Louis Couperus (1863-1923) is dood, maar zijn werk leeft nog altijd voort. Omdat 2013 Couperus-jaar is, besteden we de komende tijd aandacht aan publicaties en evenementen rond zijn werk en leven. Hester Meuleman recenseert Couperus Cahier XIII: Het bloed van de barones. Seksueel geweld in Langs lijnen van geleidelijkheid, door Elsbeth Etty.

 

‘Zij voelde, dat zij voortaan vooral mooi moest zijn, en dat verder er niets meer op aan kwam.’ (p. 146.) Dat is een van de meest hartverscheurende zinnen die ik ooit heb gelezen. (Victor Gijsbers, docent Universiteit Leiden, lilith.cc/~victor)

Wat ik het mooiste vind, is deze gedachte die de hoofdpersoon van het boek heeft: Een mens kent zich zelf en een ander nooit. Ik ken je niet, ik ken mijzelf niet. Echt super, dat zeg ik zelf namelijk ook altijd. (Anna Wamsteeker, 5 havo, www.scholieren.com)

Een prachtig boek. De eerste paar hoofdstukken zijn nog ietsje aan de droge kant, maar daarna wordt je in het verhaal meegetrokken. (Niels, 6 vwo, www.scholieren.com )

Louike

Langs lijnen van geleidelijkheid (1900) is een van die boeken die weinig mensen onverschillig laten. Een gescheiden vrouw, die een zogenaamd ‘vrij huwelijk’ aangaat met een schilder, keert uiteindelijk terug bij haar ex-echtgenoot. Hij mishandelde haar, maar zij heeft hem nu eenmaal ‘in haar bloed’. Wat daarvan te denken? Zoals Susanne Onel in het tijdschrift van het Louis Couperus-genootschap Arabesken (nr. 40) beschrijft, vonden de meeste recensenten in 1900 dat het weliswaar goed was geschreven maar dat de inhoud walgelijk was. Al waren er ook die het boek wel op prijs stelden. Frits Lapidoth hoorde bij de eerste groep, hij vond de hoofdpersoon Cornélie een ‘knoei-mensch’, ‘een vrouw met compartimenten als een spoorwegrijtuig of een schip met waterdichte schotten’, ‘een monster, wel een der antipathiekste en gevaarlijkste vrouwen, die men op zijn levensweg kan ontmoeten…’ Velen vonden het een onsmakelijk verhaal en ook de recensenten die minder afkeurend reageerden, vroegen zich af of de compositie wel klopte. Tegenwoordig wordt Langs lijnen van geleidelijkheid zoals uit bovenstaande citaten blijkt door lezers bijvoorbeeld ‘prachtig’ of ‘hartverscheurend’ genoemd.

Elsbeth Etty beschrijft in haar essay, Het bloed van de barones. Seksueel geweld in Langs lijnen van geleidelijkheid, kort hoe het boek in de loop van de tijd ontvangen werd en merkt daarbij op dat Cornélie door latere recensenten niet zozeer veroordeeld werd, maar dat men zich wel bleef afvragen wat nu haar beweegredenen waren. In de jaren zeventig werd er vooral de nadruk gelegd op de fysieke aantrekkingskracht die Brox ondanks alles op Cornélie blijft uitoefenen. In de jaren tachtig werd het boek als antifeministisch gezien. Volgens Etty is daarbij over het hoofd gezien dat Couperus vrouwenmishandeling binnen (en na) een relatie aan de kaak heeft willen stellen en dat het boek daarnaast als sleutelroman kan worden gelezen. Volgens haar keert Cornélie niet terug bij Brox omdat ze zich tot hem voelt aangetrokken, maar omdat ze lijdt aan een trauma door zijn mishandeling en ze in werkelijkheid nog steeds doodsbang voor hem is. Het hele cahier staat in het teken van het bewijzen van deze stellingen. En dat is niet overal even overtuigend.

