Het jongste nummer van Genesis gaat maar liefst 240 bladzijden lang over autobiografische teksten –met name dagboeken – in relatie tot de critique génétique.

Onlangs verscheen het 32ste nummer van Genesis, het tijdschrift van het wetenschappelijke instituut ITEM-CNRS. Dit instituut, opgericht in 1976, houdt zich bezig met editiewetenschappelijk onderzoek volgens de Franse traditie critique génétique. Het tijdschrift verschijnt slechts twee keer per jaar, maar stelt daartegenover een kleine 240 pagina’s aan essays en artikelen. Het tweede nummer van 2011 heeft als thema ‘Journaux personnels’ en richt zich op autobiografische teksten – en dan met name dagboeken – in relatie tot de critique génétique.

Binnen de ITEM-CNRS houdt de werkgroep Genèse et autobiographie, opgericht in 1995, zich specifiek bezig met de vraag wat egodocumenten als dagboeken en autobiografieën kunnen betekenen voor de critique génétique van een werk. Kort gezegd tracht de critique génétique de ontstaansgeschiedenis van een tekst chronologisch in kaart te brengen door het nauwkeurig verzamelen van de zogenaamde avant-texte: alle teksten die hebben bijgedragen aan het ontstaan van een werk. Dit varieert van aantekeningen en kladversies tot drukproeven. In het stuk ‘Critique génétique’, dat eerder op Textualscholarship.nl verscheen, gaat Charlotte Cailliau hier verder op in.

Het ligt voor de hand om te stellen dat een autobiografische tekst waardevol kan zijn bij het bestuderen van de ontstaansgeschiedenis van een werk of oeuvre. Een dagboek is tenslotte een zekere reflectie van het gedachteleven van de auteur. Afhankelijk van zijn motieven om een dagboek bij te houden, kan het fungeren als een plaats voor penoefeningen, krabbels, schetsen, droomanalyses, spontane ideeën of gedachten. In die gevallen kan een dagboektekst een belangrijke toevoeging zijn voor de avant-texte.

Kan een dagboek echter ook worden beschouwd als een op zichzelf staand werk, met een eigen critique génétique? Dat is de vraag waar het in dit nummer van Genesis om draait. In de eerste instantie lijkt het antwoord ‘nee’ te zijn. Dagboeken zijn teksten uit de eerste hand, die vaak in één moeite en zonder kladversie zijn geschreven. Dit in tegenstelling tot het gangbare schrijfproces van ingespannen nadenken, schrappen en herschrijven totdat er een definitieve vorm is ontstaan. Dat schrijfproces laat (tekstuele) sporen na, die op hun beurt de avant-texte vormen. Zoals gezegd past een dagboektekst uitstekend bij de definitie van de avant-texte. Maar hoe kan de critique génétique worden toegepast op een dagboek, waarbij er geen sprake is van deze eerste (klad)versies, althans niet in de klassieke zin des woords?

Het antwoord op deze vraag kan liggen bij de definitie van ‘kladversie’. Philippe Lejeune stelt voor om een dagboek zien als een ‘levende tekst’, die groeit en transformeert met het verstrijken van de tijd. Door de chronologie van het dagboek aan te houden krijgen we inzicht in de ontwikkeling van de identiteit en de schrijfstijl van de auteur. Het schrijfproces zit dan in de groei die de auteur doormaakt tijdens het bijhouden van zijn dagboek, niet in de verschillende versies van dezelfde tekst. De critique génétique kan dus worden toegepast door vroege dagboekteksten te vergelijken met latere teksten. Vanuit dit standpunt gezien is het goed mogelijk om een dagboek als een op zichzelf staand werk te beschouwen, die de avant-texte reeds in zich heeft.

Dit nummer van Genesis bestaat uit zeven secties, beginnend met de sectie Enjeux. In ‘Le journal: genèse d’un pratique’ tast Philippe Lejeune de grenzen van de critique génétique verder af door uitgebreider in te gaan op bovenstaande stelling. Verder richt Françoise Simonet-Tenant zich op de vraag hoe een dagboek aan de oorsprong van een ander werk kan liggen en welke consequenties dat heeft voor het begrip ‘oeuvre’. Catherine Viollet onderzoekt tenslotte of een dagboek dat uitsluitend gaat over het ontstaan van een (kunst)werk daadwerkelijk een dagboek mag heten. Vormen de dagelijkse aantekeningen van beeldhouwer Rodin over de voortgang van zijn beeldhouwwerk, een echt dagboek? Of kunnen ze slechts worden beschouwd als een (theoretische) aanvulling op het beschreven beeld?

De sectie Études bespreekt de studies die vanuit de traditie van de critique génétique zijn gedaan naar de verschillende dagboeken. De studies van  Micheline Hontebeyrie, Nicole Celeyrette-Pietri, Marie-Françoise Lemonnier-Delpy en Françoise Lioure naar respectievelijk de dagboekteksten van de schrijvers Paul Valéry, Jude Stéfan en Valery Larbaud tonen aan hoe gecompliceerd een dagboektekst kan zijn. De drie schrijvers lijken hun dagboek ‘in weerwil van zichzelf’ te hebben bijgehouden. Dit resulteert in gedeeltelijk fictionele of ironische teksten, waarvan de authenticiteit en oprechtheid lastig in te schatten is. De onderzoekers bespreken tot op welke hoogte deze teksten alsnog van belang kunnen zijn voor de critique génétique.

De interviews met de editeurs van de dagboeken van André Gide en de gebroeders Goncourt, in de sectie Entretiens,  schetsen een interessant beeld van wat er komt kijken bij de publicatie van een dagboek. In de volgende sectie, Inédits, worden enkele ‘gedeelde’ dagboeken besproken. Het artikel ‘Le cahier août-decembre 1927 de Catherine Pozzi’ beschrijft enkele nog niet eerder gepubliceerde pagina’s uit het dagboek van Catherine Pozzi, dat ze bijhield met schrijver Paul Valéry. Veertien van deze pagina’s, vol prachtige schetsen, aquarellen en hartenkreten, worden hier ook afgedrukt. Verder bespreekt de rubriek Archives des journaux personnels enkele verschillende methoden bij het lezen en onderzoeken van al dan niet gepubliceerde dagboeken.

Elli Bleeker

 

Genesis. Revue internationale de critique génétique 32 (2011), thema : Journaux personnels. | ISSN 1167-5101 | ISBN 978-2-84050-749-9 | 238 pagina’s

Reageer