Lang heeft het gegolden als toppunt van huisbakken onbenulligheid, een gedicht van Hendrik Tollens over de eerste tand van zijn zoon. Lotte Jensen ziet het in haar boek Verzet tegen Napoleon echter als een vorm van verzetspoëzie.
tollensDat kan, meent zij, als we in navolging van Marita Mathijsen de literatuur beschouwen als de travestie van een maatschappelijk conflict. De jongen zou, volgens Tollens, als hij groot was, zijn tanden voor ‘der braaven zaak’ inzetten. Als deze interpretatie klopt, is het dus een wel heel besmuikt verzet tegen keizer Napoleon.

Hoewel dit gedicht duidelijk het pièce de résistance is van het boek van Jensen, hoeft iemand die zo zijn vragen heeft bij de onmiddellijke bijtkracht van een melktandje het niet meteen ter zijde te leggen. Zij plaatst het in een breder kader van literair activisme, van ‘verzetsliteratuur’ uit de periode van 1798 tot 1813. Daarbij valt de nadruk op de jaren van de inlijving bij Frankrijk, onder het rechtstreekse bewind van keizer Napoleon.
tandje
Het boek gaat, op basis van gedrukte bronnen, in op het werk van dichters als Samuel Iperusz.Wiselius, Cornelis Loots, Jan Frederik Helmers, Vincent Loosjes en natuurlijk Tollens zelf. Dat gebeurt aan de hand van de begrippen huiselijkheid, Nederlanderschap en wereldburgerschap.

Ook de wereld van de schouwburg wordt niet vergeten. Jensen wijst hierbij de literatuur aan als ‘bij uitstek een drager van dubbele boodschappen’.

Hierbij vallen wel een aantal dingen op. In de eerste plaats creëert Jensen eerst haar eigen vijand door te stellen dat onder historici de opvatting domineert dat de Nederlanders het Franse gezag gewillig over zich heen lieten komen. Gelukkig noemt zij al snel daarna het boek van Johan Joor over De adelaar en het lam (2000), dat zeker de laatste geschiedkundige die deze verouderde these nog mocht aanhangen heeft overtuigd. Jensens boek is juist een welkome aanvulling vanuit de literaire hoek.

Het merkwaardige is verder dat heel veel van de genoemde literaire uitingen pas na 1813 zijn gepubliceerd. Men vlamde dus wel tegen Napoleon, maar veilig onder de korenmaat. Ongetwijfeld was dit te wijten aan de censuur, die terecht uitgebreid wordt besproken. Daarbij blijkt wel dat deze nogal varieerde in gestrengheid en effectiviteit. Maar de dichters waren kennelijk toch wel bang genoeg om heel voorzichtig op te treden. Immers, ook al kwam een boek langs een minder oplettende censor, daarna was er altijd de politie nog!

De meeste gedichten werden voorgedragen in de kleine kring van genootschappen. Jensen noemt dit moedig. Maar wat zij daarbij over het hoofd ziet, is dat juist deze genootschappen een wettig middel hadden om zich tegen spionnen te beveiligen. Dat was de ballotage. Omdat de dichters zelden of nooit in de problemen kwamen, heeft deze sociale barrière naar het zich laat aanzien goed gewerkt. Pas echt zal dat duidelijk zijn, als ook de niet gedrukte ‘politieke’ productie van deze gremia in een onderzoek wordt betrokken. Werkelijk moedig was de door Jensen beschreven acteur Frits Rosenveldt, die vanaf het toneel in de Rotterdamse schouwburg zijn stem verhief. Hij is pas na lange omzwervingen in Franse gevangenissen in Nederland teruggekeerd, waar Willem I hem vorstelijk heeft beloond.

Zo zijn er nog wel meer vragen rond de maatschappelijke en historische context waarin het ‘literair activisme’ vorm moest krijgen. Jensen maakt een nogal scherp onderscheid tussen de periode van Lodewijk Napoleon en van de inlijving. De koning zou erg gewaardeerd worden, meldt zij op basis van één bron, de Harderwijkse hoogleraar Jan ten Brink, die niet zo dicht bij het vuur zat. In werkelijkheid zaten er enorme verschillen in de beoordeling van Lodewijk Napoleon door de bestuurlijke elite, de ex-patriotse en ex-orangistische middenlaag en het ‘gewone volk’. In zijn bestuurlijke optreden was de koning helemaal niet zo’n gemakkelijke jongen en hij zou geleidelijk aan het Franse systeem ook hebben ingevoerd.

Het is intussen wel bekend dat de ogen van veel leden van de nieuwe bestuurlijke elite pas voor de ware aard van Napoleon werden geopend, toen hun eigen zonen aan de beurt waren voor de garde d’honneur. De vraag is eerder hoe deze late reactie zich heeft verhouden tot de activiteiten van de besproken poëten. Is er verandering in de genootschappen waarneembaar? Men zal daar mogelijk heel wat ontvankelijker zijn geworden voor de dichterlijke kritiek. Maar daarop gaat  Jensen niet in. Wel signaleert zij dat de censuur op toneelstukken tijdens de inlijving aanmerkelijk strenger werd. Was de bezetter minder zeker geworden van de door hemzelf benoemde elite?

Jensen noemt verder veel interessante voorbeelden van helden en heldinnen uit de vaderlandse geschiedenis en van symbolen zoals de leeuw, die al vroeg in de gedrukte literatuur werden gebruikt. Een beproefde manier om eigenwaarde van het lezende publiek te vergroten. Het was de spionnen van de keizer blijkbaar ook opgevallen, want hij gebruikte het argument als stok om de hond te slaan toen hij zijn broer in 1809 ernstig begon te kleineren.

NapoleonTen slotte meent de auteur: ‘Tegenwoordig wordt de erfenis van Napoleon vooral in de juridische sfeer gezocht, maar onbedoeld leverde hij zo ook een substantiële bijdrage aan het ontluiken van een nationaal Nederlandse zelfbesef’. Beide elementen van deze uitspraak zijn merkwaardig. Ze sluiten weinig aan bij de historiografie. Daarin wordt niet alleen het volle pond gegeven aan Lodewijk Napoleon en zijn keizerlijke broer als bevorderaars van wetenschap en kunst, maar ook, zoals onlangs nog door Jeroen Koch in zijn biografie van koning Willem I (2013), aan zijn invloed als staatkundig hervormer. Koch, om maar bij hem te blijven, signaleert ook terecht dat het natiebesef nu juist niet zo sterk was in het post-napoleontische Europa.

De algehele conclusie van het boek is dat er een fel cultureel protest tegen Napoleon gaande was, dat niet mag worden afgedaan als ‘het verzet van een handjevol intellectuelen dat ver boven het gewone volk stond’. De betrokken schrijvers waren immers ‘actieve, betrokken’ burgers. Zij weerspiegelden de emoties van de gewone burgerij. Dat laatste lijkt me waar te zijn, maar deze felle, actieve burgers lieten zich niet doodschieten, zoals leden van het “volk” bij het conscriptie-oproer in Oud-Beijerland. Verre van dat, ze bleven ruim binnen de perken van het in die tijd mogelijke.

Joke Roelevink, Huygens ING

 

Lotte Jensen, Verzet tegen Napoleon. Vantilt, Nijmegen, 2013. ISBN 978 94 6004 125 9

Reageer