Januari 2010: Bert Van Raemdonck kiest een opmerkelijke brief van Karel van de Woestijne aan Emmanuel de Bom, als voorproefje van de door hem bezorgde uitgave van de briefwisseling Niks geniaal vandaag, die eind deze maand verschijnt.

Een neerslachtige, treurige dichter. Dat is zowat het imago waarmee Karel van de Woestijne de literatuur- geschiedenis is ingegaan. Hij zou een immer zwaarmoedige, stroeve en bijna autistische schrijver zijn geweest. Een eenzaat die met een wazige blik op een nevelig landschap de ene diepe gedachte na de andere produceerde.

Een groot deel van zijn poëzie bevestigt zijn imago, en toch klopt het beeld dat we van Van de Woestijne hebben overgehouden niet. Of toch niet helemaal. In zijn journalistieke werk, maar ook in zijn brieven, toont hij zich immers van zijn meest empathische en luchthartige kant. Zeker in zijn correspondentie met Emmanuel de Bom is de toon vaak jolig, de stijl erg speels en de inhoud soms zelfs banaal. Dat laatste geldt dan weer niet voor het geheel van de correspondentie, die een schat aan bi(bli)ografische feiten over de beide correspondenten blootlegt, en die ook een erg gevarieerd beeld schetst van de culturele, politieke, sociale en artistieke context waarin ze tot stand is gekomen.

De grote portie guitigheid in de briefwisseling tussen Van de Woestijne en De Bom neemt natuurlijk niet weg dat er nogal wat fysieke en emotionele problemen in worden vermeld. In mindere of meerdere mate was een zekere vorm van ‘neurasthenie’ bij Van de Woestijne voortdurend sluimerend, en daarnaast staken ook talloze zweren, verkoudheden, ‘tipogen’, ontstekingen en andere pijnen voortdurend de kop op. Het is echter door de amusante, ironiserende manier waarop Van de Woestijne die ongemakken ter sprake brengt, dat hij zijn imago van de klagerige hypochonder zelf tenietdoet.

De hier afgedrukte brief, daterend uit de eindejaarsperiode van 1913, is wat dat betreft

in alle betekenissen van het woord tekenend.

Van de Woestijne legt er uitvoerig in uit wat hem allemaal verhinderde om samen met De Bom de overgang naar het eerste oorlogsjaar te beleven:

een veeleisende grootmoeder, een aanwezige schoonmoeder en bovenal een pijnlijke ‘bakkeskoude’.

Het zelfportret, met stoppelbaard en een gezwollen wang met allerlei ‘inwendige abcessen’, krijgt u er zomaar bij.

Bert Van Raemdonck


Karel van de Woestijne aan Emmanuel de Bom
[Laken, 22 december 1913]

Verleidelijke Vrienden,

Ik dank u van harte voor ’t compliment over mijne epistolaire schrijfkonste. Men heeft goed het volle bewustzijn te bezitten van zijne macht en vermogens: dezelfde geprezen te hooren door een meester in het vak doet altijd plezier. En wij verhoopen van u hetzelfde. – Maar mij was het, neem mij niet kwalijk, om den inhoud te doen. En dien inhoud kan ik hier niet anders doen dan bevestigen. Te meer dat, bij grootmoeder en schoonmoeder,1 zich een nieuw argument is komen voegen, waarvan gij hierin-gesloten een afbeeldsel vindt.2

Wat stelt deze teekening vòor? Zij stelt het conterfeitsel voor van uw geachten vriend Karel van de Woestijne. Het haar en den neus zult gij onmiddellijk herkend hebben, en zelfs den zoo karakteristieken mond van ontgoochelden gast. Maar verbluft staat gij, merk ik met het oog der verbeelding op, te kijken op het gebrek aan lip- en kinhaar. Ik zal het u zonder omwegen verklaren: het is nu drie weken geleden dat zij het moesten afleggen voor het scheermes van den schilder Gustaaf v.de Woestyne, die wilde zien of ik een Grieksch profiel had.3 Hewel, ik heb er geen. Maar ik heb, integendeel, tandpijn.

