Maart 2012: Albert Verwey en Herman Gorter strijden om het mentorschap van de jongere dichteres Henriëtte van der Schalk. Jaloezie en betweterigheid voeren de boventoon.

In 1892 is er nog geen vuiltje aan de lucht. Sterker nog: de vriendschap tussen de dichter Albert Verwey en de vier jaar jongere Henriëtte van der Schalk beleeft haar hoogtijdagen. De doorgewinterde Verwey werpt zich op als mentor van de dichteres, begeleidt haar bij de eerste stappen in het literaire veld en adviseert haar over de publicatie van haar verzen. Verwey is lyrisch over het dichttalent dat hij onder zijn ogen ziet ontwikkelen en Van der Schalk is op haar beurt dankbaar voor de dichterlijke wijsheid en vriendschap die zij ontvangt.

In februari 1893 introduceert Verwey de jonge dichteres bij Herman Gorter, ongetwijfeld met de beste bedoelingen voor het dichterschap van Van der Schalk. Het pakt echter anders uit dan verwacht. Gorter zal vanaf dat moment steeds meer invloed krijgen op Van der Schalk, tot groeiend ongenoegen van Verwey.

Een paar weken na de eerste ontmoeting brengt Gorter een bezoek aan Van der Schalk. Als zij zich als dichter wil ontwikkelen, moet ze volgens Gorter om te beginnen Plato, Dante en Spinoza bestuderen. Anders dan Verwey, die zich slechts een ‘adviserende’ rol aanmeet,  dringt Gorter haar met succes zijn ideeën op.

Terwijl Verwey in 1892 nog de poëticale overeenkomsten tussen hem en Gorter bejubelt, vertoont deze verwantschap vanaf 1893 scheuren. In een brief aan Van der Schalk reconstrueert hij een ‘twistgeschrijf’ met de dichter van Mei. Hij moppert over Gorters dwingende karakter:

‘Ik heb de moraal getrokken dat Herman een eenigszins impetueuse manier hebbende van door te gaan in zijn eigen voorstellingen, die van anderen wel eens niet ziet, niet zien wil, ja ze ziende, ze ondersteboven loopt en op het lyk van den niet verslagene maar gevelde een van zyn eigene zet, georneerd met de vroolyk-wapperende pluim van zyn zelf-tevredenheid.’

Twee dagen later vraagt Van der Schalk zich in haar antwoordbrief af of Gorter is veranderd, of Verweys mening over hem. Ze veroordeelt Gorters neiging tot het opdringen van zijn denkbeelden aan andere mensen en noemt hem zelfs ‘doktrinair’. Haar observaties hebben echter geen gevolgen voor haar verhouding met Gorter. Verwey krijgt ondertussen in de gaten dat hij de dichteres aan het verliezen is en probeert haar te overtuigen van de negatieve invloed van Gorter. Van der Schalk kan beter haar eigen weg – en die van Verwey – blijven volgen. Hij is niet van plan om degene voor wie hij zich heeft ingezet zomaar los te laten:

‘Nú geloof ik dat het beter voor je is helder te zien. Jou baat het en herman schaadt het niet. [...] En zoó geloof ik dat het ook met jou zal zijn: zoó n.l. dat het opgaan in je leven en de opwellingen van je voelen en verbeelden nu beter voor je is dan het meêdenken in Hermans systeem.’

In 1894 schrijft Verwey een persoonlijke beoordeling over Van der Schalks verzen. Het betreft 25 sonnetten die in september 1894 in het Tweemaandelijksch Tijdschrift zullen verschijnen. In de bespreking is geen enkel spoor van negativiteit te bekennen. De sonnettenreeks vormt samen met eerder werk de basis voor Van der Schalks debuutbundel. In de resterende maanden van 1894 komen de brieven vooral van Van der Schalk, waarin ze steeds vaker tegen Verweys verstechnische adviezen ingaat. Verwey is op zijn beurt kritischer dan ooit, maar zijn advies blijft vóór alles opbouwend.

Na de zomer in 1894 blijft het akelig stil tussen Van der Schalk en Verwey. Pas in november 1895 stuurt Van der Schalk een voorzichtige brief aan Verwey. Ze vraagt of ze haar bundel mag opdragen aan Verwey als dank voor alle hulp en vriendschap. Ze begrijpt echter ook wanneer Verwey zijn naam niet wil verbinden aan haar debuut. Ze vervolgt nederig dat ze hoopt op een oprecht antwoord, want ze wil Verwey graag een plezier doen en hem niet hinderen.

Verwey reageert al de volgende dag positief op de toenadering door Van der Schalk. Het wordt duidelijk dat Verwey ‘indertijd’ de uitgave heeft afgeraden van een gedeelte van haar verzen. Hij merkt op dat haar minachtende reactie op zijn advies geen goede erkenning was van zijn hulp. De toenadering door Van der Schalk doet hem echter goed. Hij zal hun onenigheid opzij zetten en de drukproef onbevooroordeeld bekijken. Verwey heeft er desondanks al een mening erover:

‘Voor een groot gedeelte ervan ken je myn ingenomenheid. Van een ander deel kun je hopen dat het in verband met zyn vervolg gezien me gunstiger stemmen zal. Van het nieuwe weet je nu dat ik het in elk geval met de voorliefde en de welwillendheid lezen zal, die ik heb voor de opdracht en voor jou.’

