Tristan Louis schrijft op zijn blog een stuk dat tot nadenken stemt: ‘I killed the internet. It wasn’t some­thing I had planned but it was the net result of my actions. And I’m going to explain how it happened.’

Voor het Internet tot stand kwam waren er al gesloten netwerken (AOL, bulletin board systems, etc.). Allemaal zijn ze opgegaan in het Internet, omdat de gesloten silo’s nooit de informatierijkdom en vrijheid kunnen bieden die de gedeelde informatiestructuur van het Internet wel biedt. De cultuur van het internet is gebaseerd op delen: de technische grondslagen waarbij netwerkservers boodschappen voor elkaar doorgeven, de prachtige uitvinding van het world wide web waar Tim Berners-Lee geen patent op aanvroeg maar deelde met de wereld, de komst van web 2.0 en de toenemende mogelijkheden ons leven te delen met vrienden en familie over de hele wereld.

Maar, schrijft Tristan Louis, de gesloten silo’s dreigen terug te keren. In zijn blog post I killed the Internet beschrijft Louis hoe grote bedrijven steeds grotere delen van het Internet veranderen in hun privé-speeltuin. Steeds grotere delen van ons online gedrag hebben plaats binnen de grenzen van molochs als Facebook en LinkedIn. Berichten en gedachten die we zouden kunnen plaatsen op een weblog zetten we op Facebook. We dwingen mensen die in ons CV geïnteresseerd zijn om lid te worden van LinkedIn. Wat een verrijking zou kunnen zijn voor ons gemeenschappelijk domein, het Internet, geven we weg aan commerciële belangen.

Dezelfde trend spreekt uit het gebruik van specifieke apps voor de iPhone, de iPad en Android-apparatuur in plaats van het gebruik van op standaarden gebaseerde toepassingen in de web browser. Elke keer dat iemand een app bouwt voor de iPad sluit hij een deel van de wereld buiten. Als apps functionaliteit mogelijk maken die het web nog niet bezit dan moeten we het web verbeteren, de benodigde standaarden en technologie ontwikkelen, en niet vluchten in besloten platforms.

Niet dat het veel zal helpen, maar Louis raadt ons aan niet meer te linken naar  boosdoeners als Facebook. We zouden geen apps moeten installeren waar een internet-pagina net zo goed is. Zoekmachines zouden niet mee moeten werken aan het indexeren van pagina’s die voor gebruikers pas na log-in toegankelijk zijn.

Voor ons, makers van edities, is dit een behartigenswaardige oproep om ons niet te snel te storten op de wereld van de apps. Niet alleen zijn apps platformspecifiek; wat erger is, is dat het voor anderen onmogelijk is om te linken naar de inhoud van een app. Edities zijn bronnen, en in het digitale tijdperk moet het mogelijk zijn om vanuit een studie te wijzen naar bronnen, en dus aanklikbare hyperlinks te maken. Inhoud die zit weggestopt in een app (of op Facebook) zou net zo goed in een wegrottend archief in bijvoorbeeld Costa Rica kunnen staan.

(Dat ‘wegrottend’ wijst op een ander argument niet te snel te kiezen voor een app: waar het archiveren van webpagina’s weliswaar veel te langzaam gaat en veel te voorzichtig wordt aangepakt, maar in elk geval een probleem is waaraan door veel instellingen wordt gewerkt, daar is het archiveren van apps door de enorme proliferatie van hardware-platforms van de afgelopen jaren een vrijwel onbegonnen zaak. Uit het oogpunt van houdbaarheid van wetenschappelijke communicatie is een app op het moment een schot in het duister).

 

 

Geplaatst in weblog digital humanities

Reageer