Jan Wolkers deed kort voor zijn dood een profetische uitspraak toen hij zijn biograaf Onno Blom toegang gaf tot zijn persoonlijke archief op Texel: ‘Arme Onno. Bloed, zweet en tranen zullen langs zijn rug lopen.’ Sindsdien ploegt Blom door twee tuinkamers vol ordners, mappen, filmblikken, foto’s en archiefkasten, op zoek naar materiaal voor zijn biografie van Wolkers…

Bloms monnikenwerk op Texel leverde hem al genoeg materiaal op voor enkele boeken over de beeldhouwer-schilder-schrijver. Maar die biografie liet nog even op zich wachten. Nu is hij op het Huygens ING begonnen met het schrijven van de eerste hoofdstukken. Tijd om bij hem eens polshoogte te gaan nemen.

Je onderzoek op Texel heeft al verschillende boeken over Wolkers leven en werk opgeleverd. Wat drijft je ertoe om nu ook die ‘definitieve’ biografie van Wolkers te schrijven?

‘Het was andersom. Ik aanvaardde de opdracht om de biografie te gaan schrijven. Daarna overleed Wolkers vrij snel en publiceerde ik het kleine requiem Zo is het genoeg, over het laatste jaar van Jan Wolkers. Ik begon niet aan het begin, maar aan het einde.

Zo kwam er steeds iets op mijn pad. Het verzoek om een jaar na zijn dood een tentoonstelling van het beeldende werk van Wolkers in te richten in De Lakenhal in Leiden en daarbij de catalogus te schrijven: Marszwart & titaanwit.

Nederland,  24-7-07. Texel. Jan Wolkers en Onno Blom. Foto: Werry Crone
Jan Wolkers en Onno Blom op Texel. Foto: Werry Crone (copyright)

Tegelijk vroeg De Bezige Bij me om Wolkers’ Verzamelde Gedichten samen te stellen. Dat dwong me om het archief door te spitten op ongepubliceerde gedichten – en daar vond ik er ook nogal wat van. Dat dwong me ook om voor mijn verantwoording goed na te denken wie nu bijvoorbeeld de grote dichtershelden van Wolkers waren geweest. Wat de plek van de gedichten in zijn oeuvre waren, wat de achtergrond was van het allereerste gedicht dat hij had geschreven. ‘Uit Parijs’ heet het vol bravoure, afkomstig uit 1943, een dromerig jongensgedicht dat Jan had geschreven toen hij nog nooit buiten Leiden en Oegstgeest was geweest.

Daarna heb ik de brieven bezorgd die Wolkers schreef aan Annemarie Nauta, zijn tweede vrouw, die model stond voor Olga in Turks fruit. Of eigenlijk had Wolkers die zelf voor me klaar gelegd: in een envelop gericht aan zijn uitgeverij, de Bezige Bij, die hij ook ooit opstuurde, maar de dag erna alweer terug liet sturen. Dat boek verschafte me inzicht in de verhouding tussen Jan en Annemarie én leerde me Annemarie zelf kennen. Zij was – en is wellicht – een mythische figuur, die echt bleek te bestaan en bereid was mij veertig jaar na haar huwelijk met Wolkers te ontvangen.

Zo maakte ik steeds andere uitsneden uit het archief, schoot ik heen en weer in de tijd en koos ik steeds andere thema’s. Overigens brachten die mij steeds terug op het spoor van de hele persoonlijkheid en geschiedenis van mijn held. Toen ik begon te werken aan mijn boek over Wolkers en Texel, De Tarzan van de schapen, bereidde ik mij voor op een boek dat aan het einde van de jaren zestig zou beginnen, de eerste keer dat Wolkers op het eiland kwam. Maar het ging veel verder terug. Ik kwam tot de conclusie dat de eerste keer dat Wolkers op Texel kwam in een boek was: het Verkade-album Texel van Jac. P. Thijsse. Zo werd dat boek ook een zoektocht naar de oorsprong van Wolkers’ liefde voor de natuur.

Je zou misschien denken dat ik zo mijn kruit al heb verschoten, maar niets is minder waar. Het leeuwendeel van het materiaal over het leven en werk van Jan Wolkers heb ik nog helemaal niet gebruikt. Mijn vorige studies naar Wolkers vormen een opmaat voor de biografie. Ze hebben me steeds een stapje verder gebracht bij het doorgronden van ‘de hele mensch’. Onno gaat rechtop zitten. ‘Er zitten echt nog heel veel krenten in de pap. Een voorbeeld? Ik heb in het archief een aantal van de allereerste, ongepubliceerde verhalen van Wolkers gevonden, geheel in de sfeer van de door hem bewonderde Edgar Allen Poe. En het typoscript van De hittegolf, de onvoltooid gebleven roman over de arbeidersopstand in Amsterdam in de bloedhete zomer van 1966. Of Wolkers’ correspondentie gevonden met zijn eerste vrouw Maria, de moeder van zijn dochtertje Eva [model voor het meisje dat zo tragisch omkwam in Een Roos van vlees, red.]. En zo is er nog veel meer.’

 Heb je nagedacht over een bepaalde invalshoek van je biografie?

