Op 15 december 2009, een bitterkoude dinsdagvoormiddag, was het verzamelen geblazen in Het Pand, het congrescentrum van de Universiteit Gent, voor de workshop ‘Bestuderen van de Paratekst: Zin of onzin?’ Charlotte Cailliau doet verslag.

In het totaal hadden zo’n 40 studenten, promovendi en gepromoveerde onderzoekers zich aangemeld om in eerste instantie te luisteren naar presentaties van enkele prominente sprekers en om daarna van gedachten te wisselen.

Yves T’Sjoen (Universiteit Gent) opende de dag met de vaststelling dat de paratekst in het teksteditorisch onderzoek te weinig aandacht krijgt. De epitekst en de peritekst verdienen meer consideratie, zoals hij met talrijke voorbeelden aantoonde. Daarnaast wees hij op het nieuwe fenomeen van de digitale omgevingen, vaak opgezet door de auteurs zelf, die ook als paratekst zouden kunnen dienen. Eén van de voorbeelden die hij daarbij aanhaalde, was de website van de dichter Tonnus Oosterhoff. Aan de hand van receptieonderzoek zou vervolgens de impact van paratekstuele elementen kunnen verduidelijkt worden.

Dirk van Hulle (Universiteit Antwerpen) had het over de opdrachten in het werk van Samuel Beckett. Onder meer aan de hand van de elektronische editie van Becketts Stirring still/Soubresauts demonstreerde hij dat de status van die onderdelen van de peritekst niet altijd ondubbelzinnig is. Op die manier verklaarde hij ook wat voor hem de functie is van de peritekst, namelijk een brug vormen tussen tekst en ‘avant-texte’. Aan het einde van zijn presentatie noemde hij de ‘avant-texte’ zelfs een onderdeel van de peritekst. De peritekst vestigt de aandacht zowel op de figuur als op de vaas, zoals hij met de bekende ‘face or vase’ figuur illustreerde.

Marita Mathijsen (Universiteit van Amsterdam) had het over Het huis Lauernesse van A.L.G. Toussaint (1840) en dan vooral over hoe editeurs met de peritekst van historische romans zouden moeten omspringen. Ze merkte immers op dat die in edities vaak achterwege wordt gelaten. Nochtans behoort de peritekst ook tot de uitgave en kan het aanreiken ervan helpen bij het verwerken van het verleden. In een editie zou zonder uitzondering bijvoorbeeld een facsimile van de titelpagina moeten worden opgenomen en een editeur zou in een hoofdstuk van het commentaargedeelte de peritekst (zoals lettertype, vignet en voorwoord) moeten bespreken.

Koen Rymenants (Katholieke Universiteit Leuven) begon met een korte bespreking van het artikel ‘Seuils, vingt ans après’ van Andrea Del Lungo dat onlangs in het tijdschrift Littérature verscheen. Daarin stelt Del Lungo dat Seuils van Gérard Genette (verschenen in 1987 en vertaald als Paratexts) snel uitgegroeid is tot een echt standaardwerk als het aankomt op het bestuderen van de paratekst en daardoor nauwelijks voorwerp is geweest van discussie. Nochtans worden er in Seuils door Genette amper teksten daadwerkelijk geanalyseerd, waardoor de methodologie in het ijle blijft hangen.

Voor Rymenants is de peritekst een vorm van commentaar die de receptie en interpretatie van de tekst stuurt, zoals de titel De Verlossing van Willem Elsschots roman aantoont. Die titel wekt enerzijds bepaalde verwachtingen op over de inhoud van de roman en geeft anderzijds na lectuur een ironische commentaar op de roman. Daarnaast merkte Rymenants nog op dat niet alle elementen van de peritekst dezelfde status hebben. Titel en auteursnaam vallen bijvoorbeeld nooit weg bij herdrukken, terwijl voorwoorden en motto’s dat risico wel lopen. De editeur zou de wijzigingen in en toevoegingen aan de peritekst moeten documenteren, als dat kan, aan de hand van facsimiles. Die zijn voor literair-historici immers een handig hulpmiddel en mogen dus niet ontbreken in een editie.

Marc van Zoggel (Huygens Instituut/Vrije Universiteit Brussel) had het over het pseudoniemengebruik van W.F. Hermans en hoe deze auteur aan verhulling en suggestie deed. Aan de hand van enkele voorbeelden gaf hij aan hoe een editeur daarmee om kan gaan. Als onderzoeksassistent aan het Huygens Instituut (Den Haag) bij het grote project Volledige Werken van Willem Frederik Hermans kon hij uiteraard een interessant licht werpen op die problematiek.

Na de lezingen en aan het einde van de studiedag was er gelegenheid voor de deelnemers om vragen te stellen. De workshop werd afgesloten met een feestelijke borrel.

Charlotte Cailliau

Reageer