In een recent artikel in Literary and Linguistic Computing stelt Patrick Juola de vraag waarom onderzoek in de ‘digital humanities’ zo weinig impact heeft op het wijdere veld van de geesteswetenschappen. Als voorbeeld van een initiatief dat niet voldoet aan een bredere behoefte in het veld (‘u heeft niet gevraagd, wij draaien toch’) noemt hij de digitale editie van Clotel, de eerste zwarte Amerikaanse roman. (Tot schande van de uitgever is deze editie alleen toegankelijk voor betalende instellingen; een account voor een gratis test van twee dagen kan worden aangevraagd. De tekst, of eigenlijk een tekst, van de roman is ook beschikbaar via Project Gutenberg).

Juola over deze editie: “The edition itself is a technical masterpiece, offering, among other things, the ability to compare passages among the various editions and even to track word-by-word changes. However, it is not clear who among Clotel scholars will be interested in using this capacity or this edition; many scholars are happy with their print copies and the capacities print grants (such as scribbling in the margins or reading on a park bench). Furthermore, the nature of the Clotel edition does not lend itself well either to application to other areas or to further extension. The knowledge gained in the process of annotating Clotel does not appear to generalize to the annotation of other works (certainly, no general consensus has emerged about ‘best practices’ in the development of a digital edition, and the various proposals appear to be largely incompatible and even incomparable). The Clotel edition is essentially a service offered to the broader research community in the hope that it will be used, and runs a great risk of becoming simply yet another tool developed by the DH specialists to be ignored.”

In haar blog post Ways that digital resources can transform teaching and research, grand and small (op de weblog Digital Scholarship in the Humanities) verzet Lisa Spiro zich tegen deze opvatting “(…) such a comment may reflect an all-too-common underappreciation of textual scholarship. Since Clotel exists in 4 versions, being able to compare passages is of real benefit to researchers. It’s not as if this project was created without consulting with sholars; indeed, the editor is a distinguished scholar of African-American literature. Although I certainly agree that digital humanities projects should focus on researchers’ needs (hence the significance of projects such as Bamboo, which are trying to discern those needs), I also believe that innovative methods of exploring and representing knowledge can come out experiments such as the Clotel edition”.

Juola heeft zeker een punt: in een editie als die van Clotel zit een immense hoeveelheid werk. Wat is het resultaat van dat werk? Een niet-specialist kan de editie bezoeken en zal onder de indruk zijn van het werk. Maar wat leert hij over de betekenis van de roman en van het bestaan van de verschillende versies ervan? Daarvoor zal de bezoeker de inleiding van de editie raadplegen, want er is geen visualisatie van de varianten op hoger niveau dan het tekstdetail. En ook de specialist, stel ik me voor, zal wel eens behoefte hebben aan overzicht.

In termen van bruikbaarheid hebben de makers van Clotel wel een aantal kansen laten liggen. De parallelle tekstweergave maakt bijvoorbeeld gebruik van een hoekje van het scherm van vaste grootte, alsof het nog 1993 is. Dat wil niet zeggen dat het raadplegen van meer potentiële gebruikers noodzakelijkerwijs tot een beter resultaat zou hebben geleid: mensen vragen immers meestal om wat ze al kennen. Het is belangrijk dat onderzoekers de mogelijkheid hebben om een visie te realiseren zonder grote commissies van de zin daarvan te hoeven overtuigen.

Een helaas maar al te juiste opmerking van Juola is dat edities bijna altijd worden gemaakt alsof ze niets met elkaar gemeen hebben. Bijna alle functionaliteit die de site bevat is in principe bruikbaar voor andere teksten die vergeleken moeten worden. Maar nergens wordt een hint gegeven van hoe de site tot stand is gekomen. Er zal wel TEI-codering gebruikt zijn, maar hoe ziet die eruit? Hoe is die codering tot stand gekomen? Waarschijnlijk zijn daarvoor binnen het project ondersteunende hulpmiddelen gebruikt. Het resultaat is dat wie een dergelijke editie van een volgend boek maakt, van voren af aan begint.

Een digitaal editieproject zou verplicht moeten zijn om niet alleen een digitale editie op te leveren, maar ook een bijdrage te leveren aan de programmatuur, aan de standaards, aan de handboeken, vooruit: aan de infrastructuur van het digitaal editeren.

Geplaatst in editie, weblog digital humanities

Reageer