsbert Rutten, ‘Variatie, conventies en verandering. Zeventiende- en achttiende-eeuwse buitgemaakte brieven onder de loep’, binnenkort te verschijnen in <i>Internationale Neerlandistiek</i>).</p>
<p><i>LIP en GIWIS als hulpmiddelen</i></p>
<p>De al of niet autografische status van brieven hebben wij vastgesteld met behulp van LIP (= Leiden Identification Procedure), een binnen ons onderzoeksprogramma ontwikkelde procedure die gebaseerd is op vorm en inhoudskenmerken. In ons corpus bevinden zich ook brieven van verschillende afzenders die een identiek handschrift vertonen. Het is uiteraard niet eenvoudig om bij honderden brieven zicht te krijgen op mogelijk identieke handschriften. Daarvoor is gebruik gemaakt van het handschriftvergelijkingsprogramma GIWIS (Groningen Intelligent Writer Identification System) dat op elkaar lijkende handen opspoort en rangschikt.</p>
<p>Of het nu gaat om meerdere handschriften bij één afzender, om één handschrift bij meerdere afzenders of om gevallen van unieke afzenders en unieke handschriften, om de status van de brieven vast te stellen is het veelal nodig te bepalen wat het handschrift van de afzender is geweest. In testamenten, ondertrouwacten en andere officiële stukken zijn in principe handtekeningen te vinden die met de handen in de brieven vergeleken kunnen worden. Zo vertoont de handtekening van Meymerigje Buyk-Kleynhens onder haar testament uit 1779 een treffende gelijkenis met het handschrift in haar brieven.</p>
<p><img class="alignnone size-full wp-image-12881" style="width: 610px; height: 179px;" alt="" src="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2013/05/VanderWal_5-brief-Buyk.jpeg" width="717" height="256" /></p>
<p><img class="alignnone size-full wp-image-12882" alt="" src="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2013/05/VanderWal_6-testament-Buyk.jpeg" width="342" height="87" /></p>
<p>In zo’n geval kunnen we het autografenlabel toekennen, maar als uit een officiële acte blijkt dat een man of vrouw geen handtekening, maar een merkteken zet, dan kunnen we concluderen dat schrijfvaardigheid ontbrak en de betreffende brief als niet-autograaf bestempelen. Wanneer tenslotte onvoldoende bewijsmateriaal gevonden werd, kreeg een brief de status ‘onduidelijk’.</p>
<p><i>Resultaten </i></p>
<p>Het resultaat is een zeventiende-eeuws corpus dat bestaat uit autografen, niet-autografen en brieven met het label ‘onduidelijk’, en een achttiende-eeuws corpus van uitsluitend autografen. Voor de achttiende eeuw zijn zoveel autografen beschikbaar dat niet-autografen buiten het uiteindelijke corpus zijn gehouden. Die corpora vormen de basis voor drie boeken: het binnenkort te verschijnen proefschrift over zeventiende-eeuwse brieven van Judith Nobels, de weldra te voltooien dissertatie over achttiende-eeuwse brieven van Tanja Simons en de overkoepelende monografie van Gijsbert Rutten en Marijke van der Wal, die eveneens zijn voltooiing nadert. Door samenwerking met het Instituut voor Nederlandse Lexicologie zullen die brievencorpora bovendien gelemmatiseerd en taalkundig verrijkt beschikbaar komen (zie <a href="http://www.kennislink.nl/publicaties/nieuwe-vondsten-in-oude-brieven">http://www.kennislink.nl/publicaties/nieuwe-vondsten-in-oude-brieven</a>).</p>
<p>&nbsp;</p>
<p><strong>Marijke van der Wal, Universiteit Leiden</strong></p>
<p><strong><a href="http://www.brievenalsbuit.nl">www.brievenalsbuit.nl</a></strong></p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.textualscholarship.nl/?feed=rss2&#038;p=12886</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Weer schallen klaroenen door ’t Hollandse land!</title>
		<link>http://www.textualscholarship.nl/?p=12824</link>
		<comments>http://www.textualscholarship.nl/?p=12824#comments</comments>
		<pubDate>Mon, 22 Apr 2013 08:54:17 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Jan Gielkens</dc:creator>
				<category><![CDATA[Achtergrond]]></category>
		<category><![CDATA[Homepage]]></category>
		<category><![CDATA[Hoofdnieuws]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.textualscholarship.nl/?p=12824</guid>
		<description><![CDATA[Het Koningslied – zo was het er, en zo was het er niet meer. Vreemd eigenlijk, want we kregen toch de indruk dat het hele volk zinnen en verzen en lappen tekst naar John Ewbank en Daphne Deckers had gestuurd, en dan keurt het hele volk het resultaat weer net zo enthousiast af. Maar wat [...]]]></description>
				<content:encoded><![CDATA[<p>Het Koningslied – zo was het er, en zo was het er niet meer.</p>
<p><span id="more-12824"></span>Vreemd eigenlijk, want we kregen toch de indruk dat het hele volk zinnen en verzen en lappen tekst naar John Ewbank en Daphne Deckers had gestuurd, en dan keurt het hele volk het resultaat weer net zo enthousiast af. Maar wat verwacht het volk dan van een melodie die zo nietszeggend is dat het moeilijk is plagiaat te bewijzen, in combinatie met een door de buren gemaakte tekst? Iets origineels? Iets beters dan wat we anders te horen krijgen van Marco Borsato, Gers Pardoel <em>and the like</em>?</p>
<p>Je kunt het niet meezingen, dat was een van de bezwaren. Het is niet simpel genoeg. Dat had in de jaren dertig van de twintigste eeuw de Zeister componist D.G. Becker beter begrepen. In 1936, toen Bernhard zur Lippe-Biesterfeld werd voorgesteld als verloofde van prinses Juliana, schreef en componeerde Becker het muziekstuk ‘Prins Bernhard (Een eenvoudig lied)’. Nog geen anderhalf jaar na de verloving was er weer reden voor muzikaal eerbetoon: Bernhard was intussen met Juliana getrouwd en in januari 1938 werd er een kroonprinses geboren. D.G. Becker – over wie ik in de gauwigheid verder geen gegevens kan vinden – ging weer aan de slag en schreef het lied ‘Prinses Wilhelmina’. En weer is de ondertitel ‘Een eenvoudig lied’. Tekst en melodie werden snel gedrukt en in eigen beheer verspreid. Het blad vermeldt, behalve het telefoonnummer van Becker, ook dat hij de auteur is van ‘De toverviool’ (een ‘romantische kinderoperette’), ‘De Gouden Sleutel’ (een ‘vrolijke kinderoperette’), en ‘Trovo en de Indianen’ (een ‘grappige kinderoperette’). Het lied voor de kroonprinses kostte tien cent per exemplaar, een gulden voor twintig. De tekst alleen kon ook: 30 cent voor twintig exemplaren.</p>
<p><img class="alignleft size-medium wp-image-12825" alt="Wilhelmina" src="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2013/04/Wilhelmina-220x300.jpg" width="324" height="441" /></p>
<p>Zouden er veel exemplaren verkocht zijn eer het de componist, tekstdichter en uitgever duidelijk werd dat er een storende fout op zijn werkstuk stond? Wat er gebeurd was schreef iemand – Becker zelf? – met de hand achter op het muziekblad, althans op het exemplaar dat voor mij ligt: ‘Dit vers werd voor ’t eerst uitgereikt en verspreid te Zeist op den nationalen feestdag 31 Januari 1938 des namiddags ± 3 uur bij het planten van den Oranjeboom in het Wilhelminapark.’ Als de auteur van deze regels Becker zelf was, dan was hij nog steeds in de war, want de datum ‘31 Januari’ streepte hij door en verving hem door 1 februari. En hij ging door met zijn verhaal: ‘Op dat oogenblik was de naam van de pasgeboren Prinses van Oranje nog niet bekend. – De auteur was er zeker zoo van overtuigd dat het kind naar haar grootmoeder van moederszijde zou heeten, dat hij er maar vast Prinses Wilhelmina boven plaatste. Voor de verspreiding werd er met potlood een vraagteeken achter geplaatst. / ’s Avonds werd bekend dat de Prinses genoemd was Beatrix.’</p>
<p><img class="alignleft size-medium wp-image-12826" alt="Becker" src="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2013/04/Becker-236x300.jpg" width="348" height="442" /></p>
<p>Je ziet het voor je: Becker die op 2 februari 1938 ’s ochtends in alle vroegte door Zeist fietst, bij drukkerij Van Lonkhuyzen binnenvalt en opdracht geeft voor nieuw drukwerk, nu met de titel ‘Prinses Beatrix’. En natuurlijk weer met de toevoeging: ‘Een eenvoudig lied’. Later die dag, zo stel ik me dan voor, zong het hele volk, althans het in Zeist wonende, uit volle borst:</p>
<p><em>      &#8216;Weer juichen er harten van trots en verblijden,</em><br />
<em>      Weer schallen klaroenen door ’t Hollandse land!</em><br />
<em>      Weer klinkt er een boodschap langs wegen en weiden,</em><br />
<em>      Door steden en dorpen, langs duinen en strand!’</em></p>
<p>Zo eenvoudig is dat.</p>
<p><img class="alignleft size-medium wp-image-12827" alt="Beatrix" src="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2013/04/Beatrix-220x300.jpg" width="332" height="452" /></p>
<p><strong>Jan Gielkens, Huygens ING</strong></p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.textualscholarship.nl/?feed=rss2&#038;p=12824</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Een puntkomma bij Elsschot?</title>
		<link>http://www.textualscholarship.nl/?p=12612</link>
		<comments>http://www.textualscholarship.nl/?p=12612#comments</comments>
		<pubDate>Thu, 21 Mar 2013 13:11:15 +0000</pubDate>
		<dc:creator>pdb</dc:creator>
				<category><![CDATA[Achtergrond]]></category>
		<category><![CDATA[Homepage]]></category>
		<category><![CDATA[Hoofdnieuws]]></category>
		<category><![CDATA[Manuscript van de maand]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.textualscholarship.nl/?p=12612</guid>
		<description><![CDATA[Maart 2013: Bij de opening van het Boekenbal noemde Kees van Kooten Willem Elsschot ‘de grootmeester van de puntkomma’. In heel Het Dwaallicht komt volgens hem slechts één puntkomma voor. Ik was zelf niet op het Boekenbal, maar heb inmiddels het filmpje gezien op de NRC-Boekensite, waarin Van Kooten nogmaals vertelt hoe hij tot zijn [...]]]></description>
				<content:encoded><![CDATA[<p>Maart 2013: Bij de opening van het Boekenbal noemde Kees van Kooten Willem Elsschot ‘de grootmeester van de puntkomma’. In heel <em>Het Dwaallicht</em> komt volgens hem slechts één puntkomma voor.<span id="more-12612"></span></p>
<p><iframe width="500" height="281" src="http://www.youtube.com/embed/lmNBJhukFJo?feature=oembed" frameborder="0" allowfullscreen></iframe></p>
<p>Ik was zelf niet op het Boekenbal, maar heb inmiddels het filmpje gezien op de <a href="http://www.nrc.nl/boeken/2013/03/19/naarstig-op-zoek-naar-die-ene-puntkomma/" target="_blank">NRC-Boekensite</a>, waarin Van Kooten nogmaals vertelt hoe hij tot zijn ontdekking is gekomen (bij de tiende lezing van het boek) en de leden van het Willem Elsschot-Genootschap oproept om zijn bevinding te controleren: ‘Men is het allemaal aan het nalezen of het klopt.’</p>
<p><strong>Een modern Dwaallicht</strong></p>