Ten eerste de stelling dat Langs lijnen van geleidelijkheid als sleutelroman gelezen kan worden. Volgens Elsbeth Etty is het personage Cornélie de Retz van Loo gebaseerd op drie feministes uit de tijd van Couperus: Cécile Goekoop-de Jong van Beek, Cornélie Huygens en Anna de Savornin Lohman. De eerstgenoemde vluchtte net als Cornélie weg van haar man naar Rome en had daar contact met Pier Pander, net als Cornélies zielsverwant en geliefde Duco een schilder. Haar man kwam haar echter achterna en zij verenigden zich weer. Om overigens later alsnog te scheiden, maar toen was Couperus’ roman al af. Etty schrijft daarbij dat Frédéric Bastet in Louis Couperus. Een biografie al stelde dat dit verhaal Couperus mogelijk als inspiratiebron diende. Cornélie Huygens schreef net als de Cornélie in Langs lijnen van geleidelijkheid diverse brochures. Verder had zij een ‘vrij huwelijk’ met de romancier Wolfgang van der Meij, die haar weliswaar ook achterna kwam toen zij het uitmaakte, maar het verband dat Etty in deze context met Cornélie en Brox legt, is raar. Na een citaat uit een brief van Huygens over Van der Meij, waarin ze hoopt dat hij al een andere vrouw heeft gevonden zodat zij ‘van verdere vervolgingen’ is ‘gevrijwaard’, schrijft Etty het volgende:

‘Vervolgingen is ook de term die Couperus hanteert voor het gedrag van Brox tegenover zijn ex-vrouw (pas eind 20ste eeuw werd hinderlijk volgen, belagen of stalking een strafbaar feit). Uiteraard waren de liefdesperikelen van de literaire criticus en de vooraanstaande feministische romanschrijfster, vertaalster en socialiste bekend in de kleine literaire wereld waar Couperus deel van uitmaakte. Behalve het huwelijksdebacle van de Goekoops bood de mislukte ‘vrije verbintenis’ tussen Cornélie Huygens en Wolfgang van der Meij, evenals Brox een militair, hem prima stof voor zijn liefdesdrama.’

Ik geef hier zo’n lang citaat om een voorbeeld te geven van een van de vreemde bewijsvoeringen die Etty hanteert. Dat Couperus ook het woord ‘vervolgingen’ gebruikt (er wordt overigens niet vermeld waar) is geen bewijs van een parallel met het leven van Cornélie Huygens, helemaal niet als het gaat om een brief die Couperus hoogstwaarschijnlijk niet heeft gelezen, want hij was gericht aan de vooraanstaande sociaal-democraat A.H. Gerhard. Bovendien is het hele punt in het boek dat Cornélie wordt achtervolgd door degene met wie ze getrouwd was en met wie ze zich juist om die reden nog verbonden voelt, terwijl het bij Huygens en Van der Meij gaat om een vrije verbintenis, waarbij de man toevallig een ex-militair was (zoals zoveel mannen in die tijd). Ook is de verwijzing naar de twintigste-eeuwse wetgeving rond stalking geforceerd bij de behandeling van een boek uit 1900: Etty gaat hier verder dan ook niet meer op in. Wanneer Cornélie op het laatst haar geloof in het feminisme begint te verliezen en vragen begint te stellen bij de onafhankelijkheid die haar eerst zo schitterend toescheen, spiegelt zij zich volgens Etty aan Anna de Savornin Lohman, de derde door haar genoemde feministe. De Savornin Lohman beschrijft in een door Etty aangehaalde brochure dat zelfs heel begaafde vrouwen zich uiteindelijk toch met lichaam en ziel overgeven aan een man ‘die hun hart heeft weten te veroveren, en het vrouwelijk gevoelsleven in haar wist te wekken’ en daarbij al hun theorieën overboord zetten, omdat de natuur nu eenmaal zo in elkaar zit. Maar als je deze vergelijking doortrekt, betekent dat dat Cornélie zich uiteindelijk weer aan Brox overgeeft omdat zij zich tot hem aangetrokken voelt en omdat de natuur dat wil, wat nu juist de stellingen zijn die Etty steeds bestrijdt. Vreemd is dat Etty zo eerst haar eigen stelling, namelijk dat Cornélie alleen maar bang is voor Brox en hem niet aantrekkelijk vindt, ondermijnt door te zeggen dat Cornélie de gedachtegang van De Savornin Lohman volgt, om daarna te schrijven:

‘Tegelijkertijd maakt Couperus in Langs lijnen van geleidelijkheid stap voor stap duidelijk dat het niet biologische wetten zijn, zoals De Savornin Lohman beweert, die Cornélie terugdrijven naar Brox, maar culturele.’

