Tijdens het congres Female Authorship in Europe, dat de COST-WWIH-actie Women Writers in History afsloot en dat van 19 tot 21 juni 2013 op het Huygens ING in Den Haag plaatsvond, waren ook enkele bijdragen gewijd aan de circulatie van teksten in handschrift. In het bijzonder ging het daarbij om Spaanse en Portugese schrijfsters, die in de zeventiende en achttiende eeuw relatief veel teksten op deze manier in omloop brachten.

Maar in Nederland kwam dat ook voor: het is al enkele jaren bekend dat een schrijfster als Belle van Zuylen (1740-1805) intensief met haar lezers communiceerde zonder dat daar een drukpers aan te pas kwam. In veel gevallen waren het de lezers zelf die haar teksten overschreven. Kees van Strien vond dergelijke afschriften in diverse familiearchieven (Van Strien 2005). In het geval van de Franstalige Belle van Zuylen ging het bijna altijd om gelegenheidsverzen of  -fabels in het Frans en in de Franse traditie.

Belle van Zuylen

Het bijzondere aan de tekst die we hier als manuscript van de maand presenteren is dat Belle van Zuylen hem in het Nederlands heeft geschreven, de taal die Frans van Lelyveld haar zo graag had zien gebruiken, zoals hij in 1765 aan Rijklof van Goens schreef: ‘Ach, was die Juffer zo goed om in ’t Duits [= Nederlands; SvD] te schrijven! Welk een eer voor Holland! Welk een voordeel indien de Burgerman door haar aan ’t lezen raakte’ (Dubois 1993, p. 118). Dit is de Nederlandse tekst van Belle:

Adeldom

Adeldom is niet meer. Zult gij haar lot beklaagen,

En lang in sac en asch de rouw over haar draagen?

Zij leefde met domheid in al te naauw verband,

en verkende veeltyds eerlykheid en verstand.

Zij schreef hem lang nadat zij Nederland had verlaten om zich, in 1771, in Colombier bij Neuchâtel te vestigen met haar echtgenoot Charles-Emmanuel de Charrière. De tekst illustreert dus – wat ook wel uit haar correspondentie blijkt – dat Belle van Zuylen in Zwitserland haar beheersing van het Nederlands niet was kwijt geraakt. Wel is uit de bladspiegel van het handschrift op te maken dat ze het plan moet hebben gehad om een langer vers neer te schrijven dan dit kwatrijn. Besloot ze dat haar boodschap voldoende was overgekomen in deze enkele regels, of trad er toch een probleem op dat haar belemmerde, haar idee verder uit te werken?

Wat het meest wezenlijk moet zijn geweest in haar gedachtegang geeft zij onmiddellijk weg: de connectie tussen adeldom en domheid. Het is een standpunt dat we van haar kennen. Ook in eerdere teksten vinden we het terug, op verschillende wijzen geformuleerd, vooral in haar eerste publicatie Le Noble (1763). Daar is Baron d’Arnonville, de vader van Julie die verliefd is geworden op een jongeman van zéér recente adel, de incarnatie van de adellijke domheid: deze vader is duidelijk niet in staat om het ‘verstand’ en waarschijnlijk ook de ‘eerlykheid’ van de potentiële schoonzoon als zodanig te herkennen.

In dit vers, dat ruim ná de Franse revolutie werd opgeschreven, vinden we als extra element de tevredenheid die lijkt te worden uitgedrukt in de eerste zin: ‘Adeldom is niet meer’. Een eventueel beklagen van het ‘lot’ van ‘adeldom’ en van (Franse) edelen zou kunnen zijn ingegeven door het grote aantal adellijke ‘réfugiés’ die naar Zwitserland waren uitgeweken: Mme de Charrière had contact met hen, en liet hen ook wel figureren in haar toneelstukken. Als individuen konden ze op haar sympathie rekenen, maar op het abstractere niveau van ‘de’ adel waren gevoelens van medelijden niet aan de orde.

De editeurs van Belle van Zuylen’s Oeuvres complètes (Amsterdam 1979-1984) hebben deze korte tekst, die zelf ongedateerd is, op twee verschillende plaatsen ondergebracht. Het staat tussen de losse verzen die gepresenteerd worden in deel X (p. 424), én het vormt een onderdeel van een brief van Belle van Zuylen aan haar neef Willem-René van Tuyll van Serooskerken (deel V, p. 621, brief 2078). In deel X specificeren zij dat dit losse blad ‘misschien’ hoort bij een brief die de tante in oktober 1799 aan haar neef stuurde. In deel V is het gedicht eenvoudig opgenomen in de tekst van een brief, die Mme de Charrière niet in oktober naar Willem-René stuurde, maar dan ‘rond 24 september 1799’. Een noot vermeldt dat het gaat om een apart blaadje (p. 918).

Deze brief van eind september 1799 heeft inhoudelijk wel enig verband met Charrières korte Nederlandse vers. In die periode logeerde de neef bij zijn tante: het gaat dus niet om een brief die van Zwitserland naar Nederland was verzonden, maar om ‘interne’ correspondentie, die een voortzetting was van samen gevoerde gesprekken. Op 23 september hadden zij ’s avonds de politieke situatie in de Republiek doorgenomen, en ook de rol die adellijke families – zoals de Van Tuylls – daarin speelden. De adel was dus inderdaad ter sprake gekomen, maar wellicht in een iets andere zin dan gesuggereerd wordt door de uitspraak ‘adeldom is niet meer’.