<p>Een meesterlijke grap, als je het mij vraagt. En wel hierom:  het verhaal waar die ene puntkomma in voorkomt, <em>Het Dwaallicht</em>, gaat niet voor niets – en Van Kooten vertelt dat er in het filmpje ook expliciet bij – over de vergeefse zoektocht van drie Afghaanse matrozen naar de zakkennaaister Maria Van Dam. Onder ‘leiding’ van Frans Laarmans dwalen ze door nachtelijk Antwerpen, ‘en ze delen hun opvattingen over godsdienst, religie, wat goed is, wat slecht is enzovoort enzovoort’.</p>
<p>‘Kees van Kooten zet Willem Elsschot Genootschap aan het werk’, schrijft de NRC onder de kop ‘Naarstig op zoek naar die ene puntkomma’. Een modern <em>Dwaallicht</em> is geboren, ik zie de drie kopstukken uit het WEG-Bestuur meteen voor me: Voorzitter, Secretaris en Biograaf alias – de keuze is willekeurig – Robbie Kerkhof, Wethouder Hekking en dr. E.I. Kipping in het kielzog van Van Kooten alias De Vieze Man: puntkommageilheid als stut voor deze tekstuele klopjacht, om Elsschot te variëren.</p>
<p><img class="alignnone size-full wp-image-12660" alt="Elsschot2" src="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2013/03/Elsschot2.jpg" width="503" height="485" /></p>
<p><strong>VPRO&#8217;s Literaire Boekenquiz</strong></p>
<p>Opmerkelijk is ook dat Van Kooten in het filmpje toegeeft dat hij met zijn oproep het antwoord al verraadt op de laatste vraag van zijn eigen <a href="http://boeken.vpro.nl/artikelen/2013/maart/literaire-kwis.html" target="_blank">‘De grote VPRO Gids Literaire Boekenquiz 2013’</a>, die eerder die week is uitgekomen. Vraag 30 luidt:</p>
<p>‘Ziezo. Als ik het wel heb, heeft u uw antwoorden met deduceren, combineren en delibereren verkregen, waarbij u wellicht een enkele naam gegoogeld hebt, maar al snel moest constateren dat de digitale speurtocht niets opleverde. Nee, de genoemde boeken zélf dienden geraadpleegd. Ter beloning voor uw ouderwets papieren zoektocht is hier tot slot een vraag die u uitsluitend kunt beantwoorden door het betreffende boek ter hand te nemen en nauwkeurig door te lezen. Dat is heel wel te doen, want het zijn amper honderd bladzijden. De auteur hiervan werd door literaire meesters als Karel van het Reve, Simon Carmiggelt, Gerrit Komrij en Martinus Nijhoff als de grootste Nederlandse schrijver van de twintigste eeuw beschouwd: Willem Elsschot met zijn novelle <em>Het dwaallicht</em>. De vraag luidt: hoeveel punten komma (puntkomma’s) komen er in <em>Het dwaallicht</em> voor?<br />
0  1<br />
0  68<br />
0  124’</p>
<p>De lezers van de VPRO-gids kunnen het antwoord dus alsnog <em>googelend</em> vinden, maar de arme leden van het Elsschot-genootschap zitten vermoedelijk nog steeds te bladeren <em>waar</em> die ene puntkomma dan wel precies staat. Dat kan nog wel even gaan duren. Het antwoord dat Van Kooten zogenaamd ‘verraadt’ is namelijk onjuist.</p>
<p><strong>Ouderwets papieren zoektocht</strong></p>
<p>Of beter gezegd: het antwoord op de vraag ‘hoeveel’ of ‘waar’ hangt af van de uitgave of editie die je van ‘het betreffende boek’ ter hand neemt. Als de leden van het genootschap gebruik maken van het oude, door Elsschot zelf nog samengestelde <em>Verzameld Werk</em> uit 1957, dan vinden ze niets. Hebben ze één van de talloze latere, steeds corrupter wordende herdrukken van het <em>VW</em>, dan is de kans aanwezig dat ze er (veel) meer dan één vinden (ik heb het niet gecontroleerd, 68 lijkt me evenwel uitgesloten), maar die zijn geheid niet van Elsschot.</p>
<p>Het genootschap kent vele verzamelaars, dus na deze vergeefse zoektocht zal er ongetwijfeld iemand zijn die naar zijn exemplaar van de eerste druk van <em>Het Dwaallicht</em> (1947) grijpt. En jawel: twee puntkomma’s! En wie zelfs teruggaat naar de voorpublicatie van het verhaal in het <em>Nieuw Vlaamsch Tijdschrift</em> (1946) vindt er maar liefst vier.</p>
<p>We vinden in de door Elsschot geautoriseerde bronnen dus drie mogelijke antwoorden op vraag 30 van de Literaire Boekenquiz: 0, 2 of 4 puntkomma&#8217;s. Met de laatste twee antwoorden wordt Elsschots meesterschap tot tweemaal toe gehalveerd. Hoe zit dat nu?</p>
<p><strong>Meesterschap of meesterlijk grap?</strong></p>
<p>Goed nieuws voor Van Kooten en andere Elsschotliefhebbers: de puntkomma’s in het <em>Nieuw Vlaamsch Tijdschrift</em> en in de eerste druk zijn niet van Elsschot. Bij de tijdschriftpublicatie zorgde Hubert Lampo als bemoeizuchtige redacteur voor een flink aantal ‘taalkundige’ correcties in de tekst, die Elsschot voor een groot deel ongedaan maakte toen hij de drukproef kreeg. De puntkomma’s zag hij evenwel over het hoofd. Bij de correctie van de eerste druk kwam hij er twee alsnog op het spoor:</p>
<p><img class="alignnone size-full wp-image-12656" alt="Elsschot3" src="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2013/03/Elsschot3.jpg" width="550" height="143" /></p>
<p><img class="alignnone size-full wp-image-12657" alt="Elsschot4" src="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2013/03/Elsschot4.jpg" width="550" height="130" /></p>
<p>Twee andere puntkomma’s bleven ten onrechte staan, zo&#8217;n goeie corrector was Elsschot nou ook weer niet. Dat hij zelf wel degelijk een puntkommaloos <em>Dwaallicht</em> had geschreven, bewijst zijn eigen typoscript (met exuses voor de matige scans):</p>
<p><img class="alignnone size-full wp-image-12766" alt="Typo_p7" src="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2013/03/Typo_p7.jpg" width="550" height="97" /></p>
<p><img class="alignnone size-full wp-image-12764" alt="Typo_p9" src="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2013/03/Typo_p9.jpg" width="550" height="69" /></p>
<p>In de editie van <em>Het Dwaallicht</em> (2004) in het <em>Volledig Werk</em> is Elsschots eigen tekst vanzelfsprekend in ere hersteld, zo ook in het ervan afgeleide <em>Verzameld Werk</em> uit 2005, geïllustreerd door Peter van Hugten, of in het daar weer van afgeleide boekje-met-stadswandeling uit 2010: geen puntkomma te vinden.</p>
<p>Het juiste antwoord is dus of zou moeten zijn: o (nul). Kees van Kooten heeft die ene puntkomma verzonnen en er een geslaagde grap mee uitgehaald. Mocht ik er naast zitten, dan geloof ik het pas als ik zijn exemplaar van <em>Het Dwaallicht </em>te zien krijg. In ruil voor de goede editie.</p>
<p><a href="http://www.huygens.knaw.nl/debruijn/" target="_blank">Peter de Bruijn, Huygens ING</a></p>
<p>&nbsp;</p>
<p>P.S. Voor wie nog niet is uitgeteld: in <a href="http://www.standaard.be/krant/tekst/index.aspx?oDay=15&amp;oMonth=3&amp;oYear=2013&amp;articleid=DMF20130312_00501291" target="_blank"><em>De Standaard</em> van 15 maart j.l.</a> doet Van Kooten uitgebreider verslag van zijn onderzoek naar de puntkomma bij Elsschot:</p>
<p>‘Het toeval wil dat ik net het oeuvre van Elsschot, ook een schrijver-marketeer, heb herlezen en daarin iets unieks heb ontdekt, namelijk dat Elsschot de grootmeester van de puntkomma is. Zo staat in <em>De verlossing</em> niet één puntkomma, in <em>Villa des Roses</em> staan er vijf en in <em>Tsjip</em> moet je wachten tot de voorlaatste alinea om er een te vinden. Ik heb achterhaald dat Elsschot de puntkomma, dat in se een zwaktebod is, net meesterlijk inzet op momenten dat het hem zelf emotioneel te veel wordt en hij die snik dus ook bij het publiek wil bewerkstelligen. Elsschots discipline is totaal: er staat nergens een woord of een leesteken te veel. U begrijpt dat ik nu dus ook mijn gebruik van leestekens ben gaan matigen.’</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.textualscholarship.nl/?feed=rss2&#038;p=12612</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Textual Scholarship and the Making of the New Testament (David Parker)</title>
		<link>http://www.textualscholarship.nl/?p=12282</link>
		<comments>http://www.textualscholarship.nl/?p=12282#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 13 Feb 2013 09:38:16 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Renske Siemens</dc:creator>
				<category><![CDATA[Achtergrond]]></category>
		<category><![CDATA[Recensies]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.textualscholarship.nl/?p=12282</guid>
		<description><![CDATA[Duizenden handschriften met talloze varianten: het Nieuwe Testament is misschien de grootse uitdaging voor de tekstwetenschap. David Parker’s Textual Scholarship and the Making of the New Testament wordt besproken door Wido van Peursen. &#160; Dit boek bevat een bewerking van de Lyell Lectures die Parker in mei 2011 in Oxford gegeven heeft. Het geeft een [...]]]></description>
				<content:encoded><![CDATA[<p>Duizenden handschriften met talloze varianten: het Nieuwe Testament is misschien de grootse uitdaging voor de tekstwetenschap. David Parker’s <i>Textual Scholarship and the Making of the New Testament </i>wordt besproken door Wido van Peursen.<span id="more-12282"></span></p>
<p>&nbsp;</p>
<p>Dit boek bevat een bewerking van de Lyell Lectures die Parker in mei 2011 in Oxford gegeven heeft. Het geeft een inleiding in de tekstkritiek en tekstgeschiedenis van het Nieuwe Testament die ook toegankelijk is voor hen die zich niet specifiek met dit corpus hebben beziggehouden.</p>
<p><a href="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2013/02/Textual-scholarship-and-the-making-of-the-new-testament.jpg"><img class="alignnone size-full wp-image-12284" alt="Textual scholarship and the making of the new testament" src="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2013/02/Textual-scholarship-and-the-making-of-the-new-testament.jpg" width="287" height="450" /></a></p>
<p>Specifieke uitdagingen in de tekstkritiek van het Nieuwe Testament zijn de grote hoeveelheid handschriften (ca. 5.600 Griekse tekstgetuigen, naast duizenden handschriften van de Latijnse vertaling, citaten bij kerkvaders, e.a.), de gigantische aantallen tekstvarianten (in een case studie van Johannes 18: gemiddeld 30 varianten per vers), en het alomtegenwoordige verschijnsel van contaminatie, dat bijvoorbeeld de bouw van een Lachmaniaans stemma onmogelijk maakt.</p>
<p>In Parkers betoog speelt het onderscheid tussen “werk” (b.v. het Johannes-evangelie), “tekst” (de vorm waarin het werk verschijnt in de afzonderlijke manuscripten), en “document” (b.v. een manuscript) een belangrijke rol. Het “werk” is het interessegebied van de lezer, exegeet of historicus, de “tekst” die van de tekstcriticus en het “document” die van de kunsthistoricus of paleograaf. Echter, het werk bestaat slechts in teksten, en teksten bestaan slechts in documenten. Helaas wordt dit in het gebruik van edities of vertalingen vaak vergeten.</p>
