Het themanummer ‘Le geste linguistique’ van Genesis gaat uitsluitend over tekstgenetisch onderzoek naar linguïstische teksten. Elli Bleeker vraagt zich af of een heel nummer over kladpapiertjes van linguïsten ook interessant is voor niet-linguïsten.

  Genesis_Voorblad

Le geste linguistique. Dat is het thema van het jongste nummer van Genesis, het tijdschrift dat twee keer per jaar wordt uitgegeven door het Franse wetenschappelijke instituut ITEM-CNRS. Wederom een nummer van indrukwekkende omvang: 252 pagina’s, ditmaal volledig gewijd aan tekstgenetisch onderzoek naar manuscripten van linguïsten.

Zoals reeds besproken op deze website (zie bijvoorbeeld eerdere recensies van Charlotte Cailliau en Elli Bleeker) houdt het ITEM-CNRS zich bezig met editiewetenschappelijk onderzoek volgens de Franse traditie critique génétique, die met de zogenaamde avant-texte de ontstaansgeschiedenis van een tekst probeert vast te stellen. Ze betrekken hierbij alle teksten die (kunnen) hebben bijgedragen aan het ontstaan van een werk, variërend van aantekeningen en kladversies tot drukproeven. Uiteraard is het altijd interessant om door middel van kladbriefjes en aantekeningen te onderzoeken hoe wetenschappers tot bepaalde ideeën zijn gekomen. Het zijn getuigen van de aarzelingen, de overwegingen en de gedachtesprongen van een onderzoeker. Zeker als het gaat om de manuscripten van een linguïst als Ferdinand de Saussure (1857-1913) spreekt het belang van onderzoek voor zich.

Maar een heel nummer van Genesis, dat alleen gaat over linguïstiek? Dat roept enkele vragen op. Wijkt tekstgenetisch onderzoek naar linguïstische teksten sterk af van dat naar literaire teksten? Gaat een linguïst anders te werk dan bijvoorbeeld een letterkundige? Wat is de meerwaarde van het reconstrueren van de avant-texte van een linguïstisch werk? En, niet onbelangrijk voor het publiek van textualscholarship.nl, is een heel nummer over kladpapiertjes van linguïsten ook interessant voor niet-linguïsten?

In het voorwoord licht redacteur Irene Fenoglio het thema toe. Ze stelt allereerst dat linguïstisch onderzoek afwijkt van dat van ander onderzoek. In de linguïstiek wordt taal gebruikt om taal te onderzoeken: het onderzoeksonderwerp dient als het ware zijn eigen beschrijving. Dit zou alleen al het chronologisch in kaart brengen van de ontstaansgeschiedenis van een tekst bemoeilijken. Ten tweede is het onderzoeksterrein betrekkelijk nieuw: pas de laatste vijf jaar wordt uitgebreid onderzoek gedaan naar het werk van linguïsten. Deels zal dit trouwens te maken hebben met de beschikbaarheid van materiaal: de archieven van Saussure en van Emile Benveniste (1902-1976) zijn nog niet zo lang geleden (ten dele) opengesteld.

Een nieuw onderzoeksterrein dus, nog volop in ontwikkeling. Er klinkt dan ook enige trots door in de inleiding van Fenoglio: voor het eerst wordt er zo’n uitgebreid overzicht van de huidige stand van zaken gepresenteerd. Dit overzicht toont ook aan hoeveel mogelijkheden tot verder onderzoek er nog in het verschiet liggen.

Traditiegetrouw is Genesis ingedeeld in diverse secties en verschillen de artikelen tussen diepgaande studies en meer beschouwende stukken. Gezien de hoeveelheid zou een gedetailleerde bespreking van ieder artikel teveel aandacht vragen van de digitale lezer. Deze recensie beperkt zich tot enkele hoogtepunten uit dit nummer.

Veel aandacht is er voor de Zwitser Ferdinand de Saussure. Dit ligt voor de hand, aangezien hij wordt beschouwd als de grondlegger van de linguïstiek zoals wij deze kennen. Maar liefst drie artikelen in Genesis gaan uitsluitend over hem. In ‘Puissance de l’écriture fragmentaire et “cercle vicieux”’ berschrijft Kazuhiro Matsuzawa het onderzoek naar enkele in 1996 ontdekte manuscripten van Saussure. Deze manuscripten bestonden uit een grote hoeveelheid ongeordende en onvoltooide aantekeningen, waarin enige lijn of chronologie moeilijk te ontdekken was. Er werd verondersteld dat Saussure nooit was toegekomen aan het verwerken van deze kladjes. Matsuzawa stelt echter dat daarmee het fragmentarisch karakter van de aantekeningen ten onrechte wordt genegeerd en stelt voor dit als uitgangspunt te nemen. In zijn conclusie toont hij aan dat ze juist de enige logische afspiegeling vormen van de manier van denken – en werken – van Saussure.

