Onder militairen bevinden zich strategen, tactici en uitvoerders die het handwerk beheersen. Ze kunnen niet zonder elkaar en ze moeten op hun eigen terrein goed geïnstrueerd zijn. Iemand die in dat laatste belang stelt, zal zich al snel aangetrokken voelen tot de titel Gewapend met kennis. 500 jaar militaire boekcultuur in Nederland. Dat is de titel van het proefschrift van Louis Sloos, conservator literatuur/bibliothecaris van het Legermuseum in Delft. Op de achterflap wordt het aangeprezen als het eerste overzicht van de rijke Nederlandse militaire boekcultuur.

Maar ook onder historici zijn strategen, tactici en uitvoerders die hun specialisme beheersen. Sloos behoort bepaald tot de laatste categorie. Daarnaast is zijn invalshoek de boekwetenschap, niet de inhoud of de verspreiding van militaire kennis. De titel van zijn werk doet weliswaar denken aan de strateeg, maar de uitwerking herinnert eerder aan bundels met op zich verdienstelijke artikelen waaraan de redacteuren een pakkende, maar misleidende naam hebben gegeven. Inderdaad is ook Gewapend met kennis een bundeling van bewerkte en aangevulde artikelen. ‘Hierbij is ook geprobeerd om de onderlinge samenhang te vergroten, zonder dat storende overlappen ontstonden’ (p. 48). Deze ontwapenende bekentenis vergoedt veel, want de lezer waant zich op een hindernissenbaan waar hij omhoog moet klimmen langs een dun lijntje met dikke knopen.

Het is dus verstandig, vooral veel aandacht voor die knopen te hebben, want als zodanig zijn ze de moeite waard. Dat geldt nog niet zozeer voor de inleiding, die tracht te schetsen hoe verschillende landen aan de krijgskunde hebben bijgedragen en hoe dat in Nederland ging. Interessant is hier vooral de waarschuwing dat militaire historici nog te vaak veldslagen als ijkpunt nemen voor vernieuwingen, zonder er op te letten hoe deze al zijn voorbereid in de vakliteratuur. Even opvallend is de definitie van militaire boekcultuur als ‘de productie, distributie en consumptie van het gedrukte boek als middel van communicatie binnen de Nederlandse krijgsmacht’. De twee laatste punten worden later helaas niet in geregelde vorm uitgewerkt.

Op zijn best is Sloos als hij uitlegt hoe de collectie militaire literatuur van het Legermuseum is gegroeid uit vele afzonderlijke verzamelingen. De Raad van State van vóór 1795, de stadhouders, enkele corpsbibliotheken, het depot van oorlog, ministeries en opleidings- en onderzoekinstituten hebben daaraan bijgedragen. Indirect wordt zo de plaats en de opbouw van de militaire kennis in Nederland zichtbaar, en ook hoe deze de vele institutionele wisselingen en lotgevallen heeft kunnen overleven. Een bewijs te meer hoe de stabiliteit van de ambtelijke infrastructuur hier te lande de cultuur heeft gediend. Internationaal blijkt Nederland dan geen slecht figuur te slaan wat betreft de omvang en de kwaliteit van dat militaire boekenbezit. Konden onze militairen misschien beter lezen dan vechten? vraagt de lezer zich onwillekeurig en waarschijnlijk zeer ten onrechte af.

Andere deelstudies betreffen de bibliografische achtergronden van enkele afzonderlijke handboeken en memoires. Ook hier blijft de zuivere boekwetenschap troef. Zo krijgen we niets te horen over wat ongetwijfeld een van de belangrijkste successen op het gebied van communicatie van militairen met burgers in de achttiende eeuw was, namelijk de verspreiding van het reglement op de exercities van 1771. Dit werd hét handboek van de patriotse genootschappen van wapenhandel.

Een ander interessant onderdeel van het boek gaat over de opkomst van de Gebroeders Van Cleef als uitgevers van militaire boeken. Zij waren juist op dit gebied zeer succesvol dankzij de steun van zowel Lodewijk Napoleon als koning Willem I en van enkele invloedrijke personen in ambtelijk Den Haag. Minder scherp komt naar voren dat zowel Allart als de Van Cleefs hebben geprobeerd zich te nestelen in het gat dat viel na de politieke val van staatsdrukker Scheltus na 1795. Daarna kreeg de staatsdrukkerij een dermate ambtelijk karakter dat zij zelfs werd ingelijfd in de staatssecretarie. Zo lagen er mogelijkheden voor commerciële uitgevers met een eigen distributienetwerk op de traditionele terreinen van bestuur, wetgeving en leger.

In het verlengde hiervan geeft Sloos een overzicht van het militair uitgavenfonds van Van Cleef tot 1860. Daarbij valt op dat steeds meer boeken uitkwamen die zich richtten op de gewone soldaat. Onderwijs en professionalisering worden hierin weerspiegeld. Toen aan de bevoorrechte positie van Van Cleef een eind kwam door het verlopen van het octrooi in 1839, was dit ook het segment waarop de uitgeverij kon terugvallen. Daarbij voegden zich militair-historische werken. In 1945 kwam de firma helaas niet brandschoon uit de Tweede Wereldoorlog. De staat trok weer meer uitgeversactiviteiten op militair gebied aan zich.

Een hoogst interessant hoofdstuk van bredere betekenis is gewijd aan de negentiende-eeuwse boeken die de zedekundige opvoeding van de militair ter hand namen. Hier gaat Sloos wel in op de doelstellingen, de inhoud en de verspreiding van de publicaties. Terecht merkt hij op dat ze hun plaats innemen in het algemene beschavingsoffensief van die tijd. De auteurs moeten vooral worden gezocht onder ‘geestelijken, predikanten en vertegenwoordigers van charitatieve instellingen’. Achtergrond was de algemene dienstplicht, die de zwakkeren in de samenleving samenbracht met de middenklasse die zich geen plaatsvervanger kon veroorloven.

Ten slotte verdient het hoofdstuk over de bibliotheek van Lodewijk Napoleon in het paleis op de Dam vermelding. Hierin geeft Sloos ook een analyse van de inhoud naar onderwerpen. Er kwam veel poëzie, mengelwerk en geschiedenis in voor en weinig militaria! Maar wat betekent dit? Ook elders zijn boeken van de koning teruggevonden, onder andere in de collectie van het Legermuseum in Delft. Sloos lijkt overigens te denken dat Lodewijk Napoleon na zijn abdicatie gelegenheid heeft gehad boeken mee naar Frankrijk te nemen. In werkelijkheid is hij in 1810 hals over kop naar Duitsland gevlucht en later naar Italië gegaan. Het kan wel zijn dat een aantal boeken met zijn door keizer Napoleon geconfisqueerde archief naar Parijs is meegenomen.

Kortom, het proefschrift van Sloos biedt inderdaad veel informatie over het militaire boek. Maar er staat nóg iets op de achterflap van het boek: er bestaat van geen enkel land een algemene studie over militaire boekcultuur. Helaas moeten we deze mededeling nog steeds letterlijk nemen, ook voor Nederland.

Joke Roelevink, Huygens ING

Naar aanleiding van: Louis Ph. Sloos, Gewapend met kennis. 500 jaar militaire boekcultuur in Nederland. Uitgeverij Vantilt. Nijmegen, 2012. ISBN 978 94 6004 070 2

Reageer