<p>Parker houdt vast aan het concept van een “Initial Text” (de oudste tekst voor zover die beschikbaar is op basis van analyse van de handschriften), maar benadrukt dat deze tekst niet gelijkgesteld mag worden met de “oorspronkelijke” tekst (“the authorial fallacy”). Evenmin vallen “het werk” en “de Initial Text” samen, want de eerste omvat volgens Parker alle vormen waarin de tekst zich voordoet.</p>
<p>Een kritische editie moet in Parkers visie toegang geven tot “het werk”, en daarom niet alleen een reconstructie van de Initial Text geven, maar ook het verhaal van de ontwikkeling van de tekst vertellen. Digitale middelen bieden daartoe geheel nieuwe perspectieven. Electronische edities (zoals die van het <a href="http://www.iohannes.com" target="_blank">Johannes-evangelie</a>), online samenwerking (b.v. in de <a href="http://ntvmr.uni-muenster.de/nl/manuscript-workspace" target="_blank">Workspace for Collaborative Editing</a>), digitalisering van handschriften (zoals de <a href="http://www.codexsinaiticus.org">Codex Sinaiticus</a>), digitale handschriftenverzamelingen (zoals in de <a href="http://www.vmr.bham.ac.uk">Virtual Manuscript Room</a>) en online beschikbare transcripts (zoals de <a href="http://nttranscripts.uni-muenster.de/">New Testament Transcripts</a> van het <a href="http://egora.uni-muenster.de/intf/index_en.shtml">Institut für Neutestamentliche Textforschung</a> [INTF]) bieden geweldige mogelijkheden om dit verhaal van de tekst te vertellen. Al deze middelen bij elkaar maken het voor het eerst in de geschiedenis mogelijk een Editio critica major van het NT te maken. Dat betekent voor Parker: een editie die een reconstructie biedt van de Initial Text op basis van een systematische vergelijking van alle beschikbare tekstgetuigen, met een kritisch apparaat dat zoveel mogelijk het tekstmateriaal levert dat de gemaakte keuzes onderbouwt, en een verantwoording van alle keuzes die de uitgevers van de tekst gemaakt hebben op ieder punt waar sprake is van tekstvariatie.</p>
<p>Een consequentie van Parkers onderscheid tussen “werk”, “tekst” en “document” is zijn visie dat een “Nieuwtestamentisch handschrift” als zodanig niet bestaat. We hebben afzonderlijke teksten, in documenten die doorgaans slechts een deel van het NT bevatten (b.v. de evangeliën), en vaak ook andere geschriften. <a href="http://intf.uni-muenster.de/vmr/NTVMR/ListeHandschriften">De lijst met NT manuscripten van het INTF</a> laat zien dat een definitie van “nieuwtestamentisch manuscript” problematisch is, dat men niet goed raad weet met amuletten, ostraca en inscripties die nieuwtestamentische passages bevatten, en dat een consistente systematische ordening van het materiaal uiterst ingewikkeld is. Het gebruikelijke onderscheid tussen papyri, majuskels, minuskels en lectionaria is verwarrend, omdat het gebaseerd is op elkaar niet uitsluitende categorieën, nl. materiaal, schrift en inhoud.</p>
<p>In zijn discussie over methoden om de relaties tussen handschriften te bepalen besteedt Parker veel aandacht aan de <a href="http://www.uni-muenster.de/INTF/Genealogical_method.html">Münster Methode</a>, ook wel de Coherence-Based Geneaological Method genoemd. Deze methode werkt met volledige transcripties van tekstgetuigen en probeert in een aantal test passages de textual flow te achterhalen op basis van een selectie van varianten waarin de richting van de tekstontwikkeling onmiskenbaar is. Deze worden gebruikt om de relaties tussen teksten in kaart te brengen. Doordat deze methode uitgaat van afzonderlijke varianten, kan het ook op adequate wijze omgaan met contaminatie, anders dan methoden die complete teksten of teksttypen als uitgangspunt hebben. De voor een mens onmogelijke taak om alle handschriften vervolgens op alle varianten te vergelijken kan wel met de computer uitgevoerd worden.</p>
<p>Dit alles bij elkaar levert een compact, helder overzicht van methoden van tekstkritiek, specifieke problemen in de tekstkritiek van het NT, een terugblik naar manuscripten en edities en een vooruitblik naar de teksteditie van de toekomst. Omdat op gebied van het NT veel in beweging is, met name in de toepassing van IT in de ontwikkeling van nieuwe methoden, is dit een lezenswaardig boek voor iedereen die geïnteresseerd is in tekst- en editiewetenschappen. Dit boek is niet alleen informatief en helder geschreven, maar ook bijzonder fraai vormgegeven.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p><strong>Wido van Peursen</strong></p>
<p>Hoogleraar Oude Testament, Vrije Universiteit Amsterdam</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>David Parker, <em>Textual Scholarship and the Making of the New Testament. </em>Oxford:Oxford University Press, 2012.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.textualscholarship.nl/?feed=rss2&#038;p=12282</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>De charme van een onhandig oermanuscript</title>
		<link>http://www.textualscholarship.nl/?p=12292</link>
		<comments>http://www.textualscholarship.nl/?p=12292#comments</comments>
		<pubDate>Mon, 11 Feb 2013 08:37:43 +0000</pubDate>
		<dc:creator>pdb</dc:creator>
				<category><![CDATA[Hoofdnieuws]]></category>
		<category><![CDATA[Manuscript van de maand]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.textualscholarship.nl/?p=12292</guid>
		<description><![CDATA[Februari 2013: Ter gelegenheid van de 75e verjaardag van Jan Siebelink verschijnt – dertig jaar na dato – zijn allereerste roman Daniël in de vallei als ‘oerboek’. Een oerboek bestaat bij de gratie van het oeuvre dat een auteur naderhand heeft opgebouwd. Het bevat oermateriaal dat nooit in zijn oorspronkelijke vorm is gepubliceerd, maar wél op [...]]]></description>
				<content:encoded><![CDATA[<p>Februari 2013: Ter gelegenheid van de 75e verjaardag van Jan Siebelink verschijnt – dertig jaar na dato – zijn allereerste roman <em>Daniël in de vallei</em> als ‘oerboek’.<span id="more-12292"></span></p>
<p>Een oerboek bestaat bij de gratie van het oeuvre dat een auteur naderhand heeft opgebouwd. Het bevat oermateriaal dat nooit in zijn oorspronkelijke vorm is gepubliceerd, maar wél op de een of andere manier in later werk is terechtgekomen. Dat materiaal kan bestaan uit eerste vingeroefeningen, probeersels en kladversies, maar ook uit een min of meer voltooid werk dat nooit werd uitgegeven. Veel schrijvers bewaren dergelijke oermanuscripten om er later nog eens uit te kunnen putten.</p>
<p><img class="alignnone size-full wp-image-12297" alt="Omslag" src="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2013/02/Omslag.jpg" width="267" height="413" /></p>
<p>Zo ook Jan Siebelink. Hij bleek zelfs een complete roman in een la te hebben liggen: <em>Daniël in de vallei</em>. Dertig jaar na dato wordt het alsnog uitgegeven in de Oerboek-reeks, de reeks die is opgezet om onbekend werk te publiceren dat beschouwd kan worden als een sleutel tot het oeuvre van belangrijke Nederlandse schrijvers.</p>
<p>Bij Siebelink staat het belang buiten kijf: hij behoort ‘tot de succesvolste schrijvers van Nederland’, om de flaptekst te citeren: ‘Met zijn roman <em>Knielen op een bed violen</em> veroverde hij een ongekend groot en breed publiek. Het boek werd onderscheiden met de AKO Literatuurprijs en in verscheidene talen vertaald.’ Als er dan een oerroman wordt gevonden die – zoals Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich het formuleren in hun naschrift – een ‘blauwdruk’ blijkt te zijn van de succesvolle <em>Violen</em>-roman (en van <em>Suezkade</em>), dan is de keuze snel gemaakt. Het belang van het latere werk bepaalt de waarde van het oermanuscript.</p>
<p><strong>Ontstaan</strong></p>
<p><em>Daniël in de vallei</em> kent een lange ontstaansgeschiedenis. De kiem ervan ligt in 1955, in een opstel dat de zeventienjarige Siebelink tijdens zijn opleiding aan de Arnhemse Rijkskweekschool schrijft. Het opstel zelf is verloren gegaan, ‘maar fragmenten bevinden zich in deze oerroman’, zo vertelt Siebelink voor de gelegenheid. Het steeds maar uitdijende manuscript – een ‘mengelmoes van ongelijksoortige bestanddelen’ noemt hij het zelf – belandt uiteindelijk in de kelder, en komt daar pas jaren later weer uit als Laurens van Krevelen, hoofdredacteur bij uitgeverij Meulenhoff, in 1982 aan Siebelink vraagt of hij nog ergens mee bezig is.</p>
<p><img class="alignnone size-full wp-image-12295" alt="Pagina-1-uitsnede" src="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2013/02/Pagina-1-uitsnede.jpg" width="550" height="377" /></p>
<p>Het typoscript van <em>Daniël in de vallei</em> dat nu als oerboek is uitgegeven is het resultaat van het proces van herschrijven en herzien dat dan volgt. Het bestaat uit 224 bladen, interlinie anderhalf, regellengte maximaal (de meeste regels lopen bijna van het papier af, en om nog meer ruimte te winnen heeft Siebelink spaties weggelaten waar het maar mogelijk was). In en tussen de regels heeft de schrijver zowel met de typemachine en Tipp-Ex als in zijn minuscule handschrift tal van typefouten gecorrigeerd en hier en daar nog een inhoudelijke wijziging aangebracht.</p>
<p>Bij het corrigeren van de tekst heeft Jan Siebelink wel het een en ander over het hoofd gezien. Dat is natuurlijk niet verwonderlijk, want zoals elke andere auteur zal hij ervan uitgegaan zijn dat er tussen ingeleverde kopij en boekpublicatie nog wel een paar redactie- en correctieslagen zouden zitten. Zover is het dus nooit gekomen: als de schrijver het typoscript aan Van Krevelen laat lezen, is diens oordeel stellig: de roman zal niet worden uitgegeven en belandt opnieuw in de kelder.</p>
<p><strong>Onhandigheden</strong></p>
<p>Een succesvol schrijver die na dertig jaar wordt geconfronteerd met dit vroege werk zal – zo kunt u zich voorstellen – alleen met moeite de neiging kunnen onderdrukken om de tekst te herzien en misschien zelfs grondig onder handen te nemen, als ware het een nieuwe roman. Maar dat is het natuurlijk niet. Een oerboek is geen uitgave van een nieuw manuscript dat aan alle kanten nog geredigeerd moet worden, maar een editie van een inmiddels historisch geworden document.</p>
<p>En hier komt de ‘tekstbezorger’ om de hoek kijken die bij ieder deel van de Oerboek-reeks wordt ingeschakeld. Voor het Siebelink-deel had ik de eer. Mijn voornaamste taak was om erop toe te zien dat de charme van het oorspronkelijke typoscript intact bleef, dat wil zeggen: dat inhoudelijke inconsequenties en doublures niet werden gladgestreken door een oplettende redacteur, of dat Siebelinks spellingseigenaardigheden (zoals zijn neiging tot de Franse schrijfwijze) niet ten prooi vielen aan een corrector, én dat de schrijver <em>zelf</em> niet alsnog aan zijn tekst ging sleutelen.</p>