Want beschouw, bid ik u, hierbovenstaand portret van wat naderbij. Gij bemerkt dat het onderaan versierd is met tallooze zwarte stippels, die er zijn, niet om de teekening door te doen gaan voor een meesterstuk van ons medelid Emiel Claus, maar (zooals Jan van Eyck dat deed) om een stoppelbaard te verbeelden. En waarom, vraagt gij, dien stoppelbaard? Omdat ik in geen vijf dagen uit mijn huis ben geweest, en dus ook niet bij den barbier. En waarom ging ik niet? Bezie den anderen kant van het portret.

Gij zult er disproportie vinden tusschen de wangen, eenvoudig omdat de eene buitenmatig gezwollen is, gezwollenheid die sedert diezelfde vijf dagen gepaard gaat met tandpijn. En niet alleen met tandpijn, maar met inwendige abcessen. Nauwelijks is het eene geopend en uitgezuiverd, of het andere begint. En alsof dat nog niet genoeg was: de wand van mijne wang is zeer gevoelig en pijnlijk. Moet dat allichte roos worden? Chi lo sa, gelijk Domela Nieuwenhuys zou zeggen…4 Intusschen maak ik er mij geen kwaad bloed in: ’k heb er al genoeg in mijn corpus. Maar het is heel vervelend, omdat het pijn doet en mij belet naar Calmpthout te komen.

Want ’s dokters bevel is natuurlijk: “thuis blijven! Gij hebt een bakkeskoude opgedaan (aldus is de wetenschappelijke naam van uw ziekte); vooral zorg dragen dus dat geen andere koude erbij komt. Want een homoiopaat ben ik niet!”

Ik kom dus op straat niet. En, gesteld dat ik toch op straat kwam: ziet gij mij, met mijne kaakalgie,5 de gewichtige partij van Amfortas zingen? Gij wilt toch Wagner niet beleedigen?6

Conclusie: ik blijf, helaas, thuis, terwijl Mariette hare kleinkinderlijke plichten gaat kwijten.7

En geloof wel dat al de spijt langs onzen dierbaren kant is.

Waarmede wij verblijven, Sirenen die ge zijt,

Uw boetende

Mariette en Karel.

En kom mij nu, alstemblief, niet meer spreken van mijn “vorm”: het ware tout bonnement wreed.8


Noten

1 Van de Woestijne bedoelt de grootmoeder en de moeder van zijn echtgenote, Mariette van Hende. De eerste verwachtte haar kleinkind in Gent, de tweede verbleef tijdens de feestdagen bij Van de Woestijne in Laken, die daardoor niet naar Kalmthout (bij De Bom) kon. (terug naar tekst)

2 In het midden van de voorzijde van de brief heeft Van de Woestijne een zelfportret getekend, met stoppelbaard en een gezwollen wang. (terug naar tekst)

3 Er bestaan foto’s uit 1912 waarop Van de Woestijne ook al zonder baard en snor te zien is. Er is overigens uit 1913 geen portrettekening van Karels schilderende broer Gustave van de Woestijne bekend, waarop hij zo is afgebeeld. (terug naar tekst)

4 ‘Chi lo sa?’: wie weet? De woorden werden bij Domela Nieuwenhuis niet teruggevonden. ‘Chi lo Sa’ is ook de titel van een jeugdgedicht van Van de Woestijne. Het verscheen in 1893 in twee tijdschriften: De Stormloop (jrg. 1, nr. 4, 26 februari 1893, onder het pseudoniem ‘C. der Woestenye’) en Land en Volk (jrg. 4, nr. 6, 15 april 1893, p. 60). Het gedicht is daar door de auteur zelf gedateerd op 13 december 1892. (terug naar tekst)

5 ‘Kaakalgie’: pijnlijke aandoening aan de kaak. (terug naar tekst)

6 Amfortas is een personage uit Richard Wagners opera Parsifal (1882). In dat muzikale drama is Amfortas de bewaker van de graal. (terug naar tekst)

7 Zie noot 2. (terug naar tekst)

8 ‘Tout bonnement’: gewoon(weg). (terug naar tekst)