September 2011: de criticus Martinus Nijhoff ontdekte de ‘ongelooflijkste subtiliteiten’ in een gedicht van Gerrit Achterberg, die hij er zelf eerst had ingebracht. Hoe klonk Achterbergs eigen versie eigenlijk?

Op 23 september 1927 komt er bij de redactie van het gezaghebbende tijdschrift De Gids een aantal gedichten van Gerrit Achterberg binnen. De 22-jarige onderwijzer is op dat moment als dichter nog zo goed als onbekend. In juli 1926 had Elsevier’s geïllustreerd maandschrift drie gedichten van hem geplaatst, maar vervolgens was het weer stil gebleven.

Bij De Gids vormen A. Roland Holst en M. Nijhoff vanaf 1925 de poëzieredactie. Ze onderwerpen de inkomende productie aan een strenge schifting. Volgens Van den Akker en Dorleijn komen zelfs de stapeltjes sonnetten van Hélène Swarth op hun tafel ter beoordeling, een eer waarvoor de bejaarde dichteres beledigd bedankt: het ligt niet in haar voornemen, zo schrijft ze, ‘mij als een beginneling te onderwerpen aan keuring van mijn werk’.

Voor Achterberg ligt dat anders. Als beginneling onderwerpt hij zijn gedichten maar al te graag aan het oordeel van anderen. Onder kritische begeleiding van zijn eerste mentor Roel Houwink schrijft hij verzen bij de vleet, in de vurige hoop op uiteindelijke erkenning. Maar bij de tijdschriften wil het kennelijk nog niet erg vlotten, tot hij zijn geluk bij De Gids beproeft. Op 20 oktober 1927 ontvangt hij de volgende brief van niemand minder dan A. Roland Holst:

‘Geachte Heer,
De heer Nijhoff (mijn mederedacteur voor poëzie) en ik zijn getroffen door enkele kwaliteiten in de verzen, die gij bij “de Gids” inzond, kwaliteiten, die echter nog al te zeer slechts mogelijkheden bleven.
Op voorstel van den heer N. kom ik u verzoeken in het laatste gedichtje (“Wat is dit een zoete verbintenis”) regels 3 en 4 te wijzigen; hij raadt aan:
“dat liefde er niets bij heeft ingeboet,
te geraken tot deze rust.”
Het gedicht zou zeer zeker véél hierdoor winnen, en het blijft tòch geheel in uw toon. Na een wijziging in dezen zin zouden wij ’t gaarne plaatsen. Ook zoudt gij goed doen in de laatste regel “hier” te schrappen. Ik hoop hierop antwoord van u te mogen ontvangen –
Hoogachtend,
A. Roland Holst’

Achterberg is hiermee natuurlijk voetstoots akkoord gegaan, en het gedicht wordt in de door Nijhoff voorgestelde vorm gepubliceerd in De Gids van april 1928. Hierdoor aangemoedigd – en door de raadgevingen die hij o.m. van Roland Holst blijft ontvangen – stuurt hij nieuwe verzen aan De Gids en andere tijdschriften, en niet zonder succes. Publicatie na publicatie wordt zijn dichterschap bevestigd.

Samen met andere in tijdschriften gepubliceerde verzen krijgt ‘Wat is dit een zoete verbintenis’ vervolgens een plaats in Achterbergs debuutbundel Afvaart (1931), onder de titel ‘Drievoudig Verbond’. Eén van de recensenten die de bundel bespreekt is Martinus Nijhoff, die zich in het bijzonder gecharmeerd toont van… juist ja (andere gedichten worden niet eens genoemd!):

‘Als de vorm van dit gedichtje opmerkelijk is, dan is het door het rijm-raffinement. “Ingeboet” van regel 3 rijmt niet op “verbintenis” van regel 1, maar op het “zoet” der verbintenis waarop het een nagekomen accent legt. “Verbintenis” zelf, met zijn dubbele doffe i-klank, vervaagt het rijmloze “ik” van regel 2, dat anders na “u en de dood” een aanmatigender climax zou worden, en bovendien assoneert het reeds op “asch” en “was” van de volgende strofe. Ook het rijmwoord “rust” van regel 4 wijst omlaag naar de volgende strofe, waar het terstond door “gebluscht” wordt opgenomen en door “moest” met een verfijnde klankherinnering aan “ingeboet” assonerend wordt voortgezet.’