<p>Voor alle partijen was deze rolverdeling wel even wennen, want een uitgever geeft toch liever een nieuwe roman uit dan een historisch document, en ook een auteur ziet natuurlijk liever een meesterwerk van zijn hand verschijnen dan een nog ‘onvoldragen’ roman (de kwalificatie is van Arjan Peters). En de tekstbezorger? Die beseft ook wel dat er geen historisch-kritische Gesamtausgabe van hem verlangd wordt maar een publiekseditie, maar toch moet hij op bepaalde editoriale strepen blijven staan.</p>
<p>Ik zal u hier niet vermoeien met alle overwegingen, heroverwegingen en uiteindelijke beslissingen. Kijkt u de lijst met ingrepen er maar op na. Bijzonder in de samenwerking was de volledige vrijheid die ik van de uitgever kreeg, het meest verrassend was de ruimhartigheid die Jan Siebelink aan de dag legde – zij het na enige aarzeling. De schrijver las nauwgezet met de drukproeven mee en had ook zéker de neiging om de tekst hier en daar op te willen vijzelen, maar kwam tot inkeer toen hij een minder gelukte passage resoluut had doorgehaald. Dat vond hij toch ook zelf te gortig, en hij noteerde erboven: ‘of zo laten als zijnde onhandigheden passend bij het oerboek’.</p>
<p><img class="alignnone size-full wp-image-12298" alt="Onhandigheden" src="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2013/02/Onhandigheden.jpg" width="550" height="224" /></p>
<p>Deze en andere ‘onhandigheden’ zijn dus in het oerboek blijven staan, zodat de lezer inderdaad kennis kan maken met de vroege Jan Siebelink en niet met de succesauteur die hij later zou worden. Nog niet, althans. Zoals Arjan Peters het verwoordt in het essay dat hij bijdroeg aan <em>Daniël in de vallei</em>: ‘Hét gebeurt hier nog niet, maar het komt eraan. Dat voel je. Dat meen je te zien. Je wéét het trouwens ook, met de kennis van nu. Dit verhaal [...] is een intrigerende oefening; een bed van zaailingen waaraan mettertijd alle waarlijk grote romans zouden ontspruiten.’ Een mooiere parallel tussen ‘oermateriaal’ en ‘violenboek’ is nauwelijks te verzinnen.</p>
<p>Peter de Bruijn</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>Jan Siebelink, <em>Daniël in de vallei</em>. Samenstelling en redactie Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich<em>. </em>Amsterdam (De Bezige Bij<em>)</em>, 2013<em>.<br />
</em></p>
<p>De redactie van de Oerboek-reeks wordt gevormd door Peter de Bruijn, Daan Cartens, Sjoerd van Faassen, Lisa Kuitert, Mirjam Rotenstreich en Yves T’Sjoen. In de reeks verschenen eerder oerboeken van Hella S. Haasse (2002), Jeroen Brouwers (2006), Mensje van Keulen (2008) en S. Vestdijk (2010).</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.textualscholarship.nl/?feed=rss2&#038;p=12292</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Een tipje van de sluier</title>
		<link>http://www.textualscholarship.nl/?p=12099</link>
		<comments>http://www.textualscholarship.nl/?p=12099#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 18 Dec 2012 12:52:10 +0000</pubDate>
		<dc:creator>JohanK</dc:creator>
				<category><![CDATA[Hoofdnieuws]]></category>
		<category><![CDATA[Manuscript van de maand]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.textualscholarship.nl/?p=12099</guid>
		<description><![CDATA[Resolutieregisters van 17e en 18e eeuwse bestuurscolleges zijn doorgaans vrij saai om te lezen. Dat komt door ‘den sluier, dien de regenten der Republiek gewoon waren over hun beraadslagingen te werpen’, zoals Robert Fruin het verwoordde. De bestuurders wilden de indruk wekken besluiten altijd in grote overeenstemming te nemen. Niet voor niets zoeken historici de wortels [...]]]></description>
				<content:encoded><![CDATA[<p>Resolutieregisters van 17e en 18e eeuwse bestuurscolleges zijn doorgaans vrij saai om te lezen. Dat komt door ‘den sluier, dien de regenten der Republiek gewoon waren over hun beraadslagingen te werpen’, zoals Robert Fruin het verwoordde. De bestuurders wilden de indruk wekken besluiten altijd in grote overeenstemming te nemen. Niet voor niets zoeken historici de wortels van het poldermodel in deze tijd, of nog daarvoor.<span id="more-12099"></span></p>
<p>Gelukkig bestaan er ook verslagen van vergaderingen die voor privé-gebruik bestemd waren, met uitvoerige beschrijvingen van de totstandkoming van besluiten en de interne strijd die eraan vooraf ging. Een dergelijk verslag is het relaas van Willem Bentinck over de benoeming van een nieuwe hoogleraar theologie aan de Leidse universiteit in 1762, waarop ik stuitte tijdens het onderzoek voor mijn proefschrift.</p>
<p style="text-align: center;"><img title="Willem Bentinck" src="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2012/12/BentinckPlaatje.jpg" alt="Willem Bentinck" width="179" height="282" /></p>
<p>Bentinck was als invloedrijk regent de belangrijkste motor achter de verheffing van Willem IV tot algemeen erfstadhouder. Het ‘grote’ publiek kent hem uit de boeken van Hella Haase, <em>Mevrouw Bentinck of Onverenigbaarheid van karakter</em> en <em>De groten der aarde of Bentinck tegen Bentinck</em>.  Op basis van zijn vooraanstaande positie als lid van de Hollandse Ridderschap en om zijn wetenschappelijke belangstelling benoemden de Staten van Holland hem in 1745 tot curator van de Leidse universiteit.</p>
<p>De aanstelling van nieuwe hoogleraren was zonder twijfel de belangrijkste taak van het universiteitsbestuur, dat bestond uit drie curatoren als vertegenwoordigers van de Staten van Holland en de vier burgemeesters  van Leiden. Gezien het stof dat godsdienstige kwesties ook in de achttiende-eeuwse maatschappij nog konden doen opwaaien, was vooral de benoeming van hoogleraren theologie een precaire aangelegenheid. Om de rust te bewaren was het de gewoonte bij de samenstelling van het docentencorps een evenwicht na te streven tussen vooruitstrevende  en behoudende theologen (voetianen en coccejanen, met verschillende daarvan afgeleide richtingen, waaronder vitringianen), zoals stadbesturen dat ook met de predikanten deden.</p>
<p>Wie er alleen de officiële besluiten van het universiteitsbestuur van 14 augustus 1762 op naslaat, gaat snel weer over tot de orde van de dag. Droogjes staat er:</p>
<p style="padding-left: 30px;">‘Gedelibereerd zijnde over de vacante professorsplaatse door het overlijden van den heer professor Van Schelle en de differente adviesen en sentimenten daaromtrend zijnde geuyt, is bij Hun Edel Groot Achtbaren  goedgevonden en geresolveert tot theologie professor in plaatse van voorgemelte heer Van Schelle te beroepen Dominus  Petrus Couwenberg du Bois, predicant alhier te Leyden en subregens van ’t collegium theologiae [volgt informatie over het traktement], en in plaatse van den overleedene heer professor Alberti te beroepen Dominus Ewaldus Hollebeek, thans professor te Groningen [volgt informatie over het traktement]. En hebben wijders Hun Edel  Groot Achtbaren goedgevonden de deliberatiën of men een voetiaan zal beroepen uijt te stellen tot nader gelegentheyd.’</p>
<p>Het verslag van Bentinck daarentegen opent een wereld van intriges en gekwetste ego’s. We zien Bentinck zijn zin doordrukken door handig manoeuvreren en door een pact te sluiten met de vier burgemeesters tegen zijn twee medecuratoren, Pieter Steyn (tevens raadpensionaris van Holland) en Cornelis de Witt. Op 22 juli 1762 spreekt het bestuur over de vervanging van de overleden coccejaan Van Schelle. Alleen de jongste burgemeester Pla spreekt een duidelijke voorkeur uit, en wel voor Ewaldus Hollebeek.  Bentinck ziet dat dit voorstel de verbazing wekt van curator Pieter Steyn. Maar het bestuur stelt het besluit uit tot 14 augustus.</p>
<p>Op die dag meldt Bentinck zich om acht uur in de ochtend op het Leidse stadhuis bij secretaris Van Royen, tevens secretaris van Burgemeesters, om de zaak voor te koken. De avond ervoor blijkt een tweede hoogleraar theologie, Johannes Alberti, te zijn overleden. Bentinck wil tijdens de vergadering van het universiteitsbestuur meteen diens vacature opvullen, om te voorkomen dat zijn twee medecuratoren, die van het overlijden nog niets weten, zich kunnen voorbereiden. Hij vraagt Van Royen aan de burgemeesters over te brengen dat hij ‘hun man’ is, als zij met dit voorstel akkoord gaan. De burgemeesters vergaderen daarop over beide vacatures. Ze willen coccejaan Petrus Couwenberg du Bois in de plaats van coccejaan Van Schelle, en vitringiaan Hollebeek voor de eveneens vitringiaanse Alberti. Om half tien licht Burgemeester Van der Marck Bentinck over dit besluit in. Bentinck is &#8216;hun man&#8217;.</p>
<p style="text-align: center;"><img title="Curatorenkamer" src="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2012/12/CuratorenkamerPlaatje.jpg" alt="Curatorenkamer, Leiden" width="200" height="277" /></p>
<p>Bentinck begeeft zich hierna naar de curatorenkamer, eveneens in het stadhuis, voor de vergadering van Curatoren en Burgemeesters. Hij houdt de al aanwezige Steyn en De Witt aan de praat over ditjes en datjes tot de burgemeesters arriveren, en licht zijn medecuratoren pas na de vaststelling van de besluiten van de vorige vergadering in over het overlijden van Alberti. Beiden reageren verbaasd en zijn in verwarring. Steyn begint een verhandeling over de benodigde variëteit aan hoogleraren om verschillende soorten studenten te trekken, en pleit daarom voor een voetiaan. Die richting wordt momenteel alleen vertegenwoordigd door  Bernard de Moor, die amper studenten trekt. Bentinck besluit eerst de vacature van Van Schelle te vervullen en stelt Du Bois voor, zoals afgesproken met de burgemeesters. De Witt heeft een andere voorkeur, maar is niet tegen Du Bois. Steyn hoort dit geërgerd aan, zo blijkt uit de ‘grimaces horribles’ die hij trekt. Hij herhaalt zijn vertoog over het benodigde evenwicht, zegt niets ten voor-, maar ook niets ten nadele van Du Bois. Bentinck vermoedt dat Steyn verwacht dat hij omstandig zijn keuze voor Du Bois gaat toelichten, zodat Steyn vervolgens tegenwerpingen kan maken. Bentinck doet dat wijselijk niet. Hij vraagt de mening van de burgemeesters, die hij natuurlijk al weet. Du Bois is binnen.</p>
<p>Bentinck pleit nu voor onmiddellijke vervulling van de vacature Alberti, aangezien het academisch jaar bijna aanvangt. Omdat er voor de vervulling van de vacature Van Schelle toch al een lijst kandidaten is samengesteld, moet dat geen problemen opleveren. De burgemeesters zijn het daar vanzelfsprekend van harte mee eens. Bentinck stelt Hollebeek voor. Hierop heeft De Witt wel gerekend. Hij beaamt dat Hollebeek veel bekendheid geniet en veel studenten kan trekken, met name uit Groningen waar hij momenteel doceert. Maar hij zou niet ‘suyver in den leere’ zijn! Om die bewering te schragen tovert hij stellingen uit zijn zak die verdedigd zijn onder Hollebeek. Bentinck vraagt ze te mogen lezen, zegt dat hij er niets van begrijpt en vraagt De Witt om uitleg. Die moet toegeven dat hij de stellingen zelf ook niet begrijpt. De Dordtse regent wordt door de overige aanwezigen uitgelachen, ook door Steyn, ‘et De Witt fort capot.’ Steyn is aan de beurt en pleit weer voor een voetiaanse ‘ernstige’, om verschillende soorten studenten te trekken. Bentinck zegt dat als ze Steyns systeem volgen, er in de plaats van vitringiaan Alberti ook een vitringiaan benoemd moet worden, net als er voor coccejeaan Van Schelle een coccejaan is benoemd. Steyn sputtert nog wat tegen, maar de burgemeesters geven de doorslag met hun stem voor Hollebeek.</p>
