‘Vandaag heb ik het manuscript van De Donkere Kamer Van Damokles op de post gedaan.’

Dat schreef Willem Frederik Hermans op maandag 14 juli 1958 aan zijn uitgever Geert van Oorschot. Een manuscript op de post doen: het is telkens weer een belangrijk moment in het leven van een auteur. Het is het moment waarop de beslissing valt: nu is het goed. Het is het moment waarop een tekst in het hoofd van de schrijver perfect is. Dat gevoel van perfectie duurt meestal niet zo lang, want de tekst moet ook gepubliceerd worden, en dan komen meelezers, redacteuren, zetters, drukkers enz. aan bod. Het resultaat is dan vaak anders dan de perfecte tekst die in de gleuf van de brievenbus verdween.

Het is de vraag of Hermans op die zomerdag in 1958 ook dat perfectiegevoel had. Hij kende zichzelf en zijn veranderdrang en wist ongetwijfeld dat hij al bij het bekijken van de doorslag van het typoscript een half uur later weer ontevreden zou zijn. In het geval van De donkere kamer van Damokles kwam er nog bij dat hij dat boek met enige tegenzin had afgerond. Hij was in 1952 begonnen met een verhaal dat ‘Een overgevoelige natuur’ heette. Het project liep vast en Hermans ging een ander soort teksten schrijven, zoals De God Denkbaar Denkbaar de God (1956) en Drie melodrama’s (1957). Daarna maakte hij het boek toch af, vooral omdat het thema hem zo aansprak. Maar tijdens het schrijven van het boek had hij zich, zo schreef hij in een brief, ‘niet bijzonder geamuseerd’. In een wat badinerende brief sprak hij over een ‘matig boek’, waar hij maar nauwelijks de spanning in wist te houden.

Dit soort opmerkingen noteren wij, editeurs van Hermans, in de nawoorden van de Volledige Werken. We voegen er natuurlijk ook aan toe dat het publiek volstrekt anders over het boek dacht en dat het boek onmiddellijk een succes werd. De donkere kamer van Damokles zou Hermans’ echte doorbraak worden. Maar Hermans kon er nooit aan wennen. In 1990, vijf jaar vòòr zijn dood – De donkere kamer was toen ruim dertig jaar oud en Nooit meer slapen bijna vijfentwintig –, schreef Hermans aan zijn uitgeverij De Bezige Bij: ‘Vroeger was het zo dat er van Nooit meer slapen per jaar iets meer verkocht werd dan van De donkere kamer van Damokles. Maar nu is het omgekeerd. In 1989 zijn er van “Damokles” 3245 exemplaren verkocht en van “Nooit meer slapen” maar 2869. Dat mag toch niet? Dat hoort toch zo niet?’

Er is ook informatie die de nawoorden van de Volledige Werken niet haalt. Informatie die we niet hebben natuurlijk, maar ook zaken die we over het hoofd zien, gegevens die we met opzet weglaten omdat we vinden dat het ook zonder kan en informatie die er volgens ons niet in hoort. Soms is dat jammer, zelfs in die laatste categorie. Persoonlijk vind ik het bijvoorbeeld jammer dat ik in het nawoord van deel 3 niet kwijt kon dat Hermans zijn Donkere kamer op de post deed in Bleijerheide. Niet ‘Bleyerheide’, zoals in de briefwisseling Hermans/Van Oorschot staat, maar met een i en een j. Ik wil dat graag zo precies hebben omdat Bleijerheide een wijk in mijn geboorteplaats Kerkrade is, en niet zo maar een wijk, maar de wijk waar mijn geboortehuis stond.

De in deel 3 niet-opgenomen informatie gaat nog veel verder. Toen Hermans zijn typoscript op de post deed was hij namelijk op bezoek bij dokter Van der Schroeff. Dokter Van der Schroeff was huisarts in Kerkrade, en hij was ook de huisarts van de familie Gielkens. Als zodanig hielp hij mijn moeder met het bevallen van haar oudste zoon, die ruim vijftig later een van de editeurs van de Volledige Werken zou worden. Van der Schroeff had zijn praktijk een meter of zeshonderd van mijn geboortehuis, maar van daar verhuisden we al vrij snel na mijn geboorte naar een naburige wijk. De afstand tot Hermans’ logeeradres bleef minder dan een kilometer, maar toch te ver om u wijs te kunnen maken dat Hermans op weg naar het postkantoor door onze straat kwam en de daar verstoppertje spelende kinderen vriendelijk over hun bol aaide.

Ik herinner me dokter Van der Schroeff als een boomlange man met een prachtige en krachtige stem met een Surinaamse dictie. Zijn voornaam kon ik me niet herinneren, en zelfs mijn moeder (90) wist hem niet meer. Maar het voor dit soort kwesties onmisbare Grote Willem Frederik Hermans Boek (2010) geeft uitkomst: het was Henk van der Schroeff, die getrouwd was met Truus Meurs, een zuster van Hermans’ echtgenote Emmy.

Jan Gielkens

Reageer