Na gelijkaardige complimenten aan het adres van de laatste regel (waaruit Nijhoff het woordje ‘hier’ had laten schrappen) keert hij nogmaals terug naar de door hemzelf verbeterde 3e en 4e regel:

‘Ik zou nog langer op de structuur van zulk een versje kunnen voortgaan, er bijvoorbeeld op wijzend, hoe, door de alliteratie der b’s in regel 3 en der r’s in regel 4, de rijmloosheid wordt verdoezeld, die daar anders te sterk in het oog zou lopen, maar ik vrees dat het u reeds tegenstaat, dit poëtisch apothekerspraatje.’

Het apothekerspraatje is een bekende anekdote geworden, al is de omvang van de Nijhoviaanse streek niet voor iedereen altijd even duidelijk geweest. Heel dicht in de buurt kwam Jan Greshoff, die zonder kennis van de voorgeschiedenis (mogen we aannemen) al in 1933 schreef:

‘Nijhoff ontdekte in enkele van de beste gedichten uit deze bundel de ongelooflijkste subtiliteiten en ik vrees dat hij deze er, met de speelsche scherpzinnigheid hem eigen, eerst zelf ingebracht heeft. […] Het zou mij niets verbazen wanneer Achterberg in zijn onschuld nooit vermoed of gedroomd had dat er zóó veel wonderlijke en belangrijke kunstgrepen door hem verricht waren […].’

Misschien vermoedde Greshoff wel (mogelijk uit eigen ervaring?) dat Nijhoff er zelf aan te pas was gekomen en dat hij de literatuurgeschiedenis hier dus een beetje een loer draaide, maar hij schreef het niet met zoveel woorden op.

Merkwaardig genoeg deed ook Kees Fens dat vele jaren later niet, toen hij in Merlyn (1966) een stukje schreef over de toen net gepubliceerde brief van Roland Holst. Hij veronderstelde dat Nijhoff zijn ‘niet onaanzienlijke’ inbreng zelf alweer was vergeten toen hij zijn recensie schreef. ‘De bewondering van Nijhoff voor dit vers en juist voor de regels 3 en 4 wordt nu enigszins begrijpelijk. De apotheker van 1931 is de dokter en het recept van 1927 blijkbaar vergeten.’

Terug naar de brief van Roland Holst. Hij schrijft aan Achterberg dat de door Nijhoff voorgestelde regels het gedicht ‘véél’ zouden doen winnen maar het ‘tòch geheel in uw toon’ laten. Tot nu toe is nooit bekend geweest wat Achterbergs echte eigen toon was, want de oorspronkelijke versie van het gedicht bleef niet bewaard.

Tot op heden. In een onlangs opgedoken exemplaar van Afvaart uit het bezit van Jan Vermeulen, staat de volgende aantekening bij ‘Drievoudig Verbond’:

Ik ga er gemakshalve vanuit dat Jan Vermeulen de genoteerde regels uit de eerste hand had, dus van Achterberg zelf. In de jaren veertig had hij als (zelfverklaard) ‘secretaris van Achterberg’ het nauwst contact met de dichter, met wie hij koortsachtig bundel na bundel samenstelde uit oud en nieuwer werk. Tijdens een van de vele sessies of gesprekken zal Achterberg hem de voorgeschiedenis uit de doeken hebben gedaan, zo stel ik me voor.