<p>De aantekeningen van Bentinck trekken in één ruk ‘den sluier’ van het officiële verslag van de vergadering, en tonen dat van eensgezindheid geen sprake was. Opvallend is dat de strijd niet gaat tussen curatoren aan de ene en burgemeesters aan de andere kant, zoals misschien te verwachten is. Bentinck spant juist samen met de burgemeesters tegen zijn medecuratoren. Dat dit voorkoken van besluiten met burgemeesters geen eenmalige gebeurtenis was, blijkt uit aantekeningen van Bentinck uit 1750.</p>
<p>Het genoegen waarmee Bentinck de afgang van De Witt en Steyn beschrijft toont zijn afkeer van de twee. De oorsprong van zijn aversie tegen Steyn is niet moeilijk te achterhalen. Steyn had zijn benoeming tot raadpensionaris te danken aan Bentinck. Hij was de opvolger van Jacob Gilles, die in 1749 hoofdzakelijk door toedoen van Bentinck het veld moest ruimen. Steyn was aanvankelijk een medestander van Bentinck , maar in 1755 was dat voorbij, als gevolg van een politiek meningsverschil. Bovendien had Steyn zich in 1759, tegen Bentincks wil,  op doortrapte wijze meester gemaakt van het ambt van curator. De Witt was een weinig betekenende figuur, die volgens zijn korte biografie in het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, in de jaren 1747-1748 ‘een zekere rol [heeft] trachten te spelen’.  De auteur verwijst hierbij naar een schrijven van Bentinck uit 1748, dat De Witt noemt als lid van het ancienne cabale van regenten dat fel was gekant tegen de verheffing van Willem IV tot stadhouder. Ofschoon niet geheel zeker is dat het hier om Cornelis of om zijn zoon Johan de Witt gaat, destijds beiden lid van de Dordtse vroedschap, is er geen enkele reden om aan te nemen dat de vader anders dacht dan de zoon, als nazaat van de met stilzwijgende goedkeuring van Willem III in 1672 gelynchte raadpensionaris Johan de Witt.</p>
<p>Uit Bentincks verslag blijkt ook dat zaken die niet direct iets met de Leidse universiteit van doen hadden, invloed konden hebben op de benoeming van hoogleraren. Het lijkt Bentinck niet veel uit te maken wie er werd benoemd, als  hij Steyn en De Witt maar een hak kon zetten.</p>
<p><strong>Ronald Sluijter<br />
</strong></p>
<p>Literatuur:</p>
<p>Ronald Sluijter, <em>‘Tot ciraet, vermeerderinge ende heerlyckmaeckinge der universiteyt&#8217;. Bestuur, instellingen, personeel en financiën van de Leidse universiteit, 1575-1812</em> (Hilversum 2004). Het manuscript werd eerder gebruikt door J. van den Berg, ‘Willem Bentinck (1704-1774) en de theologische faculteit te Leiden’ in: S. Groenveld, M.E.H.N. Mout en I. Schöffer ed., <em>Bestuurders en geleerden</em> (Amsterdam/Dieren 1985) 169-177. Het berust in het Koninklijk Huisarchief, Archief Bentinck, G 2, 65 IB-IIB.</p>
<p>Universiteitsbibliotheek Leiden, Archief van Curatoren, 1574-1815, inv. nr. 34</p>
<p><em>Archives ou correspondance inédite de la maison d&#8217;Orange-Nassau</em>, 4<sup>e</sup> serie, deel 1 (Leiden 1908) 508, Deel III, 1453.</p>
<p>&nbsp;</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.textualscholarship.nl/?feed=rss2&#038;p=12099</wfw:commentRss>
		<slash:comments>1</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Druil</title>
		<link>http://www.textualscholarship.nl/?p=11473</link>
		<comments>http://www.textualscholarship.nl/?p=11473#comments</comments>
		<pubDate>Mon, 12 Nov 2012 15:12:56 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Renske Siemens</dc:creator>
				<category><![CDATA[Hoofdnieuws]]></category>
		<category><![CDATA[Manuscript van de maand]]></category>
		<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.textualscholarship.nl/?p=11473</guid>
		<description><![CDATA[November 2012: het is Nederland Leest-maand. Sinds 2006 organiseert de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) elk najaar een Nederland Leest-campagne waarin telkens een ander boek centraal staat. Leden van openbare bibliotheken krijgen tijdens de actiemaand een exemplaar van het actieboek cadeau en er worden allerlei activiteiten ontplooid die tot discussie over het [...]]]></description>
				<content:encoded><![CDATA[<p>November 2012: het is Nederland Leest-maand. Sinds 2006 organiseert de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) elk najaar een <a href="http://www.nederlandleest.nl/">Nederland Leest</a>-campagne waarin telkens een ander boek centraal staat. <span id="more-11473"></span>Leden van openbare bibliotheken krijgen tijdens de actiemaand een exemplaar van het actieboek cadeau en er worden allerlei activiteiten ontplooid die tot discussie over het boek moeten leiden. Normalerwijze heb ik bij deze actie, net als bij de <a href="http://www.boekenweek.nl/" target="_blank">boekenweek</a>, gemengde gevoelens: het is prachtig dat literatuur zo’n groot publiek krijgt, maar ook jammer dat een groot deel van dat publiek die literatuur als oud papier beschouwt en binnen de kortste keren ongelezen naar de kringloopwinkel brengt of op de rommelmarkt te koop aanbiedt. Ik moet dan heel vaak aan mooie en verdwenen bossen denken.</p>
<p><img id="yui_3_5_1_3_1352730511629_283" src="http://farm9.staticflickr.com/8464/8144875185_3a0d36876d.jpg" alt="" width="173" height="290" /></p>
<p>Bij het boek dat in november 2012 centraal staat ben ik wat minder gereserveerd: het is Willem Frederik Hermans’ roman <em>De donkere kamer van Damokles</em> uit 1958. Het is het boek waarmee de schrijver doorbrak bij het grote publiek. In 2010 werd de roman herdrukt in deel 3 van de op het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis bezorgde reeks <em><a href="http://www.wfhermansvolledigewerken.nl/">Volledige Werken</a></em>. Deze wetenschappelijke editie vormt ook de basis voor de diverse herdrukken die op 1 november verschijnen in het kader van Nederland Leest. Deze herdrukken, met een totale oplage van ruim 700.000 exemplaren, maken van <em>De donkere kamer van Damokles</em> een bijzonder werk: nooit werd, dat denken wij van de <em>Volledige Werken</em>, in het Nederlandse taalgebied een wetenschappelijk bezorgde literaire tekst in een grotere oplage verspreid dan <em>De donkere kamer van Damokles</em>.</p>
<p><img src="http://s.s-bol.com/imgbase0/imagebase/large/FC/1/3/1/8/1001004008488131.jpg" alt="Volledige Werken / 3" width="166" height="268" /></p>
<p>&nbsp;</p>
<p><img src="http://www.nederlandleest.nl/beeld2012/NLL12_Activiteiten_283.jpg" border="0" alt="Bekijk de activiteiten" width="283" height="110" /></p>
<p>&nbsp;</p>
<p>Er wordt in het land een hoop georganiseerd in het kader van Nederland Leest. Niet alleen door en samen met het <a href="http://www.textualscholarship.nl/?p=11340" target="_blank">Huygens ING</a>, maar ook door bibliotheken in het land. Zie de Nederland Leest-site. Er wordt voorgelezen en uitgelegd, de film <em>Als twee druppels water</em> van Fons Rademakers naar <em>De donkere kamer</em> wordt vertoond en ingeleid, er wordt cabaret en toneel opgevoerd. Een mooie bijdrage aan de feestvreugde is <a href="http://www.fokas.nl/nieuwsbrief/nieuwsbrief.php?id=485">Nieuwsbrief 485</a> van antiquariaat Fokas Holthuis in Den Haag. De nieuwsbrief is gewijd aan ‘W.F. Hermans en de fotografie’, te koop zijn afdrukken van (portret)foto’s die bekende fotografen (Ed van de Elsken, Emiel van Moerkerken, Klaas Koppe) van Hermans maakten, maar ook foto’s van Hermans zelf en een dossiertje over <em>Twee druppels water</em>.</p>
<p><img src="http://www.fokas.nl/p/261629.jpg" alt="" /></p>
<p><strong>Foto van Philip Mechanicus</strong><em>. Uit de toelichting in de </em>Nieuwsbrief<em> van Fokas Holthuis: &#8216;Hermans, in pak maar met brandende sigaret, staat  voor zijn boekenkast in Groningen. Enkele boektitels: D.H. Rawcliffe, Illusions and delusions of the  supernatural and the occult; Richard von Krafft-Ebing, Psychopathia sexualis; deeltjes uit een reeks wetenschappelijke  pockets, waaronder W.W. Rostow, The dynamics of Soviet Society.&#8217;<br />
</em></p>
<p>Ook bij <a href="http://www.bubbkuyper.com/index.php?option=com_virtuemart&amp;Itemid=3">Bubb Kuyper</a> in Haarlem is een grote en mooie hoeveelheid Hermans-materiaal te koop, al is het eerder toevallig dat deze veiling in de Nederland Leest-actiemaand plaatsvindt. Bij het Hermans-materiaal in Haarlem zitten een stuk of twintig opdrachtexemplaren van Hermans aan de apotheker en tekenaar Oey Tjeng Sit en diens vrouw Lies. De vroegste is de poëziebundel <em>Horror Coeli en andere gedichten</em> (1946), de meest recente is van 1967 in een tweede druk van <em>Mandarijnen uit zwavelzuur</em>. De vriendschap tussen de families Hermans en Oey duurde overigens nog langer, tot de dood van de laatste in 1987. Lies Oey was al in 1985 overleden.</p>
<p>Een paar opdrachten gaan, zoals bij Hermans wel vaker, over de drukfouten in zijn boeken. In <em>Drie melodrama’s</em> schreef hij op 19 juni 1957 voor de Oeys: ‘Voor Sit en Liesje, /  bij ieder exemplaar / dat ik ter hand neem vind ik / nieuwe drukfouten, die de / corrector gemaakt heeft / nadat ik de laatste druk- / proef heb ingestuurd. Van / woede kan ik geen opdrachten meer verzinnen. / Wim’. In een brief aan zijn uitgever Geert van Oorschot noemde Hermans dezelfde corrector een ‘imbeciel’. Dat staat dan weer in nawoord bij deel 2 van de <em>Volledige Werken</em>. Er zijn bij Bubb Kuyper eind november 2012 ook twee exemplaren van <em>De donkere kamer</em> te  koop, het boek van de Nederland Leest-actie. In een eerste druk zette Hermans op 25 oktober 1958 in Groningen de volgende opdracht: ‘Voor Sit en Liesje, / een nieuwe draak / in een nieuw drakenhol / Willem Frederik H’.  Een halfjaar later was de tweede druk er al, en daar was nogal aan gesleuteld. Daarover geeft het nawoord bij deel 3 van de <em>Volledige Werken</em> uitvoerig informatie, maar ook <a href="http://vimeo.com/51269689">elders</a> is er interessants over te vinden. Er was bijvoorbeeld een heel hoofdstuk aan toegevoegd.</p>
<p><img id="il_fi" src="http://www.willemfrederikhermans.nl/tekst/delv003will01_01/delv003will01ill34.gif" alt="" width="143" height="219" /></p>
