December 2010: onlangs werden onbekende typoscripten van Gerrit Achterberg geveild, met talloze varianten ‘not listed’ in de historisch-kritische Achterberg-uitgave. Peter de Bruijn neemt de voorlopige schade (luchtig) op.

Het is de schrik van iedere onderzoeker en editeur: je boek of editie is af en/of al lang en breed gepubliceerd en opeens duikt er een verzameling onbekend materiaal op. Dat ‘opeens’ is natuurlijk het ergste als de inkt van je editie nog nauwelijks droog is, maar ook jaren na dato kun je de stuipen nog behoorlijk op het lijf krijgen van een onverwachte vondst.

In januari 2002 – nog geen anderhalf jaar na de verschijning van mijn Achterberg-editie – dacht het nieuwe poëzietijdschrift Awater lollig te kunnen zijn door twee ‘onbekende’ Achterberg-gedichten te publiceren. Ze waren opgedoken bij het ontruimen van de Amersfoortse woning van ‘de pas overleden, hoogbejaarde’ Laurentien van E., zo vermeldde het bijschrift. Gelukkig waren twee geoefende blikken (één van mijzelf, één van collega-expert Fabian Stolk) op de gedichten zelf voldoende om vast te stellen dat het vakkundige vervalsingen waren. Schoorvoetend gaf Pieter Boskma toe dat hij inderdaad achter deze ‘geslaagde grap’ zat.*

Daarna volgden jaren van relatieve rust, waarin mijn mapje ‘Aanvullingen en correcties HKA’ niet veel anders te bevatten kreeg  dan twee over het hoofd geziene vertalingen (één in het Servo-Kroatisch, die rubriek had ik nog niet!), een enkel briefje aan een of ander tijdschrift (waaronder een kattenbelletje aan Criterium-redacteur W.F. Hermans: ‘Misschien spreken we elkaar spoedig weer eens, wat ik erg prettig zou vinden’) en een tóch nog nagekomen ‘afschriftje voor de verkoop’ uit de verzameling Hans Roest, waarvoor ik mij in de verantwoording gelukkig al terdege had ingedekt (zie dl 2, p. 17-18) en dat zoals verwacht geen enkele variant opleverde.

Maar dan de veiling bij Bubb Kuyper eind november 2010, met drie respectievelijk negentien typoscripten van gedichten uit Achterbergs laatste bundel Vergeetboek (1960). Volgens de beschrijving in de catalogus ging het om ‘early typescript versions’, soms ‘entirely rewritten’ of met ‘variants not listed in Gedichten (Monumenta Literaria Neerlandica XI, 2000)’.

Het bloed kruipt, ook na tien jaar en ook al ben ik allang met andere dingen bezig, nog steeds waar het niet gaan kan en dus mailde ik toch maar even met Jeffrey Bosch, inmiddels de baas bij Bubb Kuyper, of ik ‘net zoals vroeger’ niet even buiten de kijkdagen om naar deze spulletjes mocht komen kijken. Dat mocht, en dus toog ik één dag voor de veiling naar Haarlem om de schade op te nemen.

In het ‘Tehuis voor Militairen’ zat ik temidden van het slagveld van de op handen zijnde veiling. Om mij heen werd driftig met stoelen, tafels en vooral met boeken gesleept. Foto’s maken was er niet bij, ik mocht de documenten alleen bekijken en slechts ‘spaarzaam’ een aantekening maken.

Aan deze eerste en dus noodgedwongen globale inspectie heb ik de opluchting overgehouden dat het fundament van mijn uitgave door deze vondst niet is aangetast. De ‘early typescript versions’ uit het eerste lot (‘Stenografie’,  ‘Flash-back’ en ‘Depersonalisatie’) zijn niet zó ‘early’ dat ze een plaats hadden moeten krijgen in het tekstdeel (waarin de eerste voltooide versies van de gedichten zijn afgedrukt).

De negentien typoscripten uit het andere lot zijn onderdeel van het tweede bundeltyposcript, zoals Achterberg ook zelf noteerde op het omslagje dat eromheen zit (‘Vergeetboek 2e’). Deze versies komen dus na  het ‘Vergeetboek 1e’-typoscript, waarover ik in mijn uitgave wel kon beschikken. De in potlood aangebrachte varianten in de getypte tekst moeten ergens gesitueerd worden tussen wat in mijn uitgave het ‘tweede’ en ‘derde’ bundeltyposcript genoemd wordt (zie dl 2, p. 588). Ze vormen dus een schakel tussen twee reeds bekende versies, en alleen daar waar Achterberg nog heeft getwijfeld en geschrapt levert dat nog open en verworpen varianten op. Bijvoorbeeld in de openingsregel van ‘Aurora’:

Land dat gaat liggen in het blauw vandaag.  (M1)
Het land (M1)
{De tuin} (M2)
{Juli}  (M*)
{Vallei?} (M*)
Juli (M3)
De streek (M3)

In dit geval levert het opgedoken typoscript M* dus één nieuwe lezing op (‘Vallei’) én de wetenschap dat Achterberg hier nog twijfelde tussen deze variant en ‘Juli’, waar hij later in M3 voor zou kiezen (om ‘Juli’ vervolgens weer te vervangen door ‘De streek’).

