Marginal Scholarship: the Practice of Learning in the Early Middle Ages (c. 800-c.1000) is een NWO-VIDI project dat geleid wordt door Prof. dr. Mariken Teeuwen, en waarin twee onderzoekers werkzaam zijn: Dr. I. van Renswoude en Drs. E. Steinova. Het project loopt van april 2011 tot april 2016, en is nu dus zo’n beetje op de helft. In deze bijdrage licht Mariken Teeuwen toe wat de belangrijkste bevindingen zijn tot nu toe.

Wie tegenwoordig aantekeningen tegenkomt in een nieuw boek fronst meestal de wenkbrauwen: we horen niet in boeken te schrijven, of te strepen, of (nog erger) met een markeerstift passages eruit te lichten. We zijn opgevoed met het idee dat het boek daarvoor te kostbaar is; anderen, na ons, moeten het ook nog kunnen gebruiken.

Als we teruggaan in de geschiedenis naar de wereld van het handgeschreven boek, dan zien we dat deze houding daar volledig anders is. In vele middeleeuwse handschriften is de ruimte rondom de tekst (zowel de marge als de ruimte tussen de zinnen) volledig benut om informatie aan de hoofdtekst toe te voegen (afbeelding 1). Sterker nog: de pagina is soms speciaal zo ingericht dat er ruimte is voor secundaire tekst. Zoals voetnoten standaard onderdeel zijn van een modern academisch boek, zo worden de schutbladen, de marges en de interlineaire ruimte ingericht voor toegevoegde tekst. De marges worden voorzien van liniëring, de ruimte tussen de zinnen wordt extra groot gemaakt, zodat er gemakkelijk aantekeningen tussen passen.

juvenalis

Afbeelding 1: Leiden, UB, BPL 82: Satiren van Juvenalis met commentaar (foto Mariken Teeuwen, Copyright UB Leiden)

In Marginal Scholarship houden we dit fenomeen tegen het licht: we vragen ons af of er patronen te ontdekken zijn in het maken van aantekeningen in de witruimte’tussen en rond teksten. Zijn er bijvoorbeeld genres aan te wijzen waarbij annoteren altijd gebeurt (zoals, bijvoorbeeld, schoolteksten: grammatica’s, traktaten over de artes liberales of de werken van antieke dichters), en zijn er genres waarbij het niet gebeurt (bijvoorbeeld liturgische boeken, of werken van contemporaine auteurs)? Zijn er kloostercentra aan te wijzen waar de praktijk van het annoteren een hoge vlucht neemt, en vanwaar annotatie-tradities zich verspreiden? Gebruiken de schrijvers van annotaties speciale technieken om te annoteren, en zo ja, wat is dan de functie van die technieken? Hoe zit het met regionale en chronologische verschillen?

Om het fenomeen van marginale annotatie in kaart te kunnen brengen hebben we met hulp van de ontwikkelafdeling van Huygens ING een database ontwikkeld, waarin we gegevens over handschriften uit de negende, tiende en elfde eeuw verzamelen. Deze database (een zogenaamde faceted-search-database) bestaat uit een grote hoeveelheid velden, die steeds als filter kunnen dienen voor een zoekactie. Zo kunnen we het veld ‘herkomst’en het veld datering met elkaar combineren, om te kijken wat er zoal in Corbie (Noord-Frankrijk) geproduceerd werd in de negende eeuw, en wat voor marginale fenomenen we in die handschriften tegenkomen. We kunnen ook het veld auteur = Priscianus’en herkomst annotatie = Noord Frankrijk combineren, om specifiek te speuren naar antwoorden op meer gedetailleerde onderzoeksvragen. De velden zijn geschaard onder drie noemers: ‘codex unit’, ‘text unit’ en ‘margin unit’.