<p>Volgens de beschrijving van een exemplaar van zo’n tweede druk in de Bubb Kuyper-catalogus bedacht Hermans op 30 april 1959 de volgende opdracht: ‘Voor Sit en Liesje, / deze herziene, maar nog altijd / voorlopige druil /  Wim’. Ik heb de neiging om achter dat ‘druil’ [sic!] te zetten, of [!], zoals het een wetenschapper betaamt. Het zou natuurlijk kunnen kloppen, dat ‘druil’, maar ik opper toch maar de mogelijkheid dat het hier – letterlijk! – om een drukfout gaat, dat vervelende fenomeen waar Hermans zo’n hekel aan had en dat toch zo onlosmakelijk met zijn publicaties verbonden is.</p>
<p><strong>Jan Gielkens</strong></p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.textualscholarship.nl/?feed=rss2&#038;p=11473</wfw:commentRss>
		<slash:comments>1</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Nachten in Vlaanderen (1919)</title>
		<link>http://www.textualscholarship.nl/?p=11390</link>
		<comments>http://www.textualscholarship.nl/?p=11390#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 06 Nov 2012 09:22:37 +0000</pubDate>
		<dc:creator>MiloP</dc:creator>
				<category><![CDATA[Achtergrond]]></category>
		<category><![CDATA[Hoofdnieuws]]></category>
		<category><![CDATA[Manuscript van de maand]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.textualscholarship.nl/?p=11390</guid>
		<description><![CDATA[Op de elfde dag van de maand november staat de wereld traditiegetrouw stil bij het einde van de Eerste Wereldoorlog, een oorlog die algemeen bekend staat als ‘de literaire oorlog’. Inderdaad, je hoeft niet in het vak te zitten om al eens gehoord te hebben van war poetry. Maar wat weten we eigenlijk echt van die [...]]]></description>
				<content:encoded><![CDATA[<p>Op de elfde dag van de maand november staat de wereld traditiegetrouw stil bij het einde van de Eerste Wereldoorlog, een oorlog die algemeen bekend staat als ‘de literaire oorlog’. Inderdaad, je hoeft niet in het vak te zitten om al eens gehoord te hebben van war poetry. Maar wat weten we eigenlijk echt van die oorlogsgedichten?<span id="more-11390"></span></p>
<p><a title="World War 1 Postcards from the Trenches by david.flint, on Flickr" href="http://www.flickr.com/photos/flintfamilyphotos/5669981827/"><img src="http://farm6.staticflickr.com/5029/5669981827_8da1000a41.jpg" alt="World War 1 Postcards from the Trenches" height="400" /></a></p>
<p>Bitter weinig, zo stel je vast, hooguit een paar clichés. We denken aan Engelse loopgravenpoëzie vol hartverscheurende misère, maar we vergeten dat toen net dichters vaak het luidst om een Europese oorlog riepen. De Italiaanse futuristen bijvoorbeeld, zoals Marinetti die in 1909 in <em>Le Figaro </em>schreef: ‘Wij willen de oorlog verheerlijken – enige hygiëne van de wereld’.<a href="file:///C:/Documents%20and%20Settings/JohanKw/Local%20Settings/Temporary%20Internet%20Files/Content.Outlook/ZYCJURSL/editJK-Manuscript%20van%20de%20maand%20versie%203.doc#_edn1">[i]</a> Zelfs een gevoelige ziel als Rainer Maria Rilke keek in spanning uit naar de oorlog: eindelijk gebeurt er eens wat, vond hij…</p>
<p>We vergeten daarnaast ook wel eens dat niet alleen Engelsen oorlogspoëzie schreven, maar natuurlijk ook Fransen, Duitsers, Hongaren, Italianen, Russen en Amerikanen. En verder ook Turken, en Armenen, en Serven, en Egyptenaren, en ga zo maar door. Er werden gedichten geschreven in het Pools, Bretons, Tsjechisch, Deens, Gaelic, Roemeens – in zo wat alle talen van Europa. Ja, er bestaat zelfs oorlogspoëzie in die oertaal van Europa, het Latijn, maar daar lees je al helemaal niets over.<a href="file:///C:/Documents%20and%20Settings/JohanKw/Local%20Settings/Temporary%20Internet%20Files/Content.Outlook/ZYCJURSL/editJK-Manuscript%20van%20de%20maand%20versie%203.doc#_edn2">[ii]</a></p>
<p>Nochtans is die Latijnse oorlogspoëzie niet eens zo zeldzaam. Een oud artikel uit het interbellum kent alvast meer dan zestig Latijnse oorlogsdichters, en het zullen er in werkelijkheid nog veel meer geweest zijn.<a href="file:///C:/Documents%20and%20Settings/JohanKw/Local%20Settings/Temporary%20Internet%20Files/Content.Outlook/ZYCJURSL/editJK-Manuscript%20van%20de%20maand%20versie%203.doc#_edn3"><sup><sup>[iii]</sup></sup></a> Het gaat daarbij ook niet alleen om pastoors, stoffige classici of in lederen fauteuils gezeten intellectuelen die thuis wat Latijnse versjes pleegden. Er bestaan ook Latijnse <em>war poets</em>, kerels die met het lijf in het slijk geplant in de taal van Vergilius gedicht hebben over de Grote Oorlog. De interessantste van die vier is ongetwijfeld de Engelse officier Joseph Alfred Bradney (1859-1933), die zijn Latijnse schrijfsels (er zitten ook prozastukjes bij) na de oorlog verzamelde in een allegaartje dat hij <em>Noctes Flandricae </em>of <em>Nachten in Vlaanderen</em> (1919) noemde, naar het antieke boek <em>miscellanea </em>van Aulus Gellius met de titel <em>Noctes Atticae</em>.</p>
<p>Het eerste van Bradney’s oorlogsgedichten is nog op Engelse bodem geschreven, in juni 1916. Daarin lijkt de dichter te beseffen dat het menens zal worden. Na het plezier op zijn oude basis komt zijn overplaatsing naar een nieuw trainingskamp hard aan:</p>
<p><em>Nullae sunt mimae faciles nullaeque puellae,</em><br />
<em>nil nisi quod bellum militiamque decet </em>(p. 16)</p>
<p><em>Hier geen lieve danseressen, hier geen meisjes. </em><br />
<em>Niets, alleen maar oorlog en soldaten.</em></p>
<p>Toch kan ook Bradney nauwelijks wachten om naar de oorlog te vertrekken. Een maand later lezen we hoe de zelf al 58-jarige luitenant-kolonel het lot beklaagt van zijn oudere kameraden die thuis bij de haard moeten blijven. <em>Keep the home fires burning </em>(p. 18)<em>,</em> zegt hij dan maar in een nota bij zijn gedicht, een verwijzing naar een populair liedje uit die tijd.<a href="file:///C:/Documents%20and%20Settings/JohanKw/Local%20Settings/Temporary%20Internet%20Files/Content.Outlook/ZYCJURSL/editJK-Manuscript%20van%20de%20maand%20versie%203.doc#_edn4">[iv]</a> Wanneer Bradney dan op het vasteland aankomt, wellicht in juni 1917, maakt hij allereerst  een paar Latijnse versvertalingen van gebeden (pp. 18-20). <em>Pro gratia</em>, voor vergiffenis, of <em>pro pace</em>, voor vrede – geen overbodige maatregelen dus. Bradney voelt zich kennelijk ook alleen, want in een gedicht van augustus 1917 schrijft hij vol zelfbeklag:</p>
<p><em>Solus ego. Mentem depascit fabula nulla</em><br />
<em>Heroum virtute fera qui dura tulerunt, </em><br />
<em>ut fieret felix et libera Flandrica tellus. </em><br />
<em>Officio fungor solus, solusque manebo </em><br />
<em>donec erit finis belli, acto foedere pacis </em>(p. 22)<br />
<em> </em></p>
<p><em>Ik ben alleen. Geen verhalen beuren mij op </em><br />
<em>van helden die met woeste moed ellende verdragen </em><br />
<em>om het Vlaamse land gelukkig en vrij te maken. </em><br />
<em>Alleen doe ik mijn plicht en alleen zal ik blijven </em><br />
<em>tot het einde van de oorlog, tot er vrede is.</em><br />
<em> </em></p>
<p>Een paar dagen later slaat de stemming echter om want Bradney krijgt tien dagen verlof. In plots luchtige verzen schrijft hij over het geluk dat hem bekruipt, als een jongen op de laatste schooldag, zegt hij zelf. Maar na een kort bezoek aan zijn vrouw en dochters is het mooie liedje uit. Terug naar de absurditeit van de oorlog. In december 1917 vertelt Bradney het aangrijpende verhaal van de arrestatie van een zekere John Williams, een <em>native speaker </em>van het Welsh, die omwille van zijn gebrekkig Engels opgesloten wordt als Duitse spion. Bradney, die een grote interesse had in de taal en geschiedenis van Wales, beschrijft hoe de vergissing gelukkig enkele dagen later wordt ontdekt. Later die maand krijgt Bradney op zijn eigen vraag een nieuwe opdracht, en die brengt hem naar het hellegat Ieper. Dat breekt hem al snel zuur op, want onderweg moet Bradney, die tot dan toe in het logistieke <em>Labour Corps</em> was ingedeeld en in een comfortabel huis sliep, voor het eerst overnachten in een uitgegraven bivak. In de bijtende koude en onder het waanzinnige kabaal van bommen vervloekt hij zichzelf en lezen we voor het eerst: <em>Oh utinam essemus coniuncti foedere pacis! – </em><em>Ach was er maar vrede! </em>(p. 27).<em> </em></p>
<p>Die vrede zou er komen, een klein jaar later. Maar tegen een zware prijs voor Bradney. In het voorlaatste gedicht in <em>Noctes Flandricae</em> lezen we hoe op 24 maart 1918 zijn jongste zoon Walter sneuvelt. Vijfentwintig was hij. Aan flarden geblazen door een granaat die vol in zijn loopgraaf viel. Slechts één iemand van zijn eenheid overleefde het. Voor Bradney is het genoeg geweest. Met vlijmende ironie alludeert hij in zijn gedicht voor Walter aan de familieleuze <em>Mors gloria forti – De dood is de roem van de dappere</em>:</p>
<p><em>Quanta est gloria fortiter cadenti!</em><br />
<em>Nos desiderio movemur alto;</em><br />
<em>discessit mea lux domusque nostrae </em>(p. 33)<br />
<em> </em></p>
<p><em>Wat een eer voor wie roemvol valt! </em><br />
<em>Ons roert een diep gemis; </em><br />
<em>mijn licht, het licht van ons huis, dat is niet meer.</em></p>
<p>Wat Bradney maanden eerder al in een juichend vredesgedicht schreef – het laatste van de bundel – klinkt nu pijnlijk ironisch:</p>
<p><em>Quam populus gaudet! Quam gaudet pauper egenus, </em><br />
<em> nobilis et dives! Nemo dolere vacat. </em><br />
<em>Gaudet et uxor amans carum spectare maritum, </em><br />
<em> filio et incolumi dicere mater ‘Ave’. </em>(p. 34)</p>
<p><em>Wat een vreugde bij het volk! Wat een vreugde bij rijk </em><br />
<em>en arm! Niemand kan droevig zijn. </em><br />
<em>Een liefhebbende echtgenote die haar geliefde man terugziet,</em><br />
<em> </em><em>een moeder die haar zoon heelhuids kan groeten.</em></p>
<p>Ooit ben ik Walters graf gaan zoeken. Je weet wel, zo’n sierlijk kalksteentje op een biljartlaken van gras. Pas na een half uur zoeken op het kleine militaire kerkhofje van Pozières besefte ik dat Walter niet eens een graf heeft. Natuurlijk niet. Zijn naam staat op één van de zijpanelen, want zijn lichaam – wat er van over bleef – ligt ergens in een massagraf. Of misschien gewoon nog in de aarde van Noord-Frankrijk, wie zal het zeggen. Dat is de ironie van poëzie. Een gedicht maakt een mens natuurlijk niet minder dood.</p>
<p>Wat wij echt weten over de oorlog? Bitter weinig. Soms denk ik dat wij er zelfs amper over kunnen spreken. Maar zwijgen is evenmin een optie.</p>
<p><strong>Tom Deneire</strong></p>
<div id="attachment_11403" class="wp-caption aligncenter" style="width: 235px"><a rel="attachment wp-att-11403" href="http://www.textualscholarship.nl/?attachment_id=11403"><img class="size-medium wp-image-11403" title="Namen der gevallen Ieper" src="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2012/11/ieper-225x300.jpg" alt="" width="225" height="300" /></a><p class="wp-caption-text">Namen der gevallen Ieper</p></div>