Op dit laatste kom ik nog terug, omdat dat meer betrekking heeft op Etty’s andere stelling, maar ik hoop te hebben aangetoond dat op de stelling dat de roman als sleutelroman gelezen zou moeten worden heel wat valt af te dingen. Wat waar is, is dat de boeken en brochures van de drie feministes aantoonbaar een rol spelen in Langs lijnen van geleidelijkheid. Maar dit was, zoals Etty zelf schrijft, al eerder opgemerkt door de neerlandici I. van Geest-Jacobs en M. Klein in hun artikel ‘Couperus en de Vrouwenquestie’, net als de rol die de liefdesgeschiedenis van de Goekoops kan hebben gespeeld al door Bastet was opgemerkt. Het gaat hier dus niet om nieuwe informatie. In plaats van op bronnenmateriaal met nieuwe bewijzen stort Etty zich op speculaties als deze:

‘Hoewel er geen directe aanwijzingen zijn dat ook Cécile Goekoop door haar man mishandeld werd, kan Couperus hierover geruchten of speculaties hebben gehoord die hij gebruikt heeft in Langs lijnen van geleidelijkheid, zoals hij voor zijn roman wel meer aan de werkelijkheid heeft ontleend.’

CouperusHester_CC-XIII-omslag-groot

Het zou interessant zijn geweest als Etty bronnen had weten te achterhalen waarin sprake was van contact tussen Couperus en de feministes, waaruit zou blijken dat hij gebruik had gemaakt van hun opvattingen en levensloop. Nu lijkt het er eerder op dat Couperus –bewust als hij zich altijd was van wat er in zijn tijd omging– simpelweg gebruik heeft gemaakt van het feit dat er zoiets als een feministische beweging bestond en van alle aspecten die daarbij kwamen kijken, om er uiteindelijk zijn eigen verhaal van te maken. Dat is niet hetzelfde als een sleutelroman schrijven, waarbij de schrijver duidelijk gebruik maakt van de omgeving waarin hij zelf verkeert of heeft verkeerd. Onduidelijk blijft, zoals Bastet ook al opmerkte, of Couperus zich voor of tegen het feminisme wilde uitspreken. Dat valt niet makkelijk te bewijzen. En de momenten waarop Etty bronnenmateriaal gebruikt om haar betoog te onderbouwen spreekt dat materiaal, zoals hierboven te zien is, haar eigen betoog tegen, vertelt het niets nieuws of heeft het niets met Couperus te maken (zoals bij de brieven die geciteerd worden).

Etty’s stelling is, zoals gezegd, dat Couperus in Langs lijnen van geleidelijkheid met gebruikmaking van de levensverhalen van bestaande feministen een aanklacht heeft willen schrijven tegen (seksueel) geweld tegen vrouwen. Het eerste aspect blijkt betrekkelijk te zijn. Het tweede ligt ingewikkelder. Etty zelf was ooit ‘als twintigjarige feministe’ geschokt bij het lezen van de beschrijving die Cornélie tegen het eind van het boek van Brox geeft. Deze beschrijving komt erop neer dat Cornélie, hoewel ze door Brox is mishandeld, toch voelt dat ze hem diep van binnen kent, dat hij degene is die haar heeft ontmaagd en daarmee ‘gewijd [heeft] tot vrouw’, en dat ze hem daarom nooit vergeten kon en hem ‘in haar bloed heeft’. Ik ben het met Etty eens dat dat een zeer verontrustende gedachte is, en zoals uit de reacties van lezers en recensenten bleek, is het meest intrigerende aspect van het boek dan ook waarom Cornélie, die zo gelukkig is met haar Duco, dan toch terugkeert naar de wellicht aantrekkelijke, maar brute macho Brox.