Onno Blom zwijgt even. ‘Natuurlijk heb ik dat gedaan… Mijn boek bevond zich van meet af aan op de snijvlak van feit en fictie. Het is een echte kunstenaarsbiografie over leven en werk. Maar ik vind het jammer om heel uitgebreid te praten over iets dat nog niet helemaal af is in mijn hoofd. Kijk… het schrijven van een boek is ook nadenken over dat boek. Het is een doorlopend proces. Ik heb er wel bepaalde ideeën over, bijvoorbeeld over de indeling van het leven van Wolkers langs de lijnen van bepaalde belangrijke personen en gebeurtenissen. Ik weet hoe ik mijn verhaal ga beginnen, wat mijn uitgangspositie is. Maar ik zou het jammer vinden die nu al te verklappen. De structuur van een biografie is wezenlijk. Alleen als verhaal is het verteerbaar. Daarbij zoek ik zowel naar eenheid als diversiteit. Je kan je hoofdpersoon niet louter kenschetsen op de negentiende-eeuwse, lineaire manier. Het portretteren van een moderne kunstenaar geeft nu eenmaal een versplinterd beeld: Wolkers was, zoals velen, een vat vol tegenstellingen.’

Wat houdt je na al die jaren van onderzoek en schrijven naar en over Jan Wolkers gemotiveerd?

‘Daar hoef ik geen enkele moeite voor te doen. Wat me blijft motiveren is dat ik voortdurend nieuwe dingen ontdek. Je zou mijn onderzoek en het schrijven kunnen vergelijken met het opzetten van een zeventiende-eeuws schilderij: laag op laag op laag. Het schilderij wordt steeds completer en als het goed is ook steeds mooier. In ieder geval in mijn hoofd,’ zegt Blom lachend. ‘Hoe meer je van iemand weet, hoe leuker het wordt om weer iets nieuws te vinden. Alles over je personage is van belang. Ik wil elke snipper tekst en verfspat zien en begrijpen en plaatsen binnen het grote perspectief om zo tot een rijke kleurenschakering te komen. Om een voorbeeld te noemen: ik kan erg genieten van de passages in Wolkers dagboeken over zijn volkstuintje in Amsterdam. Dan zie je het jongetje weer terug dat Jac. P. Thijsse las en plantjes determineerde, met volle teugen genoot van de natuur. Nee, ik ben zeker niet bezig om hem te ‘debunken’ of op zogenaamde fouten te betrappen zoals Van Straten dat deed in zijn biografie over W.F. Hermans. Van Straten stelde zich op als een grotere schoolmeester dan Hermans zelf. Dat vind ik helemaal niet interessant.’

Ervaar je het niet als een last  om een biografie te schrijven over iemand die je zo goed kende? Je zult ongetwijfeld ook minder leuke kanten van Wolkers hebben leren kennen.

‘Het is zoals het is. Ik kan niet doen alsof ik Wolkers niet heb gekend. Ik leerde hem kennen toen ik ging werken als adjunct-uitgever bij De Bezige Bij. We bleken het uitstekend te kunnen vinden. Toen ik na een aantal jaren weer vertrok bij De Bij heeft Jan me uitgenodigd om te komen praten. In dat gesprek kwamen we op hetzelfde moment tot dezelfde conclusie: ik moest zijn biografie gaan schrijven. Dat ik er ook werkelijk aan ben begonnen is te danken aan de ruimhartigheid van Wolkers. Hij heeft mij – een conditio sine qua non als je op een biografie wilt promoveren – exclusieve en volledige toegang tot zijn persoonlijke archief gegeven. En hij zag af van het privilege om de tekst vooraf te lezen en hem onwelgevallige passages te schrappen. Mijn biografie kan in volledige vrijheid ontstaan.

Maar het klopt: vanaf het moment dat ik naar Texel kwam om aan mijn boek te werken, ontving ik óók liefde en vriendschap. Jan belde mij elke dag op. Wat kon ik doen? De vriendschap weigeren? Welnee. Want wat is nou eigenlijk altijd de hoofdvraag die alle biografen zich stellen over de held van hun boek: wie was hij nu werkelijk? wat dreef hem? Dat ik de kans heb gekregen om in het persoonlijke contact meer dan een glimp van zijn drijfveren op te vangen beschouw ik als een voorrecht. Mijn vriendschap met Wolkers in de laatste jaren van zijn leven zal mijn boek juist rijker maken. Sterker nog, ik had liever dat hij er nu nog was. Voor hemzelf in de eerste plaats. En uit naam van de vriendschap. Maar ook omdat ik nu als biograaf met allerlei vragen zit die ik graag door hem beantwoord had willen hebben.

Ik kan je zeggen dat ik nog geen dag spijt heb gehad dat ik de opdracht heb aanvaard de biografie van Wolkers te schrijven. De afgelopen jaren zijn omgevlogen. Nog elke dag heb ik het gevoel dat ik te weinig tijd heb om alle indrukken goed tot me te laten doordringen. Nee, spijt krijg ik pas op de dag dat ik promoveer,’ zegt hij lachend.

Wolkers zei ooit eens: “Alles wat ik heb gepubliceerd, is uit noodzaak geschreven.Kan jij je vinden in die uitspraak, ook wat betreft je eigen publicaties?

‘Ja. Jan Wolkers móest de kernervaringen uit zijn leven vormgeven. Hij kon niet anders. En dan niet volgens het cliché dat hij het van zich af heeft geschreven, maar eerder dat hij het naar zich heeft toegehaald. Die ervaringen heeft hij…’ Blom denkt even na, ‘…gesublimeerd. Zijn werk was een manier om de werkelijkheid te bezweren. Dat herken ik wel. Mijn leven en werk vallen ook samen – ook al stel ik mijn eigen werk op geen enkele manier gelijk aan dat van Wolkers – en dat is ook voor mij eigenlijk de enige manier om te bestaan. Zonder dat zou ik alles maar saai en dor vinden. Dan zou ik me voor het eerst van mijn leven gaan vervelen.’

 

Milo van de Pol, Huygens ING

Met dank aan Onno Blom

 

 

 

 

 

 

 

Reageer