Een schrijver is dat wat hij schrijft. Als hij sterft, schrijft hij niet meer. Toch willen wij dat schrijvers na hun dood voortleven. En dat kan: we kunnen hun werk opnieuw uitgeven, we kunnen werk dat nooit gepubliceerd is voor het eerst uitgeven. Iets onbekends publiek maken is vanzelfsprekend spannend, maar er zit ook een morele kant aan. Want de dingen die wij het liefst na de dood van een schrijver gepubliceerd zien zijn ook net de dingen die de schrijver tijdens zijn leven niet wilde publiceren: dagboeken, brieven, onaf en onrijp werk. Wat ik persoonlijk graag zie is dat bij dergelijke publicaties iets van de morele overwegingen te zien is van degenen die de teksten openbaar maken. En dat doe je bij voorkeur in een verantwoording van de uitgave.

Niet lang geleden zijn twee uitgaven verschenen die verschillend met nagelaten teksten omgaan: Logboek 1991-1992 van Harry Mulisch en Dagboek 1970 van Jan Wolkers. Het zijn dagboekachtige publicaties. Dagboekachtig zeg ik, want het zijn allebei geen echte dagboeken, het zijn bewerkte dagboeken, constructies dus. In het geval van Mulisch is die constructie duidelijk: Mulisch hield een dagboek bij over het schrijven van de roman De ontdekking van de hemel (1992), dat dagboek maakte hij in 2008 klaar voor publicatie, maar hij trok het kort vóór het verschijnen terug. In het najaar van 2012, twee jaar na zijn dood, is het alsnog verschenen, bezorgd door Arnold Heumakers en Marita Mathijsen. De bemoeienis van deze twee wetenschappers met de tekst zorgt ervoor dat ik tevreden ben: hier is nagedacht over hoe je zorgvuldig met zo’n tekst omgaat, er is een uitgebreide verantwoording, enzovoort.

Opmaak 1

Anders is het bij het Dagboek 1970 van Jan Wolkers. Dat is ook een uitgave van een nagelaten tekst (want Wolkers overleed in 2007), maar elke verantwoording ontbreekt. Dat is vreemd, want dat roept de vraag op wie de auteur van dit boek is. Wolkers is dood, dus die kan het niet zijn. Wie verantwoordelijk is voor deze publicatie wordt, zoals gezegd, nergens vermeld. Het is niet het eerste Dagboek van Wolkers dat verschijnt: er waren er al zes. De reeks begon in 2005 met het jaar 1974, 1969 verscheen in 2006, 1972 en 1976 in 2007, 1967 in 2009 en 1975 in 2010. En nu dus, in 2012, 1970. Al deze deeltjes zijn op dezelfde manier verschenen: gebonden, fris stofomslag, de omvang is verschillend. Geen enkel deel heeft een verantwoording, maar er was wel anoniem persoon die de voorkomende personen annoteerde. En terwijl de reeks verscheen overleed Wolkers dus.

vdi9789023473084

Dat de delen die vóór Wolkers’ dood verschenen zonder verantwoording werden gepubliceerd is, hoe jammer ook voor ons soort mensen, volstrekt legitiem: op dat moment was het gewoon werk van een auteur dat onder zijn naam en dus geautoriseerd verscheen. Een auteur die tijdens zijn leven dagboeken publiceert heeft het volste recht ons zonder enige uitleg teksten voor te leggen waarvan alleen hij weet of ze volledig, ingekort, geredigeerd of gefingeerd zijn. Op het moment dat hij overlijdt verandert de situatie: iemand anders moet dan de verantwoordelijkheid voor de publicatie op zich nemen. Elke postuum gepubliceerde tekst is immers, zou je kunnen zeggen, geen roman, gedicht of dagboek meer maar een historisch document, en dat moet als zodanig worden behandeld: voorzichtig, respectvol, professioneel.

Het zou natuurlijk kunnen dat Wolkers al vóór zijn dood de publicatie heeft voorbereid, maar dan zou het wel aardig zijn dat ook te weten te komen. Wat ook zou kunnen, is dat nog tijdens Wolkers’ leven de dagboeken al door iemand anders met zijn goedvinden of medewerking voor publicatie werden voorbereid, maar ook dat willen we dan graag weten. We willen namelijk, als we de dagboeken of dat wat als dagboek gepubliceerd is ooit willen gebruiken en citeren, weten wat we citeren. Een door een auteur geautoriseerde tekst heeft een ander gewicht dan een waarvan de status niet duidelijk is. Een duidelijke status krijgt een nagelaten tekst door een professionele behandeling van de tekst en een bijbehorende professionele verantwoording. Is zo’n laatste er niet, dan moeten we voorzichtig zijn.

Ik zou zeggen: wees voorzichtig met die postume dagboeken van Jan Wolkers. Maar dat Logboek van Harry Mulisch – daar kan ik wat mee.

Jan Gielkens, Huygens ING

Reageer