In de loop van haar essay noemt Etty verscheidene redenen voor deze terugkeer. Een reden die eerder door Herman Verhaar is genoemd in zijn essay ‘Van passie en impregnatie, Cornélie en Madeleine, Couperus en Zola’ is de zogenaamde impregnatietheorie. Volgens Verhaar hebben zowel Emile Zola in zijn Madeleine Férat als Couperus in Langs lijnen van geleidelijkheid deze theorie verwerkt, die inhoudt dat een vrouw ‘altijd fysiek gebonden blijft aan degene die haar ontmaagde [sic]’. Volgens Etty is dit een onbevredigende interpretatie, omdat Verhaar Cornélie uiteindelijk als masochiste bestempelt, als willoos slachtoffer van haar passie voor Brox, terwijl die passie volgens Etty afwezig is. Maar hieruit blijkt niet wat er onbevredigend is aan de theorie zelf. Het is weliswaar een nogal angstaanjagende theorie, maar het is wel de redenering die Cornélie uiteindelijk zelf gebruikt tegenover Duco, wanneer ze hem vertelt dat ze nooit zijn vrouw is geweest, alleen zijn maîtresse, omdat ze al lang geleden tot vrouw was gemaakt door Brox en altijd diens vrouw zal blijven. Etty vindt echter dat Cornélie deze redenering achteraf verzint om rationeel goed te praten waar ze eigenlijk last van heeft: een trauma. Cornélie voldoet volgens Etty aan de vier criteria van een slachtoffer van mishandeling met een post-traumatisch stress-syndroom. Dit wordt echter niet uitgebreid onderbouwd en bovendien gaat het hier om een theorie die pas lang na de dood van Couperus is opgesteld. Het is dus een referentiepunt dat hij zelf niet gehad kan hebben. Cornélie is volgens Etty alleen maar bang voor Brox en keert bij hem terug uit angst voor represailles: geweld tegen haar of tegen Duco, waarmee Brox inderdaad dreigt. En zoals slachtoffers van mishandeling in hun angst en verwarring vaak terugkeren naar hun mishandelaars, is dat volgens haar hier ook het geval. Het is zelfbehoud door opoffering. In de loop van de tijd is dit vaak gezien als antifeministisch. Uiteindelijk moet de feministe accepteren dat ze ondergeschikt is aan de man en bovendien hoort toe te geven aan haar moederinstinct. Volgens Etty heeft Couperus met Langs lijnen van geleidelijkheid echter een subtiele aanklacht tegen vrouwenmishandeling geschreven en daarmee tegelijk een pleidooi gehouden voor feminisme en seksuele bevrijding.

Het is ontegenzeggelijk waar dat Couperus hier, en ook in het door Etty aangehaalde De boeken der kleine zielen, de beroerde positie van een mishandelde vrouw in zijn tijd behandelt. Het was erg moeilijk te scheiden, er werd liever niet over gepraat, zeker niet in aristocratische kringen. Daarnaast werden de meisjes opgevoed met een ‘saloneducatie’, die er in het geval van Cornélie in Langs lijnen van geleidelijkheid voor zorgt dat het haar niet lukt gewoon werk te doen als zij en Duco geen geld meer hebben. Of ze willen haar niet aannemen omdat ze te chic is, of ze wil zelf niet omdat het werk te zwaar en de verdiensten te klein zijn. Het enige wat ze uiteindelijk doet is gezelschapsdame worden bij een oude vrouw. Dit zijn de ‘culturele wetten’ die hierboven al genoemd werden. Het is de vraag of Couperus hiermee vrouwenmishandeling heeft willen aanklagen en een pleidooi voor feminisme en seksuele bevrijding heeft willen houden. Hoe interessant dat thema ook is, Etty’s essay had meer indruk gemaakt als het wat minder hoog van de toren had geblazen met het stellen dat het boek ‘een onverholen aanklacht is tegen vrouwenonderdrukking’ en als het beter beargumenteerd was geweest. Nu leest het essay zelf namelijk meer als een aanklacht tegen vrouwenmishandeling in het algemeen. Dat is maatschappelijk gezien van groot belang, maar literatuur-theoretisch gezien zitten er nogal wat haken en ogen aan. Het is heel moeilijk te achterhalen wat een schrijver met een boek wilde zeggen. Dat is geen reden om het niet te proberen, maar voorzichtigheid en een goede argumentatie zijn geboden. De argumentatie van Etty vliegt helaas verschillende keren uit de bocht, niet alleen in bovengenoemde stukken, maar op meer plaatsen. De parallel die ze trekt tussen het vluchtgedrag van Cornélie en de reis die Couperus maakt na de breuk met zijn vriend en wellicht love interest Johan Ram is bijzonder vergezocht en gaat voorbij aan het feit dat Cornélie vlucht voor iemand die ze kwijt wil, terwijl Couperus Ram niet kwijt wilde en het bovendien Ram zelf was die wegging.

