December 2011: In de hongerwinter van 1944 was er kennelijk veel geoorloofd om toch nog een klein beetje het heerlijk avondje te kunnen vieren. Hester Meuleman stuit op een fascinerend familieverhaal.

Mijn vader was theoloog en had een indrukwekkende rij boeken over de kwestie God. Een deel van die boeken is na mijn vaders overlijden bij mij terechtgekomen. En bleef – onkerkelijk als ik inmiddels was geworden – lang ongelezen, tot ik afstudeerde op de dichter J.A. Dèr Mouw en ik een citaat nodig had uit de Bijbel. Waar kon ik dat beter vinden dan in de Statenbijbel die al een paar jaar in z’n bruinleren band stond te verstoffen. Natuurlijk had ik ’m bewaard, maar vreemd genoeg nooit opengeslagen. Ik vond mijn citaat – Mattheus 27 vers 46 – en bladerde nog wat door, en kwam toen tot een eigenaardige ontdekking.

De Statenbijbel waar ik het over heb komt uit 1746 en de volledige titel is als volgt:

BIBLIA / Dat is / De gantsche H. Schrift / vervattende alle Canonyke / Boeken des Ouden en Nieuwen / TESTAMENTS / Uit de oorsprongkelyke in Onse / Nederlantsche Tale / getrouwelyk overgeset / Door Last / van de Hoog Mog. Heeren / STATEN GENERAEL / der Vereen: Nederl: en / volgens ‘t besluit van de Sinode / Nationael gehouden in de Jaren / 1618. en 1619 te / DORDRECHT. / Met nieuwe bygevoegde verkla- / ringen en Aantekeningen van / de gelykluydende / Texten.

Na het titelblad volgt een pagina met een verklaring van de Staten Generaal en een zogenaamde ‘Acte van Consent’ waaronder het wapen van Utrecht en de zwierige handtekening van ene Jacob Ferdinand van Daverveldt, die volgens de tekst erboven destijds dominee was te Utrecht en deze bijbel geautoriseerd heeft. Deze ‘Acte van Consent’ werd al sinds de eerste druk van de Statenbijbel (1637) opgenomen om ervoor te zorgen dat niet zomaar elke boekdrukker met het werk van de Staten Generaal – of met onvolledige of niet nauwkeurige versies ervan – aan de haal kon gaan.*

Jacob Ferdinand van Daverveldt heeft overigens in elk geval twee traktaten geschreven die in de KB te raadplegen zijn en die de volgende tot de verbeelding sprekende titels dragen: De Adder van onder het gras te voorschyn gebragt, of de Hattemistische Spinosist Nader ontdekt en De eenvoudige en oprechte Waarheyd. Ontdekt in een samenspraak Tusschen een Roomsgezinde, een Gereformeerde, en Openhartige Vrygeest.** In beide traktaten wordt in niet mis te verstane bewoordingen tekeer gegaan tegen aanhangers van Spinoza en Pontiaan van Hattem (een 17e-eeuwse predikant die volgens de gereformeerden te vrijzinnig was en die uiteindelijk werd afgezet).*** Ik zal hier verder niet op ingaan, maar de oplettende lezer begrijpt vast dat ‘Openhartige Vrygeest’ toen nog niet als compliment werd bedoeld.

In elk geval gaat het hier dus om een vrij oude bijbel, weliswaar niet van de lichting van de eerste Statenbijbels, en niet uniek (soortgelijke exemplaren zijn bijvoorbeeld te vinden in de KB, of in de Amsterdamse, Utrechtse en Groningse UB), maar toch, iets om zuinig op te zijn. Daarom is het al vreemd dat het jaartal 1746 met balpen is onderstreept. Ook is het eigenaardig dat er op allerlei plaatsen gedroogde bladeren in het boek zitten, als om een herbarium voor te bereiden.

Maar dat is niks vergeleken met wat er in Het Boeck der Psalmen gebeurt. Het papier is ineens stugger en als ik het omsla, blijken er inmiddels vergeelde stukken papier te zijn ingeplakt, met lijm. Oorspronkelijk tien bladen, waarvan de twee laatste er weer uitgescheurd zijn, met achterlating van beschadigingen.

