juli: Jan Gielkens is het kwijt.

Dit moet een stukje worden over een velletje papier uit mijn eigen archief, maar ik weet niet meer waar ik dat velletje – de fotokopie van een typoscript eigenlijk – heb gelaten. Zou het de leeftijd zijn, of geheugenverlies, Alzheimer, dementie? Zou het toeval zijn dat ik het typoscript, 1 pagina omvattend, zocht naar aanleiding van de berichten dat Gabriel Garcia Márquez al een hele tijd aan het dementeren is, zoals zijn broer bekendmaakte? Wat meteen weer ontkend werd door anderen die claimen hem te vertegenwoordigen: hij is niet dement, hij is gewoon wat vergeetachtig. Hij leeft zeker ‘in zijn eigen wereld’, zoals ooit van officiële zijde werd meegedeeld toen de voormalige koningin der Nederlanden Juliana aan het dementeren was.

Zou het in dit verband ook toeval zijn dat het onvindbare typoscript werd geschreven door de Duitse dichter en vertaler Erich Arendt (1903-1984)? Hij was degene die mij adviseerde om Honderd jaar eenzaamheid van Garcia Márquez te lezen als hét boek over Zuid-Amerika. Hij kon het weten, want hij had negen jaar in Colombia gewoond. Arendt was een communistische onderwijzer die ook gedichten schreef. Hij debuteerde in 1926 in het expressionistische tijdschrift Der Sturm. In 1933 emigreerde hij net op tijd: als toerist met ski’s op zijn schouders over de Zwitserse grens. Vanuit Zwitserland emigreerde hij naar Mallorca en in 1936 naar het Spaanse vasteland, waar hij tijdens de Spaanse Burgeroorlog, als journalist en zonder wapen, meereisde met de Catalaanse divisie Carles Marx. Hij schreef in die jaren journalistieke reportages voor Spaans- en Catalaanstalige kranten.

Erich Arendt in Spanje, 1939

Na de overwinning van de fascistische opstandelingen op de republikeinse Spaanse regering kwam Arendt in een Frans interneringskamp terecht, waar hij hulp kreeg en een plek vond op een schip naar Latijns-Amerika. Uiteindelijk belandde hij in 1941 in Colombia, waar hij tot 1950 zou wonen. In dat jaar verhuisde hij naar Oost-Duitsland, waar hij tot zijn dood zou blijven wonen en een gewaardeerd dichter zou worden en ook vertaler van grote Spaanstalige schrijvers als Pablo Neruda, Rafael Alberti en Miguel Hernández. In 1974 leerde ik hem als student Duits in Utrecht kennen, waarheen hij was uitgenodigd door onze docent Gregor Laschen. Erich Arendt was jong van hart en had geen enkele moeite om vriendschap te sluiten met mensen die vijftig jaar jonger waren. En zo kwam het dat enkelen van ons hem vaker gingen opzoeken in Berlijn en in zijn buitenverblijf in Wilhelmshorst bij Potsdam, dat hij van zijn naar het Westen vertrokken collega en leeftijdgenoot Peter Huchel had gekregen. Daar in Wilhelmshorst grasduinde ik tussen zijn bergen papier om sporen te vinden van zijn publicaties, want ik was een documentatie over Arendt aan het opbouwen. Hij vertelde daar en elders vaker over zijn tijd in Spanje en noemde voor het eerst namen van tijdschriften waarin hij gepubliceerd had. In de fenomenale Burgeroorlog-collecties van het IISG in Amsterdam, waar ik toen werkte, kon ik in linkse kranten als Treball en La Rambla veel van Arendts publicaties vinden en hij las ze na ruim veertig jaar voor het eerst weer.

De laatste keer dat ik, samen met mijn echtgenote, Erich Arendt opzocht was in oktober 1982. Hij woonde nog waar we hem vaak hadden bezocht, in de Raumerstraße in de wijk Prenzlauer Berg, maar na de scheiding van zijn levensgezellin Hannelore Teutsch was de gezelligheid uit het huis verdwenen. Hij was niet lang daarvoor getrouwd met een dame die vooral voor hem moest zorgen. Arendt was namelijk al geruime tijd aan het dementeren, en het huwelijk moest ervoor zorgen dat hij niet in een verzorgingstehuis terecht kwam. Maar twee maanden na ons bezoek pleegde de nieuwe echtgenote zelfmoord en Arendt kwam alsnog in een tehuis terecht, waar hij in september 1984 overleed. Zijn graf is op de Dorotheenstädtischer Friedhof in Berlijn, Bertolt Brecht ligt een stukje verderop. Jammer is dat er een verkeerd sterfjaar op de steen van Arendt staat.