Het verhaal van Cornélie verbinden met eerwraak en onderdrukte islamitische vrouwen zonder daar verder op in te gaan, zoals Etty doet, houdt geen steek. Eerwraak is een cultureel bepaalde gewoonte, waarbij de hele familie is betrokken. De geschiedenis tussen Cornélie en Brox heeft daar niets mee uit te staan: de boeken van Couperus komen uit een andere cultuur en een andere tijd en bovendien gaat het in het boek niet over een familie die wraak wil omdat Cornélie er schande over heeft uitgeroepen. Cornélies gedrag ten slotte willen verklaren met een traumatheorie is niet overtuigend. Langs lijnen van geleidelijkheid is niet een boek dat gaat over wat mishandeling met een mens doet. De mishandeling vormde de reden om te scheiden en maakt de terugkeer heel complex, maar is slechts een onderdeel van het verhaal. Je kunt Cornélies gedrag door het hele boek heen niet alleen interpreteren vanuit het gegeven dat ze mishandeld is, daarvoor zijn haar ‘saloneducatie’, de heersende mores en haar omgeving te belangrijk. Etty vergeet op te merken dat Cornélie wel degelijk een keuze heeft: ze kan zelf gaan werken, maar voelt zich daar door haar afkomst niet toe in staat, lichamelijk noch geestelijk. Verder zou ze het aanbod van Duco om toch te trouwen hebben kunnen aannemen, dan hadden ze weer geld gekregen van de moeder van Duco. Dit wil ze echter niet, en dat kan niet verklaard worden uit een angst voor Brox, die dan nog niet ten tonele is verschenen. Cornélie zelf verklaart het uiteindelijk doordat ze beseft dat ze Brox nooit is vergeten. Hoe verwerpelijk je dat ook mag vinden, het lijkt niet iets te zijn wat ze zichzelf achteraf wijsmaakt om een trauma goed te praten. Het lijkt er meer op dat ze zich niet kan onttrekken aan de conventies van haar tijd en haar omgeving, zodat dit boek eerder een bij Couperus vaker voorkomende fatalistische inslag heeft dan een maatschappelijke.

CouperusHester_langslijnenvangeleidelijkheid

Couperus was een schrijver, geen pamflettist: hij maakte gebruik van wat er om hem heen gebeurde (zoals hij ook onder andere de theosofie, het oriëntalisme en de vredesbeweging in zijn boeken heeft verwerkt) om er een kunstwerk van te maken. Het is niet gezegd dat hij de lezer daar ook een bepaalde richting mee op wilde sturen, hoogstens dat hij bepaalde thema’s wilde behandelen. Een daarvan was het universele thema liefde in al haar facetten, zoals de ook door Etty aangehaalde Piet Kralt in Louis Couperus: verliefdheid en vervoering heeft laten zien. Uit Kralts boek wordt voornamelijk duidelijk dat Couperus niet eenduidig dacht over zaken als huwelijk, vrije relaties, ‘extatische’ liefde, ‘gewone’ liefde, hartstocht en wellust. Cornélie belichaamt een aantal aspecten van het hele liefdesspectrum: ze was getrouwd met Brox omdat dat zo hoorde en kan dat niet van zich afzetten; ze vindt een zielsverwant in Duco, maar wil niet met hem trouwen; ze wordt flirterig en koket in het bijzijn van de prins Virgilio, ook al voelt ze niets voor hem. Ze raakt er zelf van in de war. Ze is, kortom, menselijk, en dat was precies de kracht van Couperus: het beschrijven van complexe gemoedstoestanden. En als er iets is wat complexe gemoedstoestanden oproept, is het de liefde wel. Uit een brief die Couperus aan de criticus W.G. van Nouhuys schreef (en die Etty zelf citeert), blijkt ook dat hij het belangrijk vond een complex maar geloofwaardig personage neer te zetten:

‘En hij [de Franse vertaler Théodore de Wyzéwa] zag Cornélie zooals ik gaarne had, dat men haar ook in Holland zag. Als een vrouw, die zich in drie mannen, als in drie spiegels, anders ziet en die toch dezelfde vrouw is. Want blijft zij niet dezelfde, terwijl zij zich anders ziet in Duco, in Gilio en in Brox – werd zij een andere, onder mijn pen… dan zou mijn werk totaal niets waard zijn en ik de eerste zijn mijn werk te verloochenen.’