(Terzijde: Vermeulen kreeg het exemplaar van Afvaart pas in 1943 van Achterberg, en hij heeft de aantekening dus ook pas ruim vijftien jaar na dato gemaakt. Hoe betrouwbaar is dat eigenlijk?, kun je je afvragen. En, zelfs als Vermeulen de oorspronkelijke versie inderdaad heeft opgetekend uit de mond van Achterberg zelf, daarmee is het nog geen authentiek handschrift, hooguit een ‘passief geautoriseerde versie met mogelijk secundaire variant’, om R.L.K. Fokkema in dit verband nog maar eens aan te halen. Kortom: de status van dit manuscript van de maand is niet geheel onproblematisch, maar dat is meer een zorg voor iemand die een historisch-kritische uitgave van Achterbergs gedichten maakt (of heeft gemaakt). )

Met deze (wat ik nu dus maar tussen aanhalingstekens noem:) ‘oorspronkelijke versie’ van Achterberg bij de hand zouden we nu voor het eerst een omgekeerd apothekerspraatje kunnen wijden aan bijvoorbeeld het inderdaad minder geraffineerde volrijm in r. 1 en 3, aan de weinig fraaie stoplap ‘of’ in ‘wie of mij liever is’, aan het gemis aan alliteratie in de hortende formulering ‘nu ik u tweeën beide heb gekust’ of aan de lelijke herhaling van het woord ‘nu’ in de ‘oorspronkelijke’ 4e en 5e regel. En als je het raadselachtige ‘geraken tot deze rust’ zo pal boven de rechttoe-rechtaan-regels van Achterberg ziet staan, kun je je met reden afvragen of het gedicht wel geheel in diens ‘toon’ is gebleven. Nijhoff heeft Achterberg, dunkt mij, toch een tikkeltje mysterieuzer en een tikkeltje minder plastisch gemaakt.

‘Geen dichter is met zulke overwegingen belast wanneer hij schrijft, maar zij zijn de reden waarom hij na het schrijven niet doorschrapt,’ zo besloot Nijhoff zijn exposé. Of waarom hij na het schrijven zijn eigen versie toch voor beter geeft, kunnen we daar nu aan toevoegen.

Peter de Bruijn

 

* Met dank aan Johan Carton (Rijmenam, België), die mij inzage gaf in het exemplaar van Afvaart. De foto van Nijhoff en Roland Holst uit circa 1930 is overgenomen van de website van Fokas Holthuis, waar vermeld wordt dat op de keerzijde het volgende (hier wel toepasselijke) gedichtje van Roland Holst staat: ‘De poëzie van ’80/ was zonder twijfel prachtig – / Maar die van thans / maakt ook geen kwade kans. / Leer dat (z.o.z.) / maar van ons beiden.’

Literatuur:

- Gerrit Achterberg, Gedichten. Historisch-kritische uitgave, verzorgd door P.G. de Bruijn. Den haag, 2000 (over ‘Drievoudig Verbond’ deel 2, p. 105-106 en deel 3, p. 20-21).
- W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn, ‘Stemmen uit de redactie. Een documentaire over het redactiebeleid van De gids tussen 1916 en 1926’. In: W.J. van den Akker e.a. (red.), Traditie en vernieuwing. Opstellen aangeboden aan A.L. Sötemann. Utrecht/Antwerpen, 1985, p. 146-176 (de anekdote over Hélène Swarth op p. 175-176).
- K. Fens, ‘Een apothekerspraatje’. In: Merlyn 4 (1966), p. 413-415.
- R.L.K. Fokkema, Varianten bij Achterberg. Amsterdam, 1973 (het aangehaalde onderscheid komt uit deel 1, p. 14).
- J[an] Gr[eshoff], ‘[Recensie van Afvaart]’. In: Groot Nederland 31 (1933), dl. II, p. 86-87.
- [M.] N[ijhoff], , ‘[Recensie van Afvaart]’. In: De Gids 95 (1931), dl. IV, p. 298-300. Ook in: Dez., Verzameld werk. Ed. G. Borgers/G. Kamphuis, Den Haag, 1954-1961 (deel 2, p. 695-697)

Reageer