April 2011: Uit hun openhartige brieven komen Willem Witsen en Jacobus van Looy naar voren als gezworen kunstenaarsvrienden. Toch loopt die vriendschap een gevoelig deukje op.

Sinds 2007 is de volledige briefwisseling van Willem Witsen (1860-1923) voor iedereen toegankelijk via de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren. Bovendien kan de liefhebber op de website van het Geheugen van Nederland alle facsimile’s van de brieven, talloze reproducties van zijn kunstwerken en vele foto’s bewonderen. De correspondentie is zo rijk aan informatie, dat een vervolg op dit project zeker op zijn plaats is. Op dit moment zijn de voorbereidingen voor een bloemlezing dan ook in volle gang.

De brieven tonen de lezer een prachtige inkijk in het leven van deze schilder, etser, fotograaf en vriend van vele Tachtigers. Witsen onderhield een levendige correspondentie met onder meer Willem Kloos, Jan Veth, Albert Verwey, Jacobus van Looy en Isaac Israëls. Voor veel auteurs en schilders van zijn generatie was hij een goede vriend. Hij ondersteunde hen financieel, bemiddelde bij problemen en ontving regelmatig logés op Ewijkshoeve te Lage Vuursche, het buitenhuis van de familie waar vrienden te midden van de rust van de natuur konden werken en ontspannen.

De correspondentie geeft inzicht in de manier waarop de Tachtigers zochten naar gezamenlijke kunstopvattingen, hoe ze probeerden het culturele veld te veroveren en hoe de vriendschappen zich ontwikkelden.

Met name de briefwisseling tussen Witsen en Jacobus van Looy (1855-1930) is de moeite waard om hier voor het voetlicht te brengen. De twee zijn vrienden sinds hun academietijd en de brieven kenmerken zich door een grote openhartigheid. Op 23 april 1885 vertrouwt Witsen zijn vriend toe: ‘ik heb met jou altijd ’n zekere aanvechting om vertrouwelijk te worden. Dat zit ’m daarin denk ik dat ’k van onze kennis making af me nogal aan je gehecht heb.’ Zeker wanneer Van Looy zich in het buitenland bevindt, van 1885 tot en met 1886, schrijft Witsen hem zeer persoonlijke brieven. De afstand tussen de twee jongemannen zal het voor hem makkelijker hebben gemaakt meer over zijn gevoelens los te laten.

In deze jaren werkt Witsen voornamelijk op Ewijkshoeve, met af en toe een tripje richting Amsterdam. Het contrast met het leven in de stad is groot. Waar hij voorheen levendige conversaties over kunst voerde, samen met zijn vrienden in een van de vele Amsterdamse drinkgelegenheden, werkt hij nu in alle stilte. Slechts af en toe in gezelschap van zijn familie of logés.

Omgang met sympathieke, ontwikkelde menschen die wat meer zijn dan ik, mis ik erg – maar daar staat veel tegenover waarvan ’k leef, alles wat in de luchten is en daaronder, dat volle ruwe leven, gezond en krachtig als de natuur zelf, waarvan ’k zoo weinig kan zeggen, maar dat ’k eens hoop te schilderen zooals ’k ’t voel. (Witsen aan Van Looy, 16 november 1886)

Van Looy bevindt zich in een heel andere situatie. Als winnaar van de Prix de Rome, de prestigieuze prijs voor jonge kunstenaars van de Amsterdamse Rijksacademie, reist hij door Italië, Spanje en Marokko. Witsen houdt hem op de hoogte van de ontwikkelingen in de Nederlandse, en met name de Amsterdamse, kunstwereld. Andersom krijgt Witsen veel te lezen over het leven in het buitenland en de indrukken die Van Looy opdoet in de vele musea. Bij het lezen van al deze belevenissen en onder de indruk van de kunst die Van Looy ziet, is Witsen wel eens bang dat zijn vriend neer zal kijken op zijn afgezonderde verblijf in de Hollandse natuur. Maar Van Looy weet die onzekerheid weg te nemen: ‘Ik weet heel goed, dat er geen gondels op de hei zijn, maar er zijn menschen, en kippen en paarden, en hei, is dat niet de moeite waard, voor mij, vind je?’ (Van Looy aan Witsen, 23 november 1885)