Tot voor kort was het lastig om het bestaan van een mogelijke connectie tussen het blad met het vers enerzijds en de brief van eind september 1799 anderzijds te verifiëren. De handschriftencollectie-Van Tuyll van Coelhorst, waarvan ze deel uitmaakten, was namelijk ‘kwijt’. Dat wil zeggen: na de transcriptie ten behoeve van de Oeuvres complètes waren de originelen verdwenen en beschikten we alleen over door Simone Dubois gemaakte fotocopieën (zie Van Strien-Chardonneau 2010). Wel was het opvallend dat Simone en Pierre Dubois in de biografie die ze in 1997 van Belle van Zuylen publiceerden (nadat zij ook hadden bijgedragen aan de editie van haar correspondentie in de Oeuvres complètes) weer een andere maand in het jaar 1799 noemen (p. 687). Zij verwijzen naar een brief van Willem-René aan zijn moeder, gedateerd 19 juli 1799, waarin hij ditzelfde vers ‘Adeldom is niet meer’ zou hebben gekopieerd.

Op basis van de fotokopieën die Simone Dubois haar had overhandigd heeft Madeleine van Strien-Chardonneau in 2010 een serie dagboekaantekeningen en brieven gepubliceerd die dit eerste verblijf van de toen achttienjarige Willem-René van Tuyll bij zijn tante documenteren. Daaronder was ook de bewuste brief aan zijn moeder van 19 juli. Voornamelijk in het Frans beschrijft hij wat hij zoal meemaakt. Na een kort zinnetje in het Nederlands becommentarieert hij zichzelf: ‘Que dites-vous de mon hollandais?’, en hij gaat verder: ‘Jij ziet dat ik het niet vergeet. Tante gaet zelvers verder zij maekt veerzen, zij heeft mij deze vier van de morgen gestuurt, want ik heb haer nog niet gezien’. En hier volgt het vers ‘Adeldom is niet meer’, waarin hij enkele kleine spellingsveranderingen doorvoert. Hij suggereert bovendien dat zijn moeder het wellicht niet in de adellijke kennissenkring moet laten lezen; hij noemt geen namen, veronderstelt alleen dat ze wel zal begrijpen op wie hij eigenlijk doelt.

Het vers moet dus zijn geschreven uiterlijk op 18 of 19 juli 1799, wellicht nog iets eerder.Op een van de eerdere avonden hadden tante en neef (blijkens hun brieven 2057 en 2058 aan elkaar, d.d. 16 of 17 juli, Oeuvres complètes, deel V, p. 598), nogal druk zitten praten over kwesties inzake etymologieën in diverse talen – ongetwijfeld ook in het Nederlands. Maar dat niet alleen: diezelfde dag schrijft Charrière aan haar schoonzuster, Willem-René’s moeder, dat ook de goede en slechte karaktereigenschappen van hun familie, de Van Tuyll van Serooskerkens, ter sprake waren gekomen (p. 599). En ze vat de conclusies van het gesprek in het Nederlands samen.

Toen de collectie ‘Van Tuyll van Coelhorst’ vorig jaar in het Nationaal Archief werd teruggevonden (Jongbloed 2012), bevond deze brief van 19 juli zich daar ook bij. Hij kon zodoende, als illustratie van de circulatie van ‘vrouwenteksten’ in manuscriptvorm, samen met het hier getoonde origineel van de tekst worden geëxposeerd ter gelegenheid van het congres Female Authorship in Europe. Het onderzoekje rond deze korte tekst, geschreven door Belle van Zuylen, doorgestuurd door haar neef en waarschijnlijk gelezen door haar schoonzuster en door enkele andere familieleden, sluit dus aan bij het onderzoek naar de circulatie van door vrouwen geschreven teksten. Overigens is het moeilijk vast te stellen of het hier een geval betreft van typisch vrouwelijke communicatie….

Dit onderzoekje vond ook plaats in het kader van het digitaliseringsproject De brieven van Belle van Zuylen, waarbinnen het Huygens ING samenwerkt met onder andere Uitgeverij van Oorschot, het Genootschap Belle van Zuylen, het Nationaal Archief en de Bibliothèque Publique et Universitaire de Neuchâtel (zie Van Dijk 2012). Het belang van digitale beschikbaarheid van deze omvangrijke correspondentie is zonder meer duidelijk, en het is bovendien interessant om te zien hoe op detailniveau de werkzaamheden tevens leiden tot aanvullingen op en rectificaties in de bestaande kennis over deze brieven.

Suzan van Dijk, Huygens ING

 

 

 

2 reacties op “Manuscript van de maand – Belle van Zuylen: “Adeldom is niet meer””

  1. C. van Nevel says:

    Mag ik u vragen wanneer u in de transcriptie kiest voor ‘ij’ en wanneer voor ‘y’? Waarom bijvoorbeeld ‘Zult gij’ en niet ‘Zult gy’? Ik bereid zelf een editie voor van een vroegnegentiende-eeuws handschrift en heb me al vaak het hoofd gebroken over deze kwestie. Dank voor uw antwoord.

  2. [...] Tijdens het congres Female Authorship in Europe, dat de COST-WWIH-actie Women Writers in History afsloot en dat van 19 tot 21 juni 2013 op het Huygens ING in Den Haag plaatsvond, waren ook enkele bijdragen gewijd aan de circulatie van teksten in handschrift. In het bijzonder ging het daarbij om Spaanse en Portugese schrijfsters, die in de zeventiende en achttiende eeuw relatief veel teksten op deze manier in omloop brachten. Lees verder op textualscholarship.nl [...]

Reageer