Nòg een academisch wintertafereel. Bram Oostveen en Marc van Zoggel over de papperige sneeuw tijdens ‘Filologie in de beroepspraktijk 1800-1900’, het symposium dat op 11 januari 2010 in Amsterdam plaatsvond.

Terwijl de sneeuw op de bepekelde klinkers langs de feeërieke grachten van lieverlede grauwer en papperiger werd, vergaderde een bescheiden menigte zich op 11 januari 2010 in het aan de Kloveniersgracht gelegen Trippenhuis om het symposium ‘Filologie in de beroepspraktijk 1800-1900’ bij te wonen. De centrale vraag was ‘welke materiële en ideële factoren de filologie in Nederland in onderlinge wisselwerking hebben bepaald’.

Prof.dr. Douwe Yntema, vice-president van de KNAW, opende het symposium. De eerste lezing, die door prof.dr. Wijnand Mijnhardt (Universiteit Utrecht) zou worden gehouden, en die op het programma stond aangekondigd onder de titel ‘Geschiedenis van disciplinevorming: een onmogelijke mogelijkheid’, verviel wegens ziekte van de spreker. Dit was erg jammer want de lezing had gezien het onderwerp de samenhang tussen de andere lezingen kunnen versterken. Gelukkig kon de uitstekende bijdrage van drs. Jan Rock (Universiteit van Amsterdam) een dergelijke rol ook vervullen.

Jan Rock maakte in zijn lezing ‘De lange lijnen van de filologie, of: de editeur die niet wil sterven’ een wandeling door de geschiedenis beginnend bij het hoogtepunt, het ‘succesverhaal’ van Jonckbloet en de zijnen rond het midden van de negentiende eeuw, teruglopend naar de allereerste Nederlandse editie: de Rijmkroniek (1591). De lange lijnen van de filologie gaan van een geprofessionaliseerd editievak dat zijn plaats heeft gevonden binnen de muren van universiteiten via genootschappen terug tot het werk van individuen.

Van links boven met de klok mee: W.J.A. Jonckbloet, J. ten Brink, G. Kalff en J. te Winkel. Bron: F. Baur, ‘Algemeene inleiding. De literatuur, haar historiographie en methodes’, in: F, Baur e.a. (red.), Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden, dl. I. ’s-Hertogenbosch-Brussel: Teulings’ Uitgevers-Maatschappij etc., [1939], t.o. p. LXIV.

Dr. Johannes Magliano-Tromp (Universiteit Leiden) zette in zijn lezing ‘Hoe de bijbelse filologie zich (niet) losmaakte van de theologie’ uiteen hoe in de negentiende-eeuwse theologie een historische benadering ingang vond naast de reeds bestaande theologische en filologische bijbelstudie. De historische richting wilde de in de Bijbel geopenbaarde wonderen op geschiedkundige wijze duiden. Op den duur werd deze richting echter, net als voorheen de filologische benadering, ondergeschikt gemaakt aan de theologische bijbelstudie.

In de lezing ‘Document en duiding. Over de relatie van filologie en geschiedenis’ van prof.dr. Wessel Krul (Rijksuniversiteit Groningen) kwam, zoals de ondertitel ook aangeeft, het vak geschiedenis aan bod. Aanvankelijk was geschiedenis ingebed in de filologie. Beiden liggen in elkaars verlengde, maar staan ook lijnrecht tegenover elkaar. In de negentiende eeuw wordt Nederlandse letteren een zelfstandige studie, maar geschiedenis nog niet. De nauwe verwevenheid van filologie en geschiedenis in de negentiende eeuw is niet altijd even gelukkig.

Na de lunch besprak dr. Gert-Jan Johannes (Universiteit Utrecht) in zijn lezing ‘De paradox van de vroege neerlandistiek: disciplinevorming als anti-disciplinevorming’ de verzelfstandiging van de neerlandistiek als wetenschappelijk vakgebied. Johannes zette uiteen hoe sinds de vroege neerlandistiek een conjectuurbeweging zichtbaar is met wisselende fasen van specialisering en generalisering. Daarbij is er steeds een spanning tussen disciplinevorming en maatschappelijke ondersteuning. Volgens Johannes zal met de tanende waardering voor de Nederlandse taal ook de neerlandistiek op den duur verdwijnen.

Dr. Marie-Christine Kok-Escalle ging in haar lezing ‘Tussen wetenschap en maatschappelijk belang. De professionalisering van het vreemde-taalonderwijs 1881-1921’ zeer uitvoerig in op de opkomst van het vreemde-taalonderwijs sinds de invoering van de nieuwe wet op het hoger onderwijs in 1876. Aanvankelijk was er aan het eind van de negentiende eeuw geen echte opleiding voor docenten, maar een groeiende bewustwording van het gemeenschappelijk belang van het leren van een vreemde taal bracht hier verandering in. Studie van een moderne vreemde taal werd steeds meer gezien als een belangrijk onderdeel van de algemene ontwikkeling.


V.l.n.r.: Julius Obrie, Max Rooses, E. Laurillard, Paul Fredericq, Jan ten Brink en H.J.A.M. Schaepman. Litho van Henricus, ‘Een laatste woordspeling’, in: De Nederlandsche Spectator van 29 augustus 1896.

In zijn lezing ‘Taalwetenschap als beroep. Een scheiding der geesten’ betoogde dr. Jan Noordegraaf (Vrije Universiteit Amsterdam) dat in de negentiende eeuw een scheiding plaatsvond tussen de klassieke filologie enerzijds en taalwetenschap en linguïstiek anderzijds. De taalwetenschap ontwikkelde zich uit de filologie tot een autonome wetenschap zonder de opgebouwde filologische expertise te veronachtzamen. Zoals Nietzsche schreef: ‘Man ist nicht umsonst Filologe gewesen.’

Dr. Ton van Kalmthout (Huygens Instituut) belichtte in zijn lezing ‘De stralenbundel van een veelkleurig spectrum. Vergelijkende letterkunde in de tweede helft van de negentiende eeuw’ de opkomst van de vergelijkende letterkunde – of: vergelijkende literatuurgeschiedenis – in de tweede helft van de negentiende eeuw in Nederland, en hij besprak welke omstandigheden die opkomst helpen verklaren. Hij concludeerde dat de vergelijkende letterkunde een hulpwetenschap bleef van de neerlandistiek, waaraan zij haar voorzichtige doorbraak voor een belangrijk deel te danken had. Zo konden letterkundige comparatisten een bescheiden tegengeluid laten horen tegen het zich steeds weer hernieuwende nationalisme en droegen zij ertoe bij dat de Nederlandse filologie een internationalere inslag kreeg.

In de afsluitende paneldiscussie, die onder leiding stond van dr. Huib Zuidervaart (Huygens Instituut), trachtten prof.dr. Joep Leerssen en prof.dr. Rens Bod (beiden Universiteit van Amsterdam) de vraag te beantwoorden wat er uit de historische beschouwingen te leren valt over de toekomst van de taal- en letterkunde als wetenschap. De heren wezen erop dat de alsmaar toenemende expertise van linguïsten en literatuurwetenschappers ervoor zorgt dat ze steeds verder uit elkaar groeien. ‘Filologie’ zou tegenwoordig nog in twee betekenissen voortleven. In brede zin als de studie naar hoe de mens zijn wereld vormgeeft – deze in historisch opzicht in Giambattista Vico belichaamde variant leeft nu in zekere zin voort in de historische en culturele antropologie – en in engere zin als het vervaardigen van edities van historische bronnen en teksten.

De dag werd afgesloten met een borrel.

Bram Oostveen &
Marc van Zoggel

Reageer