De brieven die ze elkaar schrijven zijn onder meer interessant vanwege de kunstopvattingen die beiden onder woorden proberen te brengen. Ze zijn als jonge kunstenaars nog volop zoekende en proberen hun leven invulling te geven volgens de verheven idealen en grote ambities die ze koesteren. Ondanks deze gedeelde passie voor de kunst, kunnen de vrienden toch niet voorkomen dat het verschil in de leefsituatie tussen hen in komt te staan.

Als echte Tachtiger heeft Witsen duidelijke ideeën over de positie die een kunstenaar in de samenleving inneemt. Bij zijn debuut als kunstcriticus in De Nieuwe Gids omschrijft hij zelfverzekerd waarom een kunstenaar boven de ‘gewone’ mens staat:

Een artiest is meer dan een gewoon mensch, om deze reden, dat zijn ziel meer en krachtiger indrukken ontvangt, voor welke hij de individuëele uitdrukking zoekt in bepaalde vormen. Hij is de bevoorrechte die door de natuur gesteld is boven zijn medeschepselen, – die niet bestaat te hunnen gerieve, maar door hen moet beschouwd worden als hun meerdere, van wien ze veel te leeren hebben, en die hun genot en een rijker leven geven kan, wanneer zij willen trachten hem te begrijpen.*

Lange tijd werd een kunstenaar geacht zijn bijzondere gave in te zetten ten dienste van de maatschappij. Dankzij hem zou ook het gewone volk in staat zijn om het schone, het goede en het ware te aanschouwen. Het idee van deze maatschappelijke functie van de kunstenaar wordt, na eeuwenlang diep geworteld te zijn geweest in de samenleving, volledig verworpen door Witsen en zijn mede-Tachtigers. Een waar kunstenaar schept in volledige vrijheid en volgt enkel zijn eigen gevoel. Kunst, en daarmee ook de schepper ervan, heeft een eigen bestaansrecht. Het doel van de kunst ligt volledig in zichzelf besloten. De essentie van een kunstwerk ligt voor Witsen daarom in de manier waarop een kunstenaar zijn eigen gevoel weet uit te drukken.

Witsen en Van Looy spiegelen hun eigen werk en houding niet aan de minsten. Regelmatig worden Millet, Rembrandt en Delacroix als voorbeeld genomen. Deze kunstenaars vertegenwoordigen voor beiden het ware kunstenaarschap.

Hun macht is in hun temperament, ze hebben zich van alles los gemaakt en zich gegeven zooals ze waren, groot en heerlijk in hun naïveteit. En íedereen die dat doet, ook al beduidt hij zóoveel nìet, heeft z’n recht van bestaan, en alle kunstemakers, hoe weergaloos knap ze ook zijn […] zullen worden… vergeten? (Witsen aan Van Looy, 26 november 1885)

De twee proberen trouw te blijven aan zichzelf en dicht bij hun idealen te blijven. Witsen omschrijft welke belofte een echt kunstenaar aan zichzelf zou moeten maken:

We gelooven aan niets dan aan ons zelf, omdat we maar één waarheid kennen die evenmin op die van ’n ander zal lijken als ooit twee menschen op elkaar, zedelijk of lichamelijk. (Witsen aan Van Looy, 23 april 1885)

Net als Witsen tracht Van Looy zich in zijn kunst te laten leiden door zijn eigen gevoelens en ‘reine zuivere, oogenblikkelijke inspiratie’.

