Literatuur en zeker poëzie kent geen taalgrenzen, waar het de inspiratie betreft. Zo is de naam van Jacques Perk (1859-1881) nauw verbonden met La Roche, ontegenzeggelijk één van de mooist gelegen plaatsen in de Ardennen. In juli 1879 bezocht dominee Marie Adrien Perk (1834-1916) met zijn gezin het stadje. Diens reiservaringen in de Ardennen vormden de basis voor de gids In de Belgische Ardennen (1882), de eerste reisgids in de Nederlandse taal over dit oostelijk deel van België. Perk senior werd in 1912 voor zijn bijdrage aan het toerisme in La Roche geëerd met een gedenksteen. Daarop staat, vrij vertaald, geschreven: ‘LA ROCHE is het centrum van een adembenemend panorama dat onuitwisbaar in het geheugen gegrift is van diegene die het geluk gehad heeft dat panorama te mogen aanschouwen. Nooit heb ik dit aangename oord verlaten met een ander gevoel dan grote spijt, dit oord dat begiftigd is met de meest uiteenlopende geschenken van de natuur en waar het uitstekend verpozen is.’ In 1933 werd op de andere zijde van de steen een dichtregel gebeiteld van zoon Jacques ‘Ik ijl naar mijn geliefde de lustige Ourthe, die mij schaterend opvangt…’

 

 

Vader en zoon Perk verbleven maar vijf dagen in La Roche, maar die vijf dagen lieten een onuitwisbare indruk na op de jonge dichter. Zij sloten zich aan bij een groep natuurvrienden, die wandelingen maakten in de omgeving. Het was een internationaal gezelschap, waartoe vermoedelijk ook Oscar Wilde behoorde. De 25-jarige Ierse schrijver-dichter trok de aandacht van anderen door zijn opvallende kledij en uiterlijk. Van top tot teen in het wit gekleed, voorzien van een ivoren wandelstok en een glad gezicht: ook wit, net als zijn schoenen en hoge vilten hoed. Verder lang zwart haar. Door zijn bizarre uiterlijk werd Wilde in La Roche ‘pierrot’ genoemd.

Gids van de groep was Xavier de Reul, een geoloog die de leden van de wandelgroep van alles vertelde over de natuur en het landschap. Tot de groep behoorde ook een blond, twintigjarig meisje, Mathilde Thomas, het nichtje van de geoloog. Jacques Perk werd hevig verliefd, maar helaas voor hem was ze al verloofd. Mathilde inspireerde Perk tot het schrijven van honderden sonnetten. Hij legde ze vast in Mathilde. Een sonnettenkrans, dat in de KB bewaard wordt. Na Perks dood werden de Mathilde-gedichten gepubliceerd door Willem Kloos.

 

 

Behalve de onbeantwoorde liefde voor Mathilde klinkt in de gedichten van Perk ook iets door van het prachtige landschap van La Roche, gelegen in een meander van de Ourthe. Zo bijvoorbeeld in ‘Serenade voor Mathilde’:

De regen dringt door deur en ruiten
En schept de straten tot een meer;
Geen bergen kunnen ‘t water stuiten,
Het golft lang rots en ruigte neer;
En de Oerte schuimt en schuurt, de wilde,
En schuift zijn baren langs zijn boord…
Luik de oogen! Sluimer in, Mathilde,
Want de Oerte zingt ééntonig voort. -

Ik zing en mijn gedachten zweven
Om u als luwtjes om de roos:
Ik voel de liefde in ‘t harte leven
En voel mijn harte liefdeloos.
O, donkre nacht! Mij zijt ge een milde,
Uw duisternis alleen bekoort.
Luik de oogen! Sluimer in, Mathilde,
Want de Oerte zingt ééntonig voort. -

Reeds zijt ge door het woord gebonden,
Het woord der trouw, dat zalig maakt;
Reeds hebt gij het geluk gevonden,
Dat samen met de liefde ontwaakt.
Ik ben gelukkiger dan ‘k wilde,
Omdat ú dat geluk behoort:
Luik de oogen! Sluimer in, Mathilde,
Want de Oerte zingt ééntonig voort!

In het gedicht ‘Liedje voor Mathilde’ figureert de kasteelruïne die boven La Roche uittorent.

Op Laroches bouw-val blinkend
Ligt een hemel uitgespreid
Van het licht der maan, die, zinkend,
Beeld is der droef-geestigheid.

Zoo Mathilde, zijt ook gij.
Mijmerzieke zomernacht!
Als Laroche schijnt gij mij
Even lieflijk schoon en zacht.

Dit is ook het geval met ‘Harmonie’.

De maan blinkt door den zwarten bouwval henen
En laat haar zilver glijden langs de duin,
Door de Ourthe omkabbeld en gekroond met puin:
Getrotste grootheid in bemoste steenen.

In 1880 bezocht Perk samen met Kloos nogmaals La Roche. Mathilde was er niet, want ze was op dat moment op vakantie in Blankenberge. Hij had trouwens ook geen behoefte om haar te zien. Na nog een misgelopen liefde met de zus van zijn aanstaande zwager, Johanna Blancke, werd Perk eind september 1881 ziek. Op 1 november overleed hij aan een longaandoening. Op 5 november 1881 werd het stoffelijk overschot van Perk jr. begraven op de Oude Oosterbegraafplaats in Amsterdam. In 1900 werd hij herbegraven op de Nieuwe Oosterbegraafplaats. Onlangs werd het graf in volle glorie hersteld.