Het begint met de woorden op het eerste blad: ‘19.St.Nicolaas-feest.44’:

Wat is hier aan de hand? Navraag bij mijn achterneef en zijn moeder, de zus van mijn oma, leert mij het volgende. In december 1944 is deze Statenbijbel door mijn familie gebruikt als het Grote Boek van Sinterklaas. Het gaat hier zowel om de familie van de kant van mijn opa als die van de kant van mijn oma en om diverse onderduikers, vluchtelingen, omwonenden en personeel van Huis Verwolde bij Laren. In dat kasteel was de vader van mijn oma destijds tuinbaas, vandaar dat een deel van mijn familie daar woonde, samen met een aantal vluchtelingen en onderduikers. De rest woonde in de buurt. In de oorlog werd dit kasteel door de Duitsers gebruikt als sanatorium.

Hoewel volgens de familiegeschiedenis mijn overgrootvader in eerste instantie erg kwaad is geworden vanwege deze heiligschennis, wordt ook gezegd dat hij in tweede instantie zijn woede heeft ingeslikt ter wille van Sinterklaas in oorlogstijd. En gelukkig dat dit boek bestaat, want het is een uniek document.

Voor mij, omdat het over m’n familie gaat, maar ook vanwege de inkijk die dit boek geeft in de Nederlandse cultuur. Het vertelt het verhaal van de Republiek der Nederlanden, waar de protestanten met geld van de Staten-Generaal de eerste officiële Nederlandstalige bijbel lieten maken. Direct vertaald uit het Hebreeuws en Grieks. Een bijbel die veel invloed heeft uitgeoefend op de Nederlandse taal, en ook op de cultuur. Het verhaal van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog, de onderduikers, de hongerwinter en het improviseren om nog een beetje een normaal leven te kunnen leiden. En ten slotte het verhaal van Sinterklaas. En van de praktische nuchterheid om je Statenbijbel als Sinterklaasboek te gebruiken.

Roerend vind ik dat dit Sinterklaasboek niet alleen van alle aanwezigen, kinderen en volwassenen, een korte beschrijving bevat, zoals het hoort, maar ook een vrij secuur draaiboek vormt van wat er die avond ging gebeuren. Wie er eerst bezocht werd en wat er aan de kinderen werd verteld. Dat was een behoorlijk uitgebreid verhaal over de oorsprong van Sint Nicolaas in Mira – blijkbaar moest er ook iets geleerd worden – met daaropvolgend een verhaal dat hij allemaal zoons kreeg na aan het eind van zijn leven stiekem te trouwen. Elk van de zoons kreeg een land toebedeeld om daar ‘z’n gaven uit te delen’. De Statenbijbel-Sint koos voor Nederland omdat hij daar ‘zeer veel goeds van had gehoord’.

Een interessant detail is dat Sinterklaas en een van de Pieten – de tweede was mijn opa – juist door de onderduikers werden gespeeld. Een ondergedoken student uit Nijmegen was Sinterklaas en alle aantekeningen zijn van hem. Een ondergedoken joodse jongen was Zwarte Piet. Beiden ontsnapten aan de Duitsers door middel van het kasteel/sanatorium. De jongen werkte als tuinknecht voor mijn grootvader en de student ging als de Duitsers kwamen snel in het tuberculose-deel van het sanatorium liggen, waar de Duitsers niet durfden te komen.

De beschrijvingen van de personen bestaan uit de namen, eigenschappen en de surprise die ze zullen krijgen. Echte cadeaus zijn er niet, zo legt Sint uit: ‘De reis dit jaar zeer ongunstig door de oorlogsomstandigheden. De soldaten hebben alle cadeautjes meegegapt, vandaar surprises.’ Ook surprises waren tijdens de hongerwinter natuurlijk niet makkelijk te maken, dus wordt er gebruik gemaakt van dingen die voorhanden zijn: een zakje nagels voor een nagelbijtend meisje, een penhouder, pen en inktlap voor een leergraag jongetje en een bosje droge houtjes voor de moeder des huizes om het vuur mee aan te maken. Ook krijgt iedereen een boterletter. Dit verbaasde mij zeer. Tot ik van mijn achterneef hoorde dat het geen echte boterletter was, maar een letter van koolraap gemaakt, een onaangename verrassing voor de kinderen.

