Fabian Stolk signaleert een ‘prullenbakverheldering’ in Vrienden & visioenen, de jongste bundel opstellen van Dick van Halsema over de Tachtigers.

In Vrienden & visioenen (Groningen 2010), een bundeling van verspreide literair-historische opstellen over (ongeveer) de Tachtigers, bespreekt Dick van Halsema, naast veel andere mensen en teksten, twee passages uit Lodewijk van Deyssels Nieuw Holland. ‘Of eigenlijk, preciezer: een van de twee bevindt zich wel in het werkdossier van Nieuw Holland, maar is door Van Deyssel uiteindelijk niet opgenomen in de gepubliceerde versie.’ (83) Wat het werkdossier is, geeft Van Halsema helaas niet aan, maar het suggereert dat Van Deyssel zeer geordend en ordentelijk werkte, als een ambtenaar, inclusief stofmappen; maar misschien betekent het alleen dat zijn letterkundige nalatenschap door een bezorgde vorser is geordend in mappen en dossiers, zoals ook gebeurd is met die van Leopold, materie waar Van Halsema niet onbekend mee is.

Wanneer hij de beide passages aanhaalt, verwijst Van Halsema in noten naar Van Deyssels Nieuw Holland, en wel naar een uitgave of editie van die tekst, die blijkens de bibliografie in 1979 is bezorgd, althans van een nawoord is voorzien, door Harry G.M. Prick. (470) Uit PiCarta begrijp ik dat het hier gaat om een herdruk van Nieuw Holland, met een omvang van 56 bladzijden; er staat ‘[Herdr.]’ in de titelbeschrijving. Bij een andere vermelding van dit zelfde boekje staat de annotatie: ‘Fotomech. herdr. naar de 1e uitg. in: Verzamelde opstellen. – Amsterdam : Scheltema en Holkema’s Boekhandel, 1894’. Voorts staat er de verhelderende toelichting: ‘In een instruktief naschrift schetst Harry Prick de ontstaans- en waarderingsgeschiedenis van dit prachtige strijdschrift.’ Ik neem aan dat Prick, bij leven schatbewaarder van Van Deyssels letterkundige nalatenschap, in zijn nawoord rept van dat ‘werkdossier’.

Van Halsema geeft als bron van zijn citaten respectievelijk pagina 54 en pagina 5 van Nieuw Holland; ik neem daarom aan dat het eerste citaat uit het nawoord van Prick komt en dus een verworpen fragment is, en dat het tweede uit de eigenlijke, gepubliceerde tekst afkomstig is. De passage op pagina 5 noemt Van Halsema de ‘tweede passage’, niet omdat het in de editie van Prick de tweede passage is, maar omdat Van Halsema eerst de andere passage citeert.

‘De combinatie van deze twee citaten’, zegt Van Halsema, ‘wijst op de actieve werking [...] van een van de sleutelteksten uit de Franse décadence littéraire’, namelijk ‘het opstel van Paul Bourget over Baudelaire uit 1881.’ (84) In dat opstel zou namelijk het pendant te vinden zijn van de motieven van de Van Deyssel-fragmenten. Ongemerkt stapt Van Halsema binnen een paar regels over van een eenvoudige parallel of overeenkomst, naar actieve verwerking van motieven uit de tekst van de ene auteur door de auteur van de andere tekst(en), want na parafrase van het stuk van Bourget noteert hij: ‘Twee capriolen uit Nieuw Holland, in combinatie herleidbaar tot Bourgets décadence-theorie.’ (84) Opmerkelijk lijkt het me, naast de karakterisering als ‘capriolen’, dat de fragmenten kennelijk niet in isolatie herleidbaar zijn tot die theorie van Bourget. En inderdaad, het is uiterst twijfelachtig of in het eerste Van Deyssel-fragment überhaupt iets decadents valt te bespeuren; ik citeer Van Halsema:

Het gaat mij nu om Van Deyssels gespeelde verzuchting dat zijn ‘literaire beweging’ zo helemaal niet ‘kosmopolitiesch’ is en dat hij zich ook al niet zo thuis voelt bij wat ‘de menschen willen van vaderland en driekleur en nationaliteit.’ Hij licht dat als volgt toe: ‘(…) zoo als ik meer houd van mijn kamer dan van het heele huis, zoo als ik meer houd van ons huis dan van de heele stad en meer van de stad dan van het land, zoo houd ik meer van Holland dan van de waereld.’ (83)

Van Halsema ziet in dit fragment kennelijk een parallel met wat Bourget beweert over décadence, waarvan, in zijn résumé, sprake zou zijn ‘wanneer het individuele onderdeel zich losmaakt uit de onderschikking aan het grotere geheel. [...] het bijzondere gaat, individuele gaat woekeren ten koste van de samenhang.’ (84)

Een groter probleem lijkt me dat Van Halsema de lezing van een fragment van een door publicatie actief geautoriseerde tekst die zijn werking in de literaire wereld heeft gehad, combineert met die van een door de auteur voor publicatie verworpen, en inderdaad nimmer door hem gepubliceerd fragment, en dat hij beide fragmenten ineen schuift opdat hun beider motieven terug te vinden zijn in een andere tekst, die wel als een samenhangend geheel en integraal door de betreffende auteur is gepubliceerd. Vergelijkbare twijfel aan de waarde van (de interpretatie van) een composiet heeft Van Halsema niet. Hij meent dat wat hij noemt zijn ‘bevinding’ ‘verklaart waarom de door Van Deyssel maar zelden genoemde naam van Baudelaire naast die van onder anderen Zola en De Goncourt voorkomt op een lijstje van aanbevolen schrijvers dat ook al tot de afsnijdsels van de tekst behoort.’ (84-85)

Het gaat hem dus uiteindelijk noch om de fragmenten, noch om de motieven, maar om de mogelijkheid om Van Deyssel aan Bourget te verbinden en om via die omweg te verklaren waarom de naam van Baudelaire voorkomt op een papiertje dat Van Deyssel niet heeft gepubliceerd, maar dat Prick uit diens afvalbak heeft opgeduikeld en in het nawoord van zijn Nieuw Holland-uitgave heeft aangehaald. Ik ben de draad van Van Halsema’s betoog, moet ik bekennen, na knap twee pagina’s geheel kwijt, want hij past hier, zonder de critique génétique te noemen, een soort tekstinterpretatie toe die wellicht tot de ‘prullenbakverheldering’ gerekend kan worden, explication de poubelle. Dat mag een decadente methodiek heten.

Fabian R.W. Stolk

J.D.F. van Halsema, Vrienden & visioenen. Een biografie van Tachtig. Groningen (Historische uitgeverij), 2010. | 495 paginas | ISBN 978-90-6554-033-1 | € 39,95.

Reageer