Ja, dat alleen is noodig, krachtige oogenblikkelijke ingeving, onverschillig of de indruk van buiten komt of van van binnen. En wat mij betreft, ik zal trachten dat tot het programma van mijn leven te maken. Amen. (Van Looy aan Witsen, 6 april 1885)

Maar in de praktijk ervaart Witsen dat het merendeel van het publiek, de critici en de kunstenaars deze houding nog niet begrijpt. De massa laat zich in zijn ogen niet leiden door het zuivere gevoel, maar door populaire theoretische stromingen. Hij windt zich op over de sfeer vol ‘machtige theoriën en theoretiesche vuiligheid, burgerlijke bekrompenheid en stinkenden walm’ die in de stad heerst. ‘Hoeveel menschen zouden er zijn die ’n schilderij begrijpen? die kunnen zeggen waarom ze ’t mooi vinden en zich niet verschuilen achter uitgekauwde phrasen, ’k geloof bedroefd weinig.’  (Witsen aan Van Looy, 17 maart 1885) Hij vreest dat zijn kunst niet begrepen zal worden. ‘O god wat ’n bêtise – als of dat groote, domme bête publiek ooit zou ophouden ’t gouden Kalf te vereeren! Neen, waarlijk, ’t publiek zal ’t knappe mooi en ’t mooie knap vinden.’ (Witsen aan Van Looy, 26 november 1885)

Van Looy worstelt op zijn eigen manier met zijn idealen. Ook hij zou het liefst als vrij kunstenaar door het leven gaan. Maar zijn reis door het zuiden is niet zonder verplichtingen. Met het aanvaarden van de Prix de Rome, gaat de pensionaire de verplichting aan kopieën naar grote meesters te maken en studies in te zenden voor een tentoonstelling op de Rijksacademie. Dit alles volgens een opgelegd en strak reisschema. Van Looy vertrouwt Witsen verschillende keren toe dat hij moeite heeft met de opdracht. Hij heeft het idee dat elke schets die hij maakt, moet uitmonden in een door het bestuur goed te keuren studie en dat legt een enorme druk op hem. Bovendien doet hij in het buitenland simpelweg te veel indrukken op om rustig te kunnen werken. Het maakt dat hij bij vlagen alle spontaniteit en onbevangenheid verliest.

Witsen vraagt zich bezorgd af of Van Looy zich op zijn reis wel kan ontwikkelen volgens zijn eigen principes.

Ik verlang erg dat je terug bent. Niet alleen uit egoïsme omdat ik graag ’s met je zou praten over alles en niet ’t minst ons werk – […] maar vooral omdat ’k er naar verlang dat je eens heerlijk aan ’t werk komt, ’t werk waarin je je geheel kunt geven, de uiting van alles wat je in je hebt, gevoeld en gedacht hebt. […] Iedereen verwacht wonderen van je reis. – Ik niet. Zeker breng je veel moois mee en zeker zal je er veel aan gehad hebben maar ben je voor je zelf tevreden? (Witsen aan Van Looy, tussen 10 en 14 september 1885)

Maar Van Looy is zich maar al te bewust van de omstandigheden. Witsen wordt financieel ondersteund door zijn vader, en kan werken vanuit een prachtig buitenhuis. Van Looy ontbreekt het aan een vergelijkbaar vangnet en moet zich dus als gesubsidieerd kunstenaar voegen naar de wensen van anderen. Terwijl Witsen vol passie kan schrijven over een vrij en onafhankelijk kunstenaarschap, ervaart Van Looy dat de praktijk voor hem anders uitpakt. Het zal geen verwondering wekken dat dit enige wrevel tussen de vrienden oplevert.
Het wordt Van Looy allemaal teveel als Witsen schrijft over de werken die Van Looy heeft opgestuurd vanuit Italië. Witsen heeft ze kunnen bezichtigen, nog voordat ze op de Academie werden tentoongesteld. Maar hij schrijft slechts over de indrukwekkende hoeveelheid, en laat weinig tot niks los over de kwaliteit.