 

 

Behalve de bovengenoemde gedenksteen langs de Avenue de Hadja wordt Jaques Perk sinds enkele jaren geëerd in een nieuw aangelegd park tussen de Ourthe en de Rue Rompré. De locaties waar Perk zelf verbleef, het hotel Du Nord en het café Royal, zijn al lang verdwenen.

 

Een jaar na zijn ontmoeting met zijn muze Mathilde Thomas keerde Jacques Perk (1859-1881) in juli 1880 terug naar de Ardennen. Dit keer in gezelschap van zijn vriend Willem Kloos, die hij twee maanden eerder in Amsterdam had ontmoet. Na een gezamenlijk verblijf in Brussel reisden beiden door naar La Roche, waar zij op 9 juli arriveerden. Perk werd begroet door inwoners van het stadje, die hem herkenden van zijn eerdere bezoek. Daarna daarna werd hij met open armen ontvangen door de broers Joseph en Pierre Meunier van Hotel du Nord.

‘Wij werden aan den open disch geplakt aan het boveneind, herhaaldelijk verwelkomd, het eerst van het lekkerst bediend.’

Hoewel Perk zich direct weer thuisvoelde en opnieuw bevangen werd door de schoonheid van de omgeving, miste hij Mathilde.

‘Frisch is de zomerdag, de lucht bedekt, en het hart zwelt; het raam van Mathilde’s kamer staat altijd open als vroeger en haar plaats is akelig leeg.’

Net als een jaar eerder maakte Perk wandelingen in de omgeving. Soms met Kloos. En soms met de schilder Herman van der Voort, die ook in het hotel verbleef. Maar zelden met beiden. Kloos had een hekel aan Van der Voort en was zo zichtbaar jaloers wanneer Perk ermee omging, dat deze al zijn tact nodig had om de lieve vrede te bewaren.

Aan zijn ouders schreef hij dat hij dagelijks twee of drie wandelingen maakte, ‘in het lichtgrijs gekleed, mijn roode kamermuts op, blauwe das aan en gele tabakszak bungelend op mijn buik’. Terwijl Kloos vaak achterbleef op zijn hotelkamer had Perk het duidelijk naar zijn zin.

‘Ik voel me een heel heer, nu ik hier zoo ongeveer van mijn eigen geld leef en mij zelfs de weelde van nu en dan een flesch Bourgogne of Moselle kan veroorloven, en sterke koffie na    het diner. Het ontbreekt me aan niets en na het genot van wildzwijnenvleesch, rivier-kreeften, reebout en forellen, zit ik gaarne mijn fijne cigaar te rooken onder de nieuw gebouwde veranda van Café Royal, die van hout is uitgebouwd en uitziet op de brug en de rivier. Daar geniet ik dan ook van de peinzende, van de gonzende eenzaamheid, vooral in de vroegte, en de zwoele zomerwarmte, om weldra weer op weg te tijgen ten einde den omtrek te verkennen. Op het oogenblik schrijf ik ook onder die veranda en drink het goedkoope Laroche-bier, terwijl de blauwe wolkjes uit mijn pijpje wegdartelen in den zonneschijn daarbuiten en dwarrelen om een nest sperwers of steenarenden, die ze hier in den boom hebben zitten. Ik vermaak mij met nu en dan te kijken naar eenige kindertjes van twaalf jaar of zoo, die in hunne nachtjaponnetjes plassen in de rivier, die onder de brug doorstroomt! O! frisch gezicht! die ploeterende jeugd! Ik zelf heb mijn dagelijksch bad daar juist gebruikt in de Ourthe, voorbij den kleinen waterval, links hooge rotsen, lage weiden en frissche golfjes er tusschen!

De omgeving en ook de vrouwen bekoorden hem, maar er bleef bij de jonge dichter iets knagen. Een Antwerps deerntje, ‘dat allerliefst Vlaamsch kan klappen’, een Française en een Miss konden niet vergulden dat Mathilde niet uit haar venster keek. Daar kwam nog bij dat het verhaal rondging dat Perk inmiddels met Mathilde zou zijn getrouwd.

 

 

Hoewel zijn gezamenlijke bezoek met Kloos niet direct zichtbaar werd in nieuwe gedichten, bevat Perks laatste brief, die hij op 20 juli vanuit La Roche aan zijn ouders schreef, wel een ode aan de rivier die La Roche zijn bekoring schenkt.
‘de lustige Ourthe, die mij schaterend van pleizier opvangt in haar molligen schoot en mij de betraande lokken met natte kussen overdekt; zij drukt mij in hare armen, de frisschen, de wijkenden, en zaligheid kiemt in den golvenden en omgolfden boezem. Dan denk ik van harte aan u allen en kus de dansende baren, en denk aan de vluchtende zusterkens, die wegdartelen als de huppelende, krullende rimpels van het water, en aan mijn ouders, die mij statig tegenzwemmen als dikke, hooggedofte golven, die tegen mij aanrollen met donkergranwen schaterlach en mistroostig gekuch. O! verrukkelijke Ourthe-stroom met uw peilbaren bodem en peillooze goedhartigheid, mij zijt Gij dierbaar!’

 

Mari Smits

 

Bronnen:
Jacques Perk, Brieven en dokumenten. Bijeengebracht en uitgegeven door Garmt Stuiveling (Amsterdam: N.V. De Arbeiderspers 1959) 235-245.
Bart Slijper, Onder de blauwe oneindigheid. De vriendschap van Willem Kloos en Jacques Perk (Amsterdam: Bert Bakker 2010).

Reageer