Helaas gaat Etty hier niet op in, terwijl me dit precies de kracht van het boek lijkt: je kunt Cornélie wel volgen, maar niet met zekerheid haar beweegredenen achterhalen. Dat lukt haar zelf niet eens altijd. Die complexiteit blijkt het best uit een citaat dat vrijwel aan het einde van de roman staat, wanneer Cornélie in bed ligt te wachten op Brox. Etty ziet in dit citaat pure angst, omdat Cornélie op het punt zou staan verkracht te worden. Ze gaat daarbij alleen in op het volgens haar bange trillen, en niet op het woord ‘verlangde’:

‘En zij wachtte hem af, ze luisterde naar zijn pas, zij verlangde dat hij komen zoû, haar vlees trilde hem tegemoet.’

Cornélie geeft zich aan het eind van het boek over aan het leven dat van haar verwacht wordt: een getrouwd leven met kinderen. Want dat is wat er voorafgaat aan bovenstaande zin:

‘Vóór zich, half droomend, zag zij figuurtjes van kinderen… Want als zij zijn vrouw zoû zijn in waarheid en echtheid, wilde zij niet alleen wezen zijn minnares, maar ook de vrouw, die hem kinderen gaf… Zij wist het, hij, trots zijn ruwheid, hield van het zachte van kinderen, en zij zoû naar ze verlangen in haar tweede huwelijksleven, als een lieve troost voor de dagen, dat zij niet mooi meer zoû zijn, en niet jong meer… Voor zich, half droomend, zag zij figuurtjes van kinderen…’

Het is een hartverscheurend verlangen, want een opgelegd verlangen, maar het is ook een keuze voor de heersende conventie. Een keuze die overigens doet denken aan die van Mathilde uit Een liefde van Lodewijk van Deyssel (1887):

‘Mathildes gezicht bolde aan tot dat van een gewone deftige dame. Zij had een groote vriendschap voor Jozef, maar was er niet zoo erg op gesteld hem altijd bij haar te zien.

Toen zij einde Oktober weêr terug waren in Amsterdam hield zij niets meer over van dien raren zomer buiten als de slappe herinnering van een droom. In April van het volgende jaar, beviel zij weêr, van een dochter.’

Van Deyssel beschreef in dit boek vrouwelijke seksualiteit nog een stuk gewaagder dan Couperus. Toch eindigt ook zijn boek in een keuze voor de conventie. Waren Couperus en Van Deyssel daarmee pro- of antifeministisch? Ik vraag het me af. Eerder realistisch. Hoe treurig ook.

Hester Meuleman, Huygens ING

Literatuur

Frédéric Bastet, Louis Couperus. Een biografie. Amsterdam, 1987.

Louis Couperus, Langs lijnen van geleidelijkheid. Volledige Werken, deel 16. Utrecht/Antwerpen, 1989.

Elsbeth Etty, Couperus Cahier XIII: Het bloed van de barones. Seksueel geweld in Langs lijnen van geleidelijkheid. Den Haag, 2012.

I. van Geest-Jacobs en M. Klein, ‘Couperus en de Vrouwenquestie.’ In: De Nieuwe Taalgids 78 (1985), p.127-136.

Piet Kralt, Louis Couperus: verliefdheid en vervoering. Broek op Langedijk, 2011.

Susanne Onel, ‘Hoe komt men ertoe zulke boeken te schrijven?’ In: Arabesken, afl.40, november 2012.

Herman Verhaar, ‘Van passie en impregnatie, Cornélie en Madeleine, Couperus en Zola’. In: Tirade, jaargang 26 (1982), p.506-522.

Reageer