Het gedeelte dat op zijn goedkeuring kan rekenen is waarschijnlijk onder zijn mentorschap ontstaan. Na uitvoerige vergelijking tussen Verweys bezwaren over Gorters poëtica en zijn kritiek op Van der Schalks nieuwe sonnetten, is het  aannemelijk dat ‘een ander deel’ verwijst naar de verzen die Van der Schalk onder invloed van Gorter heeft geschreven.

Een maand later, op 16 december 1895 stuurt Verwey een brief met zijn oordeel over de verzen. Hij prijst Van der Schalks poging om een levensleer in verzen te geven. Het is alleen jammer dat Van der Schalk niet in de verste verte is geslaagd in haar streven. Haar verzen hebben geen toon, terwijl die juist veel goedmaakte in haar vroegere werk. Deze nieuwe verzen staan vol met slordige omschrijvingen en ‘knoestige paralellismen’. Verwey ontwaart wel enkele goed uitgedrukte ideeën en mooie beelden. Maar zij zijn slechts een zwakke echo van de schoonheid in haar vroegere werk, oftewel de verzen die onder Verweys mentorschap zijn ontstaan. Verwey concludeert zijn oordeel als volgt:

‘Myn raad, myn herhaalde raad zou dan ook wezen: niet uitgeven. En als dat nu eenmaal gebeuren moet, dan vooral maar niet trotsch er op zyn.’

De voorlopig laatste brief in hun correspondentie is van Van der Schalk. Hierin bedankt ze Verwey voor zijn open en vriendschappelijk schrijven. Vooral ‘’t gemis van wrevelig sarkasme, wat me in onze gesprekken van verleden jaar niet prettig aandeed’, heeft ze als aangenaam ervaren. Ze verzekert Verwey opvallend genoeg dat ze geen moment van mening is geweest dat ze met haar debuutbundel is geslaagd in haar doel.

Verwey publiceert in maart 1896 in het Tweemaandelijksch Tijdschrift een recensie over Van der Schalks debuutbundel. Over het eerste gedeelte is Verwey lyrisch en hij uit zijn lof uit met allerlei beeldspraken. Voor het derde deel heeft Verwey geen goed woord over. Door de filosofische inzichten van Spinoza en Dante heeft Van der Schalk met haar hoofd geschreven en niet met haar hart. Verwey constateert dat hierdoor de schoonheid van haar stem is verdwenen:

‘[…] de glans van elk beeldbrok uitschietend in de duisternis van de denkingen, verdofte; niet zaligt meer die schittering een incongruëntheid die verstand en verbeelding nu pijnlijk wordt; en het verstandelijk inzicht, wordt het ons bijgebracht, verrast ons niet, of laat ons koud.’

Verwey concludeert dat het feit dat Van der Schalk zich heeft ingelaten met de meest ingewikkelde ‘denkingen’ slechts ‘the last infirmity of a noble mind’ kan zijn geweest. Nu zijn voormalige leerling zijn poëtica niet meer in de praktijk brengt, kan hij alleen maar negatief zijn en Van der Schalk degraderen tot een jonge dichteres wiens aandoeningen zijn uitgeput.

Incidenteel stuurt Van der Schalk nog een brief aan Verwey en alle bewaarde correspondentie komt tot 1902 alleen van haar kant. Hun correspondentie en verhouding zullen nooit meer de oude worden.

Yolanda de Haan

 

Yolanda de Haan studeerde Algemene Cultuurwetenschappen en Algemene Literatuurwetenschap aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Haar afstudeerscriptie vloeide voort uit haar onderzoeksstage bij het project ‘Correspondentie Albert Verwey 1880-1895’, dat wordt uitgevoerd bij het Huygens ING. Over de briefwisseling Verwey-Van der Schalk bereidt zij ook een artikel voor.

Bronvermelding (met plaatsingscode Universiteitsbibliotheek Amsterdam):

Verwey aan Van der Schalk, 1893/08/23: XLI B 11266
Van der Schalk aan Verwey, 1893/08/25: XLI B 11267
Van der Schalk aan Verwey, 1893/08/25: XLI B 11267
Verwey aan Van der Schalk, 1893/08/27, XLI B 11268
Van der Schalk aan Verwey, 1895/11/18: XLI B 11282
Verwey aan Van der Schalk, 1895/11/19: XLI B 2 [p. 251 en 252]
Verwey aan Van der Schalk, 1895/12/16: XLI B 11284
Van der Schalk aan Verwey, 1895/12/07: XLI B 11285

2 reacties op “‘Het verstandelijk inzicht laat ons koud’”

  1. [...] lees verder op textualscholarship.nl [...]

  2. [...] Yolanda de Haan, ‘Het verstandelijk inzicht laat ons koud.’ Digitale versie. [...]

Reageer