Voor het beschrijven van de ‘codex unit’ grijpen we terug op de alom bekende modellen die door Jos Hermans en Peter Gumbert zijn beschreven en verfijnd, en die grotendeels overeenkomen met de (betere) catalogi van handschriftenverzamelingen. Voor de ‘text unit’ verzamelen we gegevens zoals titel, auteur, datering, en genre. De observaties in de categorie ‘margin unit’ zijn geheel door ons vorm gegeven. In deze categorie verzamelen we gegevens over datering, mogelijke annotator(s) en uiterlijke kenmerken (bijvoorbeeld: vinden we in de marge tekeningen of diagrammen, muzieknotatie, nummers of steekwoorden, tekens zoals het nota-teken, of kritische tekens zoals obelus, asterisk, chrisimon, etcetera) (afbeelding 2). We proberen de functie van de annotaties te duiden en de verschillende lagen te beschrijven.

martianuscapella

Afbeelding 2: tekeningen in Leiden, UB, VLF 48: Martianus Capella, De nuptiis (foto Mariken Teeuwen, Copyright UB Leiden)

In de database, die ons gezamenlijk onderzoeksinstrument vormt, hebben we  tot nu toe de gegevens van verschillende collecties verzameld: een honderdtal handschriften uit negende-eeuws Freising (Zuid-Duitsland), de volledige collectie handschriften uit achtste-eeuws Lorsch (Zuid-Duitsland), een twintigtal handschriften uit negende-eeuws Corbie, en een twintigtal handschriften uit de negende en tiende eeuw uit de collectie van de Universiteitsbibliotheek Leiden. Het is de bedoeling dat de handschriften uit Corbie verder worden uitgebreid, dat de handschriften uit het Franse Laon,  Auxerre en Fleury worden toegevoegd, en nog een dertigtal handschriften uit de Leidse UB. Eventueel worden ook de handschriften uit het negende-eeuwse Regensburg nog toegevoegd. We beseffen dat een volledige dataverzameling niet haalbaar is, maar hopen aan het eind van het project  over een dataverzameling te beschikken die representatief genoeg is om er patronen mee te signaleren en beschrijven.

Naast het werk aan de database, heeft iedere onderzoeker in het project haar eigen focus. In mijn eigen onderzoek analyseer ik hoe kennisproductie en kennisoverdracht in zijn werk ging. Het traditionele beeld van de Karolingische periode is dat van een conservatieve periode, in essentie gericht op het behoud  van (laat-)antieke en vroegchristelijke werken en het van hogerhand scheppen, stimuleren en afdwingen van één identiteit, één dogma, één liturgie, één taal en één schrift. De marges van handschriften echter laten zien dat het streven naar eenheid juist een enorme creativiteit, diversiteit en discussie teweeg bracht. We vinden er spannende nieuwe methodes om kennis te abstraheren tot diagrammen, systemen om kennis te ordenen en klaar te maken voor export naar andere contexten, om verschillende autoriteiten samen te brengen op één pagina en om conflicterende uitspraken zichtbaar te maken. Die methodes vloeien voort uit antieke methodes, en hebben hun vervolg in de latere periodes van de middeleeuwse universiteiten. In mijn onderzoek probeer ik de balans tussen continuïteit en verandering precies te analyseren.

Evina Steinova concentreert zich op het gebruik van tekens in de marge: de zogenaamde Aristarchische tekens (vernoemd naar hun vermeende uitvinder: de Alexandrijnse geleerde Aristarchus van Samothrace), die in het oude Alexandrië gebruikt werden voor filologie en tekstkritiek (afbeelding 3). Het wordt algemeen aangenomen dat beschrijvingen van het op deze wijze annoteren van teksten weliswaar zijn overgeleverd in middeleeuwse handschriften, maar dat dit een ‘dode traditie’ is, die niet meer werd toegepast na de verwoesting van de bibliotheek van Alexandrië in de vierde eeuw na Christus. Als we echter de marges van middeleeuwse handschriften bestuderen, blijkt dat de tekens allesbehalve dood zijn. Integendeel: zowel het gebruik van de tekens zelf als theoretische verhandelingen over hoe de tekens te gebruiken zijn springlevend in deze periode. Steinova analyseert de historische wortels van de verschillende tekensystemen die we in de Karolingische periode in de marges aantreffen, en hoe deze systemen steeds werden aangepast aan de behoeftes van de Karolingische geleerden. Dit maakt de tekens een krachtig onderzoeksinstrument voor de analyse van de geleerde praktijk in de vroege middeleeuwen.