Ons bezoek in oktober 1982 was kort, want er viel niet veel te aan elkaar te vertellen. Ik weet niet meer of er een spoor van herkenning bij hem was, maar er was ongetwijfeld koffie met taart, misschien ook wel een glas rode wijn, zoals die andere keren. In de nu vrijwel kale woonkamer stonden een tafel en wat stoelen, en ook een gesloten kast waarin een rijtje door Arendt geschreven of vertaalde boeken stond. In het kader van de gebruikelijke uitwisseling van cadeautjes kregen wij een van de boeken, een zoveelste druk van een bloemlezing uit de gedichten van Neruda, uitgegeven in de Bibliotheek Suhrkamp-reeks van de gelijknamige uitgeverij. Dat boek moest natuurlijk van een opdracht worden voorzien. Arendt signeerde altijd graag en uitbundig, maar nu wist hij niet meer hoe hij dat moest aanpakken. Zijn vrouw Dorothea dicteerde wat hij moest opschrijven, en dat deed hij ook braaf.

Er is nog een spoor van ons bezoek aan Arendt, en wel in de dagboekachtige aantekeningen van de Oost-Duitse woord- en zingeweldenaar Adolf Endler (1930-2009), die in 1994 werden gepubliceerd als Tarzan am Prenzlauer Berg. Sudelblätter 1981-1983. Endler bericht in zijn aantekeningen veel en uitgebreid over zijn wandelingetjes met de dementerende Arendt. Diens obsessie op dat moment: zijn debuutbundel, een bundeling van de reportages die hij tijdens de Spaanse Burgeroorlog had geschreven. Endler geeft een gesprek met Arendt weer:

‘Man wird es schon finden in der nächsten Zeit,’ versuche ich ihn zu beruhigen, ‘irgendwo in Spanien vielleicht, in Moskau! Der Jan Gielkens fahndet ja nach Ihren frühen Publikationen!’[D]aß dieser junge alte Freund Jan Gielkens mit seiner Frau vor etwa zehn Tagen hier im Prenzlauer Berg und bei ihm zu Besuch war, das hat Arendt vollkommen vergessen: ‘Jan Gielkens, ja, Jan Gielkens, richtig, wann kommt der denn? Ja, mit dem muß ich darüber sprechen. […] Der Jan Gielkens, wann kommt er endlich?‘ – Ich wage nicht, Arendt darüber aufzuklären, daß der schon langst dagewesen ist.

Arendt had de kopieën van zijn Spaanse en Catalaanse artikelen overigens al lang van mij gekregen, net als een kopie van zijn debuutbundel, die ik in Spaans archief had gevonden.

We zijn bijna weer bij het typoscript dat ik niet kan vinden en maken het cirkeltje rond. Adolf Endler was namelijk ooit getrouwd met zijn collega-schrijfster Elke Erb. De mantelzorg voor Erich Arendt was goed georganiseerd, want ook Erb ging regelmatig bij hem op bezoek. Bij een van die bezoeken schreef ze een tekst over die in Arendts schrijfmachine zat: een paar woorden van een gedicht verspreid over een blad papier: de laatste pogingen van een dichter om op zijn manier orde in het leven te scheppen. Ze stuurde me het afschrift en nog ander materiaal, het begeleidende briefje was, helemaal Elke Erb, zeven bij vijf centimeter groot (en dat briefje kan ik wel vinden). Ik schonk het afschrift later, met mijn hele Arendt-documentatie, aan de Akademie der Künste in Berlijn, waar zich de nalatenschap van Erich Arendt bevindt. Ik bewaarde een fotokopie van het afschrift van het getypte vel, maar die kopie kan ik dus nu even niet vinden. Ouderdom zeker, of geheugenverlies, Alzheimer, dementie – of schreef ik dat hierboven al?

Jan Gielkens

Een reactie op “Vergetelheid”

  1. [...] Lees verder op textualscholarship.nl [...]

Reageer