Giuseppe D’Ottavi onderzoekt in ‘Genèse d’un écrit saussurien’ een artikel van Saussure over de Indiase taalkunde en -filosofie dat in 1907 in een Zwitsers tijdschrift verscheen. Dit is het enige artikel dat Saussure heeft gepubliceerd. Omdat ook een deel van de aantekeningen die aan de basis van dit stuk lagen bewaard zijn gebleven, is het bij hoge uitzondering mogelijk om te zien hoe manuscripten van Saussure zich verhouden tot de gepubliceerde tekst. Het stuk van D’Ottavi wordt gevolgd door een interview van zijn hand met Tullio De Mauro, emeritus hoogleraar algemene linguïstiek aan de Sorbonne III. Het levert een diepgaand vraaggesprek op tussen twee Saussure-experts.

Goed vertegenwoordigd is ook de Franse linguïst Emile Benveniste. Ook hieraan liggen deels praktische redenen ten grondslag: Benveniste heeft zijn papieren nagelaten aan de Bibliothèque Nationale in Parijs. De collectie is zeer divers en bevat onder andere wetenschappelijke en persoonlijke notities, correspondentie en collegeaantekeningen. Via Gallica, de digitale catalogus van de Bibliothèque Nationale, zijn enkele documenten ook digitaal te bewonderen. Irène Fenolgio houdt zich al acht jaar bezig met dit archief en bespreekt enkele van haar bevindingen in ‘Notes manuscrites sur “l’axiologie”’. Aya Ono reconstrueert in ‘Le nom c’est l’être’ de ontstaansgeschiedenis van Benvenistes artikel ‘La blasphémie et l’euphémie’.

Genesis_3

Rest de vraag of deze focus op linguïstiek ook voor literaire tekstgenetici interessant is. Uit de artikelen in Genesis blijkt in elk geval niet dat een linguïstisch uitgangspunt nieuwe perspectieven biedt voor de critique génétique in het algemeen. Het materiaal dat wordt gebruikt verschilt namelijk niet met dat waar literaire tekstgenetici mee werken: correspondentie, verschillende genres (persoonlijke aantekeningen of wetenschappelijke teksten), een vergelijking tussen een manuscript en een gepubliceerde versie, onvoltooide teksten, vertalingen…

Wat uit dit nummer van Genesis wél blijkt is dat tekstgenetisch onderzoek naar linguïstische teksten zeer waardevol kan zijn en een schat aan nieuwe informatie kan opleveren. Zo vergelijkt Francis Tollis in ‘Étude comparative des deux versions de “Observation et explication dans la science du langage”‘ twee versies van een artikel van Gustave Guillaume (1883-1960) en geeft daarmee inzicht in diens theoretische intentie en publicatiestrategie.

Verder kan op deze manier de ontstaansgeschiedenis van linguïstische concepten inzichtelijk worden. Welke gedachtesprongen maakte Saussure? Welke (wetenschappelijke) ideeën lagen bijvoorbeeld ten grondslag aan de syntactische theorie die de linguïst Lucien Tesnière (1893-1954) publiceerde in “La glottologie”? Dit onderzoekt Valentina Chepiga in ‘La préparation d’un ouvrage inachevé’.

Genesis_Tesnière

In ‘Le linguiste et le medécin’ onderzoekt Valelia Muni Toke de briefwisseling tussen Tesnière en diens collega-linguïst (gespecialiseerd in Franse grammatica) én psychoanalyticus Eduard Pichon (1890-1940), om te bepalen of en hoe hij werd beïnvloed door andere wetenschappers. Ook wordt het bijvoorbeeld mogelijk om linguïstische problemen opnieuw onder de loep te nemen.

Voor de critique génétique ligt het belang van specifiek onderzoek naar linguïstische manuscripten dus niet zozeer bij nieuwe inzichten of thema’s, als wel bij een berg onontgonnen onderzoeksmateriaal. Voor de linguïstiek daarentegen is een tekstgenetische benadering wèl een manier om diepgaander onderzoek te verrichten binnen hun eigen vakgebied. Een duidelijke win-win situatie.

Elli Bleeker, Huygens ING

Reageer