In de KB in Den Haag is momenteel een onlangs verworven condoleancebrief van Hugo de Groot te bewonderen. De brief is gericht aan de onbezonnen salonjonker, bordeelloper en drinkebroer François-Auguste de Thou. Henk Nellen licht de achtergronden ervan toe.

De beroemde staatsman en jurist Hugo de Groot (1583-1645), sinds enkele maanden Zweeds ambassadeur in Parijs, richtte zich op 1 augustus 1635 in een eigenhandig geschreven brief tot een belangrijke Franse relatie, François-Auguste de Thou (1607-1642). De Groot condoleerde zijn vriend met het verlies van diens jongste broer Achille-Auguste, die op 6 april 1635 gestorven was.

François-Auguste en Achille-Auguste de Thou waren zoons van de edelman Jacques-Auguste de Thou (1553-1617), een staatsman, historicus en dichter met een Europese reputatie. Grotius had De Thou senior steeds bewonderd als een inspirerend voorbeeld van een maatschappelijk geëngageerde geleerde: tijdens een druk leven had hij wetenschap en politiek op gelukkige wijze gecombineerd.

Na zijn ontsnapping uit Loevestein was De Groot uitgeweken naar Parijs, waar hij aansluiting zocht bij de plaatselijke geleerdengroep die zich rond De Thou’s nabestaanden had gevormd. De opname in hun kring bevestigde hij door speciaal voor François-Auguste een lang Latijns gedicht te schrijven, de Silva ad Thuanum, een tour d’horizon langs al de disciplines van de toenmalige wetenschapsbeoefening. Tegelijkertijd spoorde hij de jongeman aan tot een studieus en ingetogen leven zoals zijn vader dat had geleid.

Salonjonker

Het gedicht was heel moeilijk. Alleen daarom zal De Thou er een hele kluif aan hebben gehad. Hij was bovendien geen echte intellectueel; veel meer leek hij op een galante en wispelturige salonjonker die in de geneugten van het leven opging. Terwijl hij zelf de taveernes en bordelen afliep, liet hij het graag aan anderen over om de verheven, in moeilijke zinsconstructies vervatte educatieve adviezen van Grotius te ontrafelen.

Wanneer De Groot De Thou over de dood van diens broer aanschrijft, begint hij met een excuus voor zijn late reactie. Hij maakt zich zo ontvankelijk voor het verwijt van nalatigheid, maar hij redt zich uit deze situatie door te stellen dat De Thou intussen mans genoeg was om dergelijke tegenslagen te verwerken. Verder bespeelt hij een register dat hij wel vaker in zijn correspondentie toepaste om bekenden te troosten. Met zoveel naaste familieleden, vrienden en bekenden had het geen pas over de dode te treuren. Broerlief was immers een beter leven ingegaan. Hier op aarde, met al die oorlogen, volksverhuizingen, verwoestingen en roofpartijen, was de situatie voor de achterblijvers zo moeilijk dat zij het alleen maar konden betreuren dat zij de overledene niet meteen waren achternagegaan.

In deze overvloed van rampspoeden bood alleen de dood echte veiligheid (‘In tot malis … tutum nihil nisi mors’). Citaten uit Tacitus en het (in oud-Grieks opgetekende) gezegde ‘wie de Goden liefhebben, sterft jong’ waren humanistische gemeenplaatsen die De Groot moeiteloos uit zijn mouw zal hebben geschud. Anders dan in het briefcontact met zijn familie probeerde hij netjes te schrijven, maar de ontvanger, die op dat moment een functie in het leger vervulde, heeft zich bij lezing van De Groots lastige Latijn misschien toch nog achter de oren gekrabd.

De Thou volgde Grotius’ wijze raadgevingen in de Silva niet na, want hij was jong en onbezonnen. In de jaren veertig liet hij zich meeslepen in een complot tegen Frankrijks eerste minister, de even machtige als meedogenloze staatsman Kardinaal Richelieu. De Thou eindigde zijn leven op het schavot, na een proces dat volgens de Parijse geleerden in de kring rond Grotius op een grove aantasting van het recht neerkwam. Het voorval leert ons dat je maar beter de Latijnse gedichten van Grotius kunt bestuderen (liefst in een betrouwbare, goed geannoteerde editie), in plaats van de politiek te willen hervormen.

De brief en de Briefwisseling

De brief is uitgegeven in de reeks Briefwisseling van Hugo Grotius, deel VI, ed. B. Meulenbroek, Den Haag 1967, nr. 2208), naar een andere bron: een handgeschreven kopie in het kopieënboek met uitgaande brieven van 1636 dat wordt bewaard in het Nationaal Archief in Den Haag. Deze uitgave is ook digitaal te raadplegen via de website van het Huygens Instituut. Beide versies zijn niet helemaal congruent. Enkele woorden wijken af en het origineel bevat een adressering die in het kopieënboek ontbreekt.

Beschrijving: Hugo de Groot (1583-1645), eigenhandig geschreven brief aan François-Auguste de Thou (1607-1642), verzonden uit Parijs op 1 augustus [1635]. Latijn. Een dubbelblad, fol. 1r en fol. 1v zijn beschreven, fol. 2r is blanco en fol 2v draagt het adres. In 2008 werd de brief door de KB aangekocht bij antiquariaat De Slegte te Amsterdam (Aanvraagnummer: 79 E 166). Eerder was de brief te koop bij het veilinghuis ‘The Romantic Agony’ in Brussel.

De brief wordt van 7 juni tot 1 augustus 2010 tentoongesteld in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag (bij de ingang van de afdeling Bijzondere Collecties).

Henk Nellen

Een reactie op “Een originele brief van Hugo de Groot”

  1. [...] ‘Een originele brief van Hugo de Groot’, beschrijving van een recent door de KB aangekochte brief van Grotius aan de Franse edelman François-Auguste de Thou, dd. 1 augustus [1635]. Platform Teksteditie. Den Haag/Gent: Huygens Instituut/Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie. [...]

Reageer