Het zopas verschenen nummer van editio steekt in een nieuw jasje en staat helemaal in het teken van de digitale teksteditie.

De Arbeitsgmeinschaft für germanistische Edition laat zijn bekende jaarboek editio. Internationales Jahrbuch für Editionswissenschaft voortaan bij uitgever De Gruyter in Berlijn verschijnen en dat is te zien aan het uiterlijk van het boek. De kleur bruin is verruild voor een frisse oranje tint en het kartonnen omslag is vervangen door een harde, degelijke kaft met daarop editio in strakke, grote letters. Meer prominent in beeld in vergelijking met vorige nummers is ook de ondertitel van het tijdschrift. Meteen onder de titel en in maar liefst drie talen, Duits, Engels en Frans, wordt duidelijk gemaakt dat de Arbeitsgemeinschaft er klaar voor is om een actieve speler te worden op de internationale scène.

Dat voornemen uit zich ook in het onderwerp en de opzet van hun editiecongres dat begin 2012 in Bern (Zwitserland) plaatsvindt. De titel luidt immers ‘InterNational and InterDisciplinary Prospects of Scholarly Editing’ en het congres wordt samen met de European Society for Textual Society georganiseerd. Geheel conform deze intenties wordt ook de call for papers in drie talen verspreid, zowel Duitse, Franse en Engelse bijdragen zijn welkom.

Niet alleen de nieuwe vormgeving mag er mijns inziens zijn – het boek straalt kwaliteit uit –, ook inhoudelijk bevat dit nummer enkele voortreffelijke artikelen over de theoretische en methodologische implicaties van de digitale teksteditie.

Hartmut Vinçon, editeur van het verzamelde werk van Frank Wedekind, stelt bijvoorbeeld in het openingsartikel ‘Von der Medialität der Medien und inwiefern sie die Geschichte der Editorik bestimmt’ vast dat de opeenvolging van de verschillende media het wetenschappelijk editeren wezenlijk verandert. Onder meer het commentaargedeelte dat vroeger bekend stond als het ‘zwakste’ deel van een wetenschappelijke editie, omdat het sneller vatbaar was voor veroudering, kan in een digitale editie voortdurend aangepast worden en krijgt daardoor een heel open karakter. Het is de (nieuwe) taak van de editiewetenschap om deze en andere gevolgen van het samenstellen van edities in een digitaal medium te bestuderen.

Patrick Sahle, in 2009 gepromoveerd met het magistrale Digitale Editionsformen, vertrekt in het artikel ‘Zwischen Mediengebundenheit und Transmedialisierung’ van de stelling dat het medium waarin we een editie publiceren onze ideeën over de samenstelling van die editie bepalen. Toen we bijvoorbeeld edities in boekvorm publiceerden werd er sowieso een kritische leestekst aangeboden, vanuit de redenering dat een boek een tekst bevat. In het digitale medium kan elke versie van een werk op een gelijkwaardige manier weergegeven worden, met als gevolg dat er in de editiewetenschap nu veel meer aandacht is voor de overlevering van teksten. Met ‘Transmedialisierung’ bedoelt hij daarnaast dat een digitale editie gegenereerd wordt uit een gestructureerde hoeveelheid data. Dat betekent dat een editie kan gemodelleerd worden in een abstracte omgeving door middel van abstracte data en zo geheel onafhankelijk van de eventuele presentatie- en publicatievorm ontstaat.

Een derde, revelerend artikel komt van Thomas Bein, professor historische letterkunde in Aken. In ‘Die Multimedia-Edition und ihre Folgen’ merkt hij op dat de editiewetenschap (opnieuw) aansluiting dreigt te missen met de literatuurwetenschap. Door de komst van de digitale editie worden nu meerdere versies van een werk aangeboden terwijl literatuurwetenschappers voor hun onderzoek nog altijd vertrekken van één tekst van één auteur. In digitale edities kan veel, maar wat is er wenselijk, zo lijkt hij zich af te vragen.

Deze drie meer algemene artikelen worden aangevuld met een beschouwing van Wilhelm G. Jacobs over de veranderingen in de editiewetenschap, een artikel van Nathanael Busch over het editeren van historische teksten die enkel fragmentarisch zijn overgeleverd en een bijdrage van Karin Herrmann over hoe literatuur door mentale concepten wordt vormgegeven. Daarnaast worden er in dit nummer enkele specifieke casussen gepresenteerd. Wenfried Hofmeister en Hubert Stigler hebben het over de Hugo von Montfort-editie. Walter Fanta bespreekt de editie van het werk van Robert Musil en Thorsten Ries doet tekstgenetische onderzoek naar het gedicht ausfahrt st. nazaire van Michael Speier. Met dat laatste gedicht is overigens iets bijzonders aan de hand. Speier heeft het volledig op zijn tekstverwerker geschreven en Ries zoekt dan ook naar manieren om zo’n born-digital te editeren.

Tot slot is er in dit nummer ook veel aandacht voor andere disciplines. Het digitale medium blijkt zich namelijk uitstekend te lenen voor het editeren van zowel muziekpartituren, zoals de artikelen van Joachim Veit en Simone Hohmaier en Martin Albrecht-Hohmaier laten zien, als films, zoals Klaus Kanzog in zijn bijdrage duidelijk maakt.

Internationaal, interdisciplinair en vooral interessant dus.

Charlotte Cailliau

Reageer