bibliothequenationale

Afbeelding 3: lijst van tekens in Paris, Bibiliothèque Nationale de France, Latin 4841 (foto Evina Steinova, Copyright BnF)

De centrale thema’s van het onderzoek van Irene van Renswoude zijn debat en censuur. De negende eeuw wordt gekenmerkt door een door het hof gestuurde zoektocht naar eenheid in religie en dogma, die zich uitte in een reeks van openbare debatten en discussies over onderwerpen zoals de aard van de drie-eenheid, of de juiste interpretatie van het concept predestinatie (is de mens bij de geboorte al voorbestemd voor goed of kwaad, of hebben we nog iets aan de vrije wil? ), of over het al dan niet bestaan van de hel. Tijdens openbare debatten, maar ook in briefpolemieken leunde men sterk op gezaghebbende uitspraken van vroegchristelijke kerkvaders. De handschriften waarin vroegchristelijke autoriteiten zijn overgeleverd laten sporen zien van intensieve studie: Karolingische geleerden waren bezig passages en citaten te verzamelen om eigen dossiers te kunnen samen stellen die hun positie in het debat zouden ondersteunen. Daarnaast zien we sporen van kritiek: onorthodoxe stellingnames van de tegenstander worden verworpen door middel van tekens of opmerkingen (afbeelding 4). Het is hierbij opvallend dat de teksten van de ‘verliezers’ in het debat, die aan de verkeerde kant van de orthodoxie terechtkwamen, niet werden vernietigd, maar juist werden gekopieerd, zij het met waarschuwingen aan het adres van de lezer. Deze nieuwe visie op religieus debat en autoriteit zullen verder worden geëxploreerd in diverse artikelen.

agobard
Afbeelding 4: Parijs, Bibliothèque Nationale de France, Latin 2853, Agobard, Contra Felicem, met afkeurende uitroepen in de marge: ‘Heu’ (Ach), ‘Male’ (Slecht), ‘Pessime’ (Slechtst) (Foto Gallica.bnf.fr, copyright BnF)

Samenvattend kunnen we zeggen dat de stemmen van de zijlijn in vroegmiddeleeuwse handschriften een beeld opleveren van een dynamische en rijke wereld, waarin oude methoden en technieken om met teksten en kennis om te gaan nog springlevend zijn, maar waarin ook nieuwe methoden en zienswijzen worden ontwikkeld. De zoektocht naar één universele religieuze identiteit leidt niet uitsluitend tot een cultuur van onderdrukking en censuur, maar biedt soms ook ruimte aan openlijk debat, waarin natuurlijk wel, uiteindelijk, de hoogste autoriteit de juiste uitkomst bepaalt. In de marge kunnen we echter meningen aantreffen die niet altijd overeenkomenmet die van de hoogste autoriteit, zoals de opvattingen van de verliezers in een theologisch debat en de tegendraadse visie van politieke dissidenten. Ook lezen we in de marge welke teksten of thema’s belangrijk gevonden werden, en hoe ideeën werden overgenomen, veranderd of verworpen. Hiermee blijkt de marge een rijke bron voor de bestudering van de intellectuele geschiedenis.

 

Mariken Teeuwen, Huygens ING

2 reacties op “Het handschrift als spiegel van de gedachten”

  1. [...] Prof. dr. Mariken Teeuwen over de belangrijkste bevindingen van het project tot nu toe: Marginal Scholarship: the Practice of Learning in the Early Middle Ages (c. 800-c.1000). Een NWO-VIDI project wat loopt van april 2011 tot april 2016, en nu dus zo’n beetje op de helft is. Lees verder op Textualscholarship.nl [...]

  2. [...] In vele middeleeuwse handschriften is de ruimte rondom de tekst (zowel de marge als de ruimte tussen de zinnen) volledig benut om informatie aan de hoofdtekst toe te voegen. Sterker nog: de pagina is soms speciaal zo ingericht dat er ruimte is voor secundaire tekst.  [...]

Reageer