Het leidt tot een lange, emotionele brief van Van Looy waarin hij duidelijk maakt dat ook een kunstenaar van de omstandigheden afhankelijk is.

Maar, Wim, niemand heeft het recht, zich zelve wijs te maken, dat het niet noodig is, te vechten ook alleen om te leven. Dat is niet iets dat ik me opdring, maar een feit, een overtuiging voor mij geworden. […] En zoo zal ik dit jaar nog eens doen, Wim, me laten leiden door m’n indrukken, werken om dat ik een slaaf van werken ben, werken ook tegen de verveling. Wat er in zit, zal er uit komen, en als m’n constitutie zoo is, dat ik geen groot kunstenaar worden kan, zullen noch raadgevingen van jou, noch frasen van menschen, daar ik misschien heel veel van houd, noch ik zelve, daar iets aan kunnen veranderen, men is, zooals men is, en daarmeê uit. Maar ik herhaal, ’t is boekerig en ziekelijk te beweren dat omstandigheden niets zijn. Misschien zal de activiteit, die je schijnt zoo gefrappeerd te hebben in de quantiteit, eenmaal overgaan in de qualiteit, als ik weêr rustig werken kan, zooals ik zal willen werken, Wim.
[…] We zullen zien, maar geen mensch staat buiten de omstandigheden, die hij alleen een weinig beheerschen maar nooit dwingen kan. Loop je niet wel eens met je ziel onder je arm en verlang je niet naar je rustige hoekje, dat om eerlijk te zijn, je te danken hebt aan de omstandigheden. Waar zou jij je Peter geschilderd hebben, als je Papa geen buiten gekocht had, en je een arme slokker was, als ik, die tot nu toch nog, leefde van genadegiften, denk daar eens aan, beste vent, en neemt het anderen niet zoo dol kwalijk als ze wat meer te hooi en te gras werken moeten. (Van Looy aan Witsen, 6 mei 1886)

Een week later komt Van Looy nog terug op de kwestie en probeert zijn harde woorden enigszins te verzachten:


[...] onaangename personaliteiten heb ik niet bedoelt te schrijven […] Nu, laten wij niet ophouden, vrienden te zijn en laten wij elkander als kunstenaars niet opvreten. Jij zult nooit precies werken, als ik het wil, en ik nooit zoo als jij het wilt, er blijft, buitendien, toch altijd genoeg over om elkaar het leven niet onaangenaam te maken. Als we vijftig jaar verder zijn, zullen we als oude mannen, misschien inzien, dat we allebei erg op elkaar geleken hebben, en dan wil ik hopen, dat we heel prettig over de Kunst zullen kunnen keuvelen. Nu kan ik dat niet. (Van Looy aan Witsen, 23 mei 1886)

De vriendschap houdt stand, maar de twee corresponderen nooit meer zo uitvoerig over hun kunsttheorieën en idealen als voorheen.

Linda Modderkolk


Linda Modderkolk studeerde in 2006 af in de kunstgeschiedenis van de moderne tijd aan de Universiteit van Amsterdam.  Op dit moment rondt zij de master Redacteur/editor af aan dezelfde universiteit. Daarnaast werkt ze als freelancer in de kunst- en cultuursector. Voor Stichting Willem Witsen en het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis werkt ze mee aan de bloemlezing van de brieven van Willem Witsen.

Noot/fotoverantwoording

* W.J.v.W. (pseud. Willem Witsen), ‘Een boek over kunst.’ In: De Nieuwe Gids 1 (1886), afl. 6, p. 463-464.


Zelfportret Willem Witsen staand, Ede, circa 1893: Stadsarchief Amsterdam
Portret van Jacobus van Looy door Willem Witsen, 1891: Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie
Afbeeldingen brieven van Willem Witsen en Jacobus van Looy: Stichting Jacobus van Looy

Reageer