Heel erg schokkend is het gelukkig dus niet, voorzover ik in de drukte en gauwigheid heb kunnen nagaan. Natuurlijk, iedere gemiste variant is funest voor een historisch-kritische uitgave, met zijn moordende ‘eis van volledigheid’. Maar betekent dat ook dat een editeur tot in lengte van dagen achter iedere komma die opduikt aan moet gaan?

De veiling bij Bubb Kuyper heeft een ambivalent gevoel bij mij achtergelaten. Kennelijk kon ik het niet nalaten naar Haarlem af te reizen om de spullen te bekijken, maar het fanatisme waarmee ik tien jaar geleden volledigheidshalve achter ieder onbenullig handschriftje aanjoeg is er wel vanaf, zo heb ik gemerkt.

Mijn editie stamt uit wat Marita Mathijsen ‘het zelotentijdperk’ van de editiewetenschap heeft genoemd, een tijd dus van strikte naleving van de ingebakken editieregels. Een tijd ook waarin digitale edities nog uitgevonden moesten worden. Het afsluiten van de kopij voor de editie had iets onherroepelijks, en misschien was óók daarom die volledigheidsdrang zo sterk. Een tweede kans – een herdruk – zou zich immers wel nooit voordoen…

Vanuit eenzelfde pragmatisme ben ik tien jaar later misschien zo laconiek (voor mijn doen dan) over de onverwachte vondst. Omdat mijn editie alleen in boekvorm bestaat, voel ik mij niet meteen geroepen om iedere correctie of aanvulling wereldkundig te maken. Het zou wel kunnen, op de website van het Achterberggenootschap bijvoorbeeld, maar als echt noodzakelijk heb ik dat tot dusver niet ervaren. In zekere zin winnen de praktische bezwaren het hier van de editiewetten: omdat het omslachtig is, moet het belang van het materiaal wel zodanig zijn dat je er niet omheen kunt er iets mee te doen, of zoiets.

Overigens is dit natuurlijk niet alleen pragmatisch. Graag haal ik in dit verband nog eens Redbad Fokkema aan, die zich al in 1993 kritisch uitliet over de historisch-kritische editie als databank, waarin al het materiaal ‘bis zum letzten Häckchen, ja bis zum kleinsten Tüttelchen’ (Zeller) werd ontsloten, terwijl ‘niet of nauwelijks is nagedacht over de vraag of het […] ook werkelijk van belang is voor tekstinterpretatie of literatuurgeschiedenis’.**

Hier doet zich een interessante paradox voor. Anno 2010 zijn we soepeler én moderner geworden. We denken inderdaad meer na over het belang van grootscheepse variantenuitgaven, en zijn geneigd een uitgangspunt als ‘volledigheid’ niet al te rigide meer op te nemen. Aan de andere kant zijn we met onze digitale edities beter dan ooit in staat om dat wél te doen.

Wat nu als mijn Achterberg-uitgave een digitale editie was geweest? Zou ik dan even laconiek hebben gereageerd? Ik denk het niet: juist omdat het in een digitale editie veel eenvoudiger is om updates bij te houden, zou ik me veel eerder verplicht hebben gevoeld om elk teruggevonden Häckchen of Tüttelchen per omgaande in de editie te verwerken.

Voorlopig echter blijf ik de gegevens over de veiling bij Bubb Kuyper nog maar even veilig bewaren in mijn mapje ‘Correcties en aanvullingen’. Ik weet aan wie de typoscripten zijn verkocht en heb me er ook van vergewist dat ik op enig moment bij de eigenaar terecht kan om ze alsnog aan een volledig historisch-kritisch onderzoek te onderwerpen.***

Mocht het Huygens Instituut besluiten de Achterberg-uitgave – die al geruime tijd is uitverkocht – digitaal te gaan herdrukken, dan zal  ik mijn oude principes misschien nog eens uit de kast halen.

Peter de Bruijn


* Op de website van het Achterberg-genootschap staan nog enkele krantenartikelen over de ophef, zie hier (doorklikken onder Tekst) Terug naar tekst
** R.L.K. Fokkema, ‘Het opportunisme van de editie-techniek of het wenkend perspectief der varianten’. In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 109 (1993), p. 267-283 (het citaat op p. 279). Terug naar tekst
*** Het Letterkundig Museum in Den Haag is de eigenaar geworden van de drie typoscripten van ‘Depersonalisatie’, ‘Flash-back’ en ‘Stenografie’. Sjoerd van Faassen was zo vriendelijk toestemming te geven om deze aanwinsten hier af te beelden. Bezitters van de HKA kunnen de versies alvast vergelijken met het apparaat in deel 3, p. 996, 1094 en 1111:


Reageer