<div>
<hr size="1" />
<div>
<p><a href="file:///C:/Documents%20and%20Settings/JohanKw/Local%20Settings/Temporary%20Internet%20Files/Content.Outlook/ZYCJURSL/editJK-Manuscript%20van%20de%20maand%20versie%203.doc#_ednref1">[i]</a> Geciteerd uit Geert Buelens, <em>Europa Europa! Over de dichters van de Grote Oorlog</em> (Antwerpen: Manteau, 2008), p. 24.</p>
</div>
<div>
<p><a href="file:///C:/Documents%20and%20Settings/JohanKw/Local%20Settings/Temporary%20Internet%20Files/Content.Outlook/ZYCJURSL/editJK-Manuscript%20van%20de%20maand%20versie%203.doc#_ednref2">[ii]</a> Geert Buelens (red.), <em>Het lijf in slijk geplant. Gedichten uit de Eerste Wereldoorlog </em>(Antwerpen: Manteau, 2008), p. 13 kent het fenomeen maar zegt er verder niets over.</p>
</div>
<div>
<p><a href="file:///C:/Documents%20and%20Settings/JohanKw/Local%20Settings/Temporary%20Internet%20Files/Content.Outlook/ZYCJURSL/editJK-Manuscript%20van%20de%20maand%20versie%203.doc#_ednref3">[iii]</a> Tommaso Sorbelli, ‘Riflessi della guerra mondiale nella poesia latina contemporanea’, in <em>Atti del III congresso nazionale di Studi Romani</em>, 5 vols. (Bologna: Capelli, 1934-1935), IV (1935), 138-164. <strong> </strong></p>
</div>
<div>
<p><a href="file:///C:/Documents%20and%20Settings/JohanKw/Local%20Settings/Temporary%20Internet%20Files/Content.Outlook/ZYCJURSL/editJK-Manuscript%20van%20de%20maand%20versie%203.doc#_ednref4">[iv]</a> &lt;http://www.youtube.com/watch?v=qCyESeXq3Q4&gt;.</p>
</div>
</div>
<p>&nbsp;</p>
<div id="idc-container-parent">
<div id="idc-container">
<div id="IDCommentsHead">
<div>
<div><a title="http://intensedebate.com/postRSS/146792525" href="http://intensedebate.com/postRSS/146792525">Volg de discussie</a></div>
</div>
</div>
</div>
</div>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.textualscholarship.nl/?feed=rss2&#038;p=11390</wfw:commentRss>
		<slash:comments>1</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Robert Darnton ‘Digitize, Democratize: Libraries and the Digital Future’</title>
		<link>http://www.textualscholarship.nl/?p=11262</link>
		<comments>http://www.textualscholarship.nl/?p=11262#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 03 Oct 2012 10:00:45 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Renske Siemens</dc:creator>
				<category><![CDATA[Achtergrond]]></category>
		<category><![CDATA[Esseys]]></category>
		<category><![CDATA[Evenementen]]></category>
		<category><![CDATA[Textualscholarship nieuws]]></category>
		<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.textualscholarship.nl/?p=11262</guid>
		<description><![CDATA[Woensdagavond 26 september vond de laatste lezing in de Spui 25-reeks over de Toekomst van het Boek plaats. De lezingen hadden als hoofddoel de implicaties voor de boekenwereld van de voortschrijdende digitalisering in kaart te brengen. Ze belichtten zowel de economische als de technologische en sociale kant: sprekers afkomstig uit alle hoeken van de boekenwereld [...]]]></description>
				<content:encoded><![CDATA[<p>Woensdagavond 26 september vond de laatste lezing in de Spui 25-reeks over de Toekomst van het Boek plaats. De lezingen hadden als hoofddoel de implicaties voor de boekenwereld van de voortschrijdende digitalisering in kaart te brengen. <span id="more-11262"></span>Ze belichtten zowel de economische als de technologische en sociale kant: sprekers afkomstig uit alle hoeken van de boekenwereld kwamen aan het woord en discussieerden over de posities van bibliotheken, uitgeverijen en boekhandels. Ook aan ‘de lezer’ werd niet voorbijgegaan: schuilde er enige waarheid in de veelgehoorde stelling dat deze zou ‘verdrinken in een zee van informatie’?</p>
<p>Altijd even vernieuwend kon je de lezingen niet noemen. De genodigden leken te zijn gevraagd vanuit een vaste formule: de grote speler, de kleine sympathieke speler, de vernieuwer, de expert en een moderator wiens rol het was om met pittige vragen de discussie scherp te houden. Vaak vervielen de sprekers in gemeenplaatsen en ondanks de ‘pittige moderator’ waren ze het over het algemeen altijd met elkaar eens. Zo woonde ik de derde lezing bij, <em>Het wetenschappelijke boek in een digitale wereld: winst en verlies</em>. Ondanks de aanwezigheid van zowel commerciële als academische uitgevers, was er verrassend weinig verschil tussen hun uitspraken: ja, de markt veranderde. Nee, het was nog niet mogelijk te voorspellen wat de gevolgen zouden zijn. Het huidige copyrightmodel was inderdaad wat ouderwets, maar we moesten ook niet vergeten dat ze een bedrijf waren en er winst gemaakt moest worden. A man’s gotta eat, nietwaar? Zelf actief mee veranderen? Liever niet. We wachten wel af wat de concurrentie doet. Aan het eind van de avond werd opnieuw de bekende conclusie getrokken: het is nog te vroeg om voorspellingen te doen over de toekomst van het traditionele boek, maar laten we vooral ‘scherp blijven’ op ‘nieuwe ontwikkelingen’. Het zou me weinig verbazen als, met enige aanpassingen in het idioom, dezelfde soort dingen zijn gezegd over bibliotheken, boekhandels en ‘de lezer’. Het publiek keerde huiswaarts met het idee niet veel wijzer te zijn geworden.</p>
<p>Nu alle ‘vertegenwoordigers van de keten’ hun zegje hadden gedaan, waren we aan het eind van de reeks gekomen. Voor de afsluitende lezing had de organisatie van Spui 25 niet de minste spreker uitgenodigd: het was aan de Amerikaanse cultuurhistoricus Robert Darnton om het hek te sluiten. De populariteit van deze duizendpoot, die naast historicus ook professor en directeur van de Harvard University Library is en regelmatig voor de New York Review of Books schrijft, bleek uit het groot aantal aanmeldingen. In plaats van het gebruikelijke zaaltje van Spui 25 vond de lezing plaats in een afgeladen Singelkerk. René van Stipriaan, hoofdredacteur van de DBNL, sprak ter inleiding enkele lovende woorden en trad later op de avond op als moderator. Hierna nam Darnton plaats voor het preekstoelgedeelte, een moderne predikant van de Republiek der Letteren.</p>
<p>Onlangs publiceerde de Groene Amsterdammer een vertaling van zijn “The New Age of the Book” (vertaald als “Op weg naar de e-monografie”, de Groene Amsterdammer, 13 september 2012, red.).  Hierin kaartte Darnton een kwestie aan die ook al werd genoemd tijdens eerdere lezingen in Spui 25: de exorbitant hoge prijs van academische tijdschriften. Bibliotheken kunnen het lidmaatschapgeld niet meer opbrengen en moeten bezuinigen op de aankoop van monografieën. Ook op de budgetten van academische uitgeverijen wordt zwaar gekort. Vooral jonge, beginnende wetenschappers hebben hieronder te lijden: het wordt steeds moeilijker hun werk te publiceren, terwijl dat vaak een voorwaarde voor een wetenschappelijke carrière is. Het lijkt met name de marktwerking te zijn die ten grondslag ligt aan deze crisis. De huidige stand van zaken is al vaker onhoudbaar genoemd, maar uit de uitspraken van uitgevers op eerder genoemde Spuilezing valt af te leiden dat we op korte termijn weinig kunnen verwachten van de veranderingen die herhaaldelijk als ‘noodzakelijk’ worden bestempeld.</p>
<p>Door toedoen van bovenstaande ontwikkelingen, tezamen met de stijgende verkoop van e-books en de niet-aflatende digitalisering door Google, heeft het traditionele boek de status ‘met uitsterven bedreigd’ gekregen. Dat Darnton’s artikel al in 1999 is gepubliceerd in de New York Review of Books [1]  en er sindsdien blijkbaar geen noemenswaardige veranderingen zijn opgetreden, waardoor het nog steeds actueel is, stemt weinig hoopvol.</p>
<p>Robert Darnton heeft, zowel in hoedanigheid van historicus en professor als directeur van een universiteitsbibliotheek, als geen ander te maken met deze problematiek. Desalniettemin blijkt hij in staat om een indrukwekkend idealisme aan de dag te leggen. Tijdens zijn lezing excuseert hij zich meermalen voor zijn ‘Amerikaans optimisme’, om vervolgens onverminderd enthousiast door te gaan met het beschrijven van zijn ideaal. Want hij denkt, hoopt, een oplossing te hebben gevonden.</p>
<p>Het boek is niet dood, stelt hij, bij lange na niet. Zeker, de technologische ontwikkelingen vereisen dat het zich aanpast. Daarbij zullen echter weinig eigenschappen verloren gaan. Integendeel, het digitale wetenschappelijk boek, de e-monografie in Darnton’s woorden, kan een stuk rijker zijn dan zijn papieren tegenhanger. Wat hij vervolgens omschrijft zal mening wetenschapper van het Huygens ING bekend in de oren klinken: “Een ‘e-dissertatie’ kan vrijwel onbeperkte aanhangsels en databases omvatten. Ze kan aan andere publicaties worden gelinkt, op een manier die lezers in staat stelt nieuwe routes te zoeken door oud materiaal.” Hij roemt het verrijken van tekst, het opbouwen van een e-book in meerdere lagen, die elk een eigen soort informatie bieden, waarna het aan de lezer is om hier naar wens doorheen te navigeren. Het klinkt inderdaad erg mooi. Maar ondanks zijn bevlogen woorden, is dit voor de meeste dissertaties voorlopig een onhaalbaar ideaal: “[…] als die technische problemen eenmaal zijn opgelost, kan ze op een goedkope manier worden geproduceerd en gedistribueerd […]. Uiteraard zijn de problemen van dit soort elektronisch uitgeven gigantisch.”</p>
<p>Op het eerste gezicht lijkt Darnton in herhaling te vallen. Het zijn woorden die we al vaker hebben gehoord en nog vaker zullen horen. Er is een oplossing mogelijk, maar die is nog onduidelijk en ver weg. Wat desondanks hoopvol stemt, is dat hij niet slechts al klagend en profeterend achteroverleunt. Inderdaad, hij heeft geen oplossing klaarliggen voor de problemen van elektronisch uitgeven. Maar er is een ander probleem, dat hij reeds in 2008 signaleerde, waar hij zich op heeft gestort. Hierover spreekt hij vanavond, gedurende een dik uur en vol enthousiasme.</p>
<p>De utopie van het internet, dat informatie (en dus kennis) voor iedereen beschikbaar is, past in de idealen van de Verlichtingsfilosofen. Toen Google begon met zijn ambitieuze Google Book Search project, verleenden universiteiten dan ook graag hun medewerking en stelden hun collecties gratis beschikbaar. Nadat uitgevers, bang om hun bron van inkomsten te verliezen, een rechtszaak tegen Google aansponnen, dreigden ze echter duur te moeten betalen voor deze bereidwilligheid. Volgens een initiële schikking tussen Google en de uitgevers zouden universiteiten moeten betalen voor het digitaal mogen inzien van hun eigen collecties. De rechter accepteerde deze schikking uiteindelijk niet, waardoor het Google Book Search project nu is vastgelopen. In Darnton’s woorden: dood. Google digitaliseert vrolijk verder, maar daar blijft het bij. De ambitie om een commerciële digitale bibliotheek te creëren, hebben ze laten varen. Het is bekend dat ze zich richten op kwantiteit, niet op kwaliteit: slordige scans, weinig tot geen metadata, ontbrekende delen, foutieve categorisering… De lijst is lang. Toch wordt Google Books veelvuldig gebruikt en zijn er nog steeds instituten die hun medewerking verlenen, bij gebrek aan een beter alternatief.</p>
