Eind juli verscheen het boek Seks in Limburg van emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde Marita Mathijsen. Renske Siemens interviewde haar over dit boek en over haar andere werkzaamheden.

 

1.    Ruim 3 jaar geleden bent u met emeritaat gegaan. U verveelt zich niet. U bent onder andere bezig met het NWO-project The Construction of the Literary Past. Kunt u hier iets over vertellen?

Het emeritaat heb ik als iets volkomen kunstmatigs ervaren. Ik ben laat in mijn carrière hoogleraar geworden, dus ik had nog veel ambities toen ik gedwongen met emeritaat ging. Het NWO-project was een geschenk. Het kost veel intellectuele investering om een project te krijgen, maar die loont zich dubbel en dwars. Het onderwerp, The Construction of the Literary Past, had ik gekozen niet omdat het modieus is of past in het onderzoeksbeleid van NWO, maar puur uit interesse in het ontstaan van een infrastructuur voor Nederlandse literatuurgeschiedenis. Daardoor kon ik een samenhangend onderzoek opstellen, waarbij de deelprojecten goed op elkaar aansloten. Het is niet alleen prettig om daarmee een handvol onderzoekers onder je te krijgen, het is ook heerlijk om genoeg geld te hebben voor congressen en gastlezingen van internationale grootheden. Dat zijn we in de geesteswetenschappen niet zo gewend.
We zijn nu in de afrondingsfase van het project. De postdoc, Lotte Jensen, heeft de directe verwerking van het verleden in de literatuur onderzocht en op basis daarvan de door Teylers bekroonde monografie De verheerlijking van het verleden geschreven. Jan Rock heeft de hele wordingsgeschiedenis van het editeren van in het Nederlands geschreven literatuur onderzocht. Francien Petiet heeft onderzoek gedaan naar het denken over het literaire verleden rond 1800 in tijdschriften en beschouwingen. Karin Hoogeland onderzoekt de verhouding tussen de overheid en de literatuur.
Ikzelf ben bezig met een monografie  met de werktitel Historiezucht over de bijna epidemische uitbraak van de historische belangstelling rond 1800, toegespitst op Nederland, maar in een Europees kader. Hierbij zijn mijn stellingen dat het verleden gedemocratiseerd werd, toegankelijk voor iedereen, dat er een infrastructuur voor de verwerking van het verleden op gang kwam en dat het verleden van de private naar de openbare ruimte verschoof. Ik beperk me hierbij niet tot de literatuur: het gaat ook om de beeldende kunst, standbeelden, monumenten, en de invloed van het onderwijs op de erfgoedvorming. Mijn werktitel is Historiezucht, en ik probeer het boek dit jaar af te ronden.

 

2.    Hoe ziet u de toekomst van de editiewetenschap binnen de geesteswetenschappen?

Er heeft een omwenteling plaatsgevonden wat editiewetenschap betreft. Enerzijds is die hoopgevend en fascinerend en biedt die nieuwe perspectieven, anderzijds is veel van de wat de klassieke editiewetenschap ontwikkeld heeft inmiddels overbodig. Volgens de school van Sötemann, waar ikzelf ook toe behoor, kun je eigenlijk geen edities meer verzorgen. Een historisch-kritische editie met een variantenapparaat, daar kun je niet meer mee voor de dag komen. Daarnaast heeft de DBNL het gebruik van betrouwbare edities ondermijnd – het gemak van de digitale beschikbaarheid schuift het ongemak van literaire teksten in een niet geheel betrouwbare vorm opzij. Dan is er ook nog de verandering in de genese van teksten bij schrijvers zelf. Versies worden niet meer bewaard, de schrijver schrijft op zijn laptop voort en oude versies worden overgeschreven of gedeleted. Dus ontstaansgeschiedenissen schrijven kan voor hedendaagse schrijvers vrijwel niet meer.
Anderzijds biedt het digitale tijdperk heel veel extra mogelijkheden. De onleesbare variantenapparaten kunnen in leesbare vorm ondergebracht worden, waarbij via klikken steeds meer en diepergaande informatie verschaft kan worden. Veel meer bronnenmateriaal is bij elkaar te brengen en systematisch aan te bieden. Zolang er althans belangstelling blijft bestaan voor de ontstaansgeschiedenis van teksten en zolang er vraag blijft voor reconstructies van verloren bronnen – en de aandacht daarvoor zie ik op de universiteiten in Nederland wel verminderen.

 

3.    Waarom heeft u dit geschreven? Heeft het misschien iets te maken met uw monografie over de opkomst van de belangstelling voor het verleden?

Seks in Limburg heb ik op uitnodiging geschreven. Het zit in een reeks waarin enigszins bekende Nederlanders met een Limburgse achtergrond, zoals Conny Palmen en Twan Huys, een tekst publiceren met daarbij een vertaling in het dialect van hun geboortedorp. Ik besloot een onderwerp te nemen dat met mijn Limburgse jeugd te maken heeft en dus ook herinneringen bevat die in het dialect gedacht zijn. In mijn kindertijd was Limburg nog ongeveer hetzelfde als het in de hele negentiende eeuw op het platteland was. In dit essay probeer ik uit te leggen hoe onschuld bedorven wordt door onwetend-houderij. Niet praten over iets betekent dat je er niet mee om leert te gaan, en dat maakt je kwetsbaar.

 

4.    Hoe past dit boek in uw oeuvre?

Wie mijn columns uit NRC kent, gebundeld in Verliefd op het verleden, en mijn essays Vroeger is ook mooi,weet dat dit boekje er naadloos bij aansluit. Ik zie overigens niet zoveel verschil tussen de stijl van essays en wetenschappelijke studies, zoals ik betoogd heb in de Jan Hanlo-lezing. Ik heb altijd zelfs de meest wetenschappelijke teksten vermengd met persoonlijke anekdoten, juist omdat ik ook in de wetenschap ‘binnentrekkers’ wil hebben. Dat doe ik zelfs in Naar de letter, het handboek editiewetenschap.

 

 

5.    Seks in Limburg is te lezen als een autobiografie. Is het een begin van een nalatenschap?
Nee, ik schrijf geen autobiografie en ook de biografie van Harry Mulisch schrijf ik niet, dit om verdere vragen hiernaar te voorkomen. Ik wil wel de biografie van Jacob van Lennep schrijven, en ik ben zo vrij om te denken dat elk boek dat iemand schrijft in bepaalde metaforische opzichten wel een autobiografie is.

 

Marita Mathijsen schreef o.a.:

Seks in Limburg (B for Books, 2012)

Vroeger is ook mooi. Essays (Athenaeum, Amsterdam, 2011)

De tijd zelf (Amsterdam, De Bezige Bij, 2011)

Twee vrouwen en meer (De Bezige Bij, Amsterdam, 2008)

Reageer