<p>Darnton weigerde deze situatie klakkeloos te accepteren. Vanuit Harvard University heeft hij een project opgezet dat de lagune achtergelaten door Google Book Search moet opvullen: de Digital Public Library of America (DPLA). Een nationale digitale bibliotheek, voor iedereen toegankelijk. Een mooi ideaal, maar is het ook uit te voeren?</p>
<p>René van Stipriaan stelde de vraag die door ieders hoofd ging en Darnton knikte instemmend. Uiteraard, Google beconcurreren is onmogelijk, ze hebben een ongeëvenaarde hoeveelheid aan kennis en –niet in de laatste plaats- geld. Dit is echter niet de opzet van de DPLA. Google aanvullen daarentegen, is wel realistisch. De DPLA sprint in daar waar Google steken heeft laten vallen. Op hun website [3] is het volledige projectplan in heldere bewoordingen te lezen. Enkele steekwoorden: een onafhankelijke, transparantie organisatie, deels gefinancierd door private instellingen; open source code en software, publieke participatie (wiki’s), hoogwaardige kwaliteit van zowel scans als metadata; stimuleren en faciliteren van kleinschalige digitaliseringprojecten.</p>
<p>Darnton waakt ervoor om zijn project te mooi -“too grand”- te doen klinken. Hij vermijdt ook bewust omschrijvingen als “de moeder van alle bibliotheken”: het is niet de bedoeling dat de DPLA een overkoepelende megabibliotheek wordt. Het idee dat aan dit project ten grondslag ligt, is om het potentieel van het Internet te realiseren: het ontsluiten van informatie op nieuwe manieren en het inzetten van de technologie om nieuwe kennis en ontdekkingen mogelijk te maken. Misschien klinkt het nu nog als een utopie, maar dat zal niet lang meer duren. Hoewel er genoeg hindernissen zijn (met als voornaamste copyright en financiering) wordt de DPLA op 18 april 2013 officieel gelanceerd. Met als eerste publicatie de volledige werken van Amerika’s lievelingsdichteres, Emily Dickinson.</p>
<p>De toekomst zal uitwijzen hoe dit zich ontwikkelt en of de DPLA kan worden wat Darnton hoopt. Maar het is verfrissend om te zien dat het in deze onzekere tijden niet slechts bij woorden hoeft te blijven.</p>
<p><strong>Elli Bleeker</strong></p>
<p>1. Darnton, R., “The New Age of the Book”, in: ‘The New York Review of Books’ (18 maart 1999). Zie: <a href="http://www.nybooks.com/articles/archives/1999/mar/18/the-new-age-of-the-book/" target="_blank">http://www.nybooks.com/articles/archives/1999/mar/18/the-new-age-of-the-book/</a></p>
<p>2. De quotes zijn afkomstig uit: Darnton, R., “Op weg naar de e-monografie”, vertaald door Menno Grootveld, in ‘De Groene Amsterdammer’ (13 september 2012). Zie: <a href="http://www.spui25.nl/binaries/content/assets/projectsites/spui25/map-1/robert-darnton.pdf" target="_blank">http://www.spui25.nl/binaries/content/assets/projectsites/spui25/map-1/robert-darnton.pdf</a></p>
<p>3. Zie <a href="http://dp.la" target="_blank">http://dp.la</a></p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.textualscholarship.nl/?feed=rss2&#038;p=11262</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Eenige wenken voor aanstaande hockey-speelsters</title>
		<link>http://www.textualscholarship.nl/?p=11231</link>
		<comments>http://www.textualscholarship.nl/?p=11231#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 03 Oct 2012 09:36:17 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Renske Siemens</dc:creator>
				<category><![CDATA[Achtergrond]]></category>
		<category><![CDATA[Hoofdnieuws]]></category>
		<category><![CDATA[Manuscript van de maand]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.textualscholarship.nl/?p=11231</guid>
		<description><![CDATA[Tal van Nederlanders hebben blijkens de kijkcijfers genoten van de “sportzomer” met het Europees Kampioenschap voetbal, Wimbledon, de Tour de France en de Olympische Spelen. Dat geeft aan dat er in Nederland een grote passieve belangstelling voor sport bestaat. Alleen is deze wel vluchtig van aard. De aandacht van de kijkers richt zich vervolgens op [...]]]></description>
				<content:encoded><![CDATA[<p><a href="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2012/10/Bijvoegsel1.jpg"></a><span id="more-11231"></span>Tal van Nederlanders hebben blijkens de kijkcijfers genoten van de “sportzomer” met het Europees Kampioenschap voetbal, Wimbledon, de Tour de France en de Olympische Spelen. Dat geeft aan dat er in Nederland een grote passieve belangstelling voor sport bestaat. Alleen is deze wel vluchtig van aard. De aandacht van de kijkers richt zich vervolgens op andere sportieve evenementen, zoals de nationale voetbalcompetitie. Dat is jammer, want uit sportbeoefening in het heden en het verleden vallen veel interessante zaken af te leiden.</p>
<p>Het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis in Den Haag probeert de belangstelling voor sport langer te binden door de <a href="http://www.historici.nl/Onderzoek/Projecten/Sportverenigingen" target="_blank"><em>digitale databank Sportbonden, sportclubs en sportperiodieken in Nederland tot 1940</em></a>. Deze databank bevat de namen en nadere gegevens van ruim 15.000 bonden en clubs die op het gebied van gymnastiek, hockey, korfbal, schaken, tennis en voetbal in Nederland actief waren tot 1940. Zij laat niet alleen het ontstaan en de ontwikkeling van de bonden en clubs in deze zes takken van sport zien, maar brengt de gebruiker ook op het spoor van allerlei sportbladen, waar tal van gegevens voor sporthistorisch, cultureel, sociaal-economisch én genealogisch onderzoek zijn terug te vinden. Om een voorbeeld van deze onbekende rijkdom te geven, richten wij ons hier op het vrouwenhockey als eerbetoon voor het Nederlands vrouwenteam, dat op de Olympische Spelen in Londen de gouden medaille behaalde.</p>
<p><a href="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2012/10/DameshockeyteamOlympischeSpelen2012.jpg"><img class="alignnone size-full wp-image-11293" title="DameshockeyteamOlympischeSpelen2012" src="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2012/10/DameshockeyteamOlympischeSpelen2012.jpg" alt="" width="314" height="161" /></a></p>
<p>Op 8 oktober 1898 werd de Nederlandsche Hockey en Bandybond opgericht in hotel Krasnapolsky in Amsterdam. Deze bond vertegenwoordigde op dat moment een handjevol clubs, die voornamelijk in het westen van het land waren gevestigd. De meeste clubs stonden open voor mannen én vrouwen, maar er waren ook specifieke damesclubs.  Uit de<em> Sportkroniek</em> van 8 februari 1906 valt op te maken, dat hockey onder vrouwen nog niet algemeen bekend was, want dit toonaangevende sportblad gaf <em>Eenige wenken voor aanstaande hockey-speelsters</em> met de volgende aanhef:</p>
<p><em>Het oude vooroordeel tegenover het meisje, dat hockey speelt, neemt gaandeweg af en wel voornamelijk om reden, dat zij zich niet langer meer zooals vroeger, hetzij winter of zomer, in korte rok beweegt, en zich aanstelt alsof zij niet van het veld is af te slaan. En tot het echte soort van de hockey-speelsters behoort diegene, die met al haar verstand en geest en ziel speelt, wanneer zij op het veld is, maar die zich kleedt en zich gedraagt evenals alle andere meisjes, wanneer zij dat veld verlaten heeft, en over ieder ander onderwerp kan medepraten.</em></p>
<p>Het artikel gaf informatie over het aanmelden bij een hockeyclub en de stok, maar vond het evenzeer nog nodig om als afsluiting kledingadviezen aan de hockeyster in spe te geven:</p>
<p><em>Een eerste vereischte, evenals bij alle andere krachtvorderende spelen, is: gedurende het spel dun gekleed te zijn, maar daarentegen warm, wanneer het spel is afgeloopen. De onderkleeding moet van wol zijn, het liefst flanel. Gij moet welgevormde knicker-boxers dragen van dezelfde stof en dezelfde kleur als uw rok; en deze laatste moet ook wel gefatsoeneerd zijn, in de puntjes afhangen, en moet in het front genoegzaam gegeerd zijn, om het plooien boven de knieën te voorkomen. En bij wat gij ook doet, laat hij nooit in den rug trekken. Rok en blouse moeten gewasschen kunnen worden en zijn gewoonlijk of van serge, of van een onkrimpbaar wollen fabricaat. Gij hebt ten slotte een dikke jersey noodig en een warme jas of mantel, om die aan te trekken wanneer het spel is geëindigd.</em></p>
<p><em><a href="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2012/10/Sportkroniek1912_dameshockeyhhv_haarlem1.jpg"><img class="alignnone size-full wp-image-11294" title="Sportkroniek1912_dameshockeyhhv_haarlem" src="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2012/10/Sportkroniek1912_dameshockeyhhv_haarlem1.jpg" alt="" width="600" height="305" /></a></em></p>
<p>Op 16 oktober 1911 werd de Nederlandsche Dames Hockey Bond opgericht op initiatief van mevrouw H.A. Tromp.</p>
<p><a href="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2012/10/Sportkroniek1912_mevr_tromp.jpg"><img class="alignnone size-full wp-image-11295" title="Sportkroniek1912_mevr_tromp" src="http://www.textualscholarship.nl/wp-content/bestanden/2012/10/Sportkroniek1912_mevr_tromp.jpg" alt="" width="400" height="416" /></a> </p>
<p>Zij werd tevens de eerste presidente van de bond, die in de volgende jaren de verspreiding van het hockey onder het vrouwelijk gedeelte van de bevolking flink ter hand nam.</p>
<p>In 1941 moest de damesbond onder druk van de Duitse bezetters opgaan in de Nederlandsche Hockeybond. Deze fusie werd binnen de hockeywereld ook geaccepteerd, want de meeste hockeyverenigingen waren altijd al gemengde (mixed) clubs; het aantal échte dameshockeyclubs was  steeds beperkt geweest. Het was dan ook logisch dat één bond alle hockeysters en hockeyers onder zijn hoede nam. De later weer Koninklijke Nederlandsche Hockeybond heeft zich vanaf 1941 altijd ingezet voor het vrouwenhockey en met internationaal succes, zoals in Londen nog eens duidelijk werd. Maar de vrouwen spelen inmiddels niet meer in serge of wollen kleding.</p>
<p><strong><a href="http://www.huygens.knaw.nl/vangen/" target="_blank">Michel van Gent</a></strong></p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.textualscholarship.nl/?feed=rss2&#038;p=11231</wfw:commentRss>
		<slash:comments>1</slash:comments>
		</item>
	</channel>
</rss>