Geestig zijn beschrijvingen als ‘Moppert op anderen, dat ze stil in bed liggen, terwijl ze zelf vreselijk draait. Zwarte Piet is daar heel goed mee op de hoogte.’ Dit gaat over mijn oma, en Zwarte Piet was dus mijn opa. Of ‘Piet heeft ontdekt dat hij in Zutphen wel eens met een meisje liep: en dat nog zo jong, dan reeds bedorven!’ met als surprise ‘Een hart, geraakt door Cupido.’ En ‘Erg gesteld op de kat, soms meer dan op d’r eigen man.’

Maar de oorlog is zoals in de opmerking over de suprises al viel te zien, overal aanwezig. Over de zus van mijn oma staat er: ‘Moet ’s avonds op tijd thuiskomen. Niet goed voor d’r met zoveel mannen om te gaan op de late avond. Kan goed boodschappen doen, verzorgt op prima wijze de distributiebonnen.’ ‘Goed boodschappen doen’ en ‘zoveel mannen op de late avond’ blijkt te slaan op het feit dat zij altijd bij een buurman naar radio Oranje ging luisteren om de familie vervolgens op de hoogte te stellen. De stoker van het sanatorium ‘Had veefokker moeten worden. Kan altijd nog na de oorlog. Op technisch gebied een pluimpje verdiend. Zit de vijand aardig dwars’.

Fascinerend, en ik weet alleen nog maar het begin van het verhaal. Er zitten grapjes in die ik niet begrijp. Zo staat er los van de persoonlijke beschrijvingen een algemeen stukje over een van de families met: ‘Waar zijn de lucifers.’ Waren ze die altijd kwijt en was dat een bron van hilariteit? En hoe zat bovengenoemde stoker de vijand dwars? Het heeft iets te maken met ‘te lichte[? niet goed leesbaar] wapens’. Wat is er geworden van de onderduikers? Is het nog goed gekomen met het meisje dat ‘blind [was] voor mannelijke personen die ’t werkelijk goed menen’? En is de voorspelling ‘haar nieuw gebit zal haar misschien meer geluk brengen op liefdesgebied’ uitgekomen? Of moeten we hier toch vooral aan venijnige Sinterklaasscherts denken?

Er valt dus nog een boel uit te zoeken om dit verhaal in kaart te brengen. Dat hoop ik dan ook te doen, om die decemberavond in 1944 nog een keer tot leven te wekken, om te proberen het licht te vangen dat dit wonderlijke document tijdens de hongerwinter even bracht.

Hester Meuleman

Met dank aan Mathijs Deen en Wil Deen-Gussekloo

Hester Meuleman studeerde moderne en historische Nederlandse letterkunde aan de UvA en volgde daarna een theateropleiding. Momenteel is ze gastonderzoeker bij het Huygens ING, waar ze meewerkt aan de editie van de Volledige Werken van W.F. Hermans. Verder houdt ze zich bezig met met J.A. Dèr Mouw en het voorbereiden van een theaterstuk.

 

Noten

* Maandblad van ‘Oud-Utrecht’, 1 november 1937 (12e jaargang, nummer 11), p. 91.

** De Adder van onder het gras te voorschyn / gebragt, of de Hattemistische Spinosist / Nader ontdekt, in eenige voorafgaande / Aanmerkingen op het Antwoordt van / eenen Gemaskerden / Innocentius Devotus / Aan den zoogenaamden M. Sincerus, / door / Jacob Ferdin. van Davervelt, / Mede-Bedienaar des Heyligen Evangeliums / Te Utrecht, / Te Utrecht gedrukt, / By Pieter Muntendam / MDCCXXXIII [1733].
– De eenvoudige en oprechte Waarheyd. / Ontdekt in een samenspraak / Tusschen een Roomsgezinde, een Gereformeerde, en Openhartige Vrygeest. / Waar in op eene zeer korte, en bondige wijze de grouwelgronden der Vrygeesten, benevens der zelver schadelijke, en zielverdervende gevolgen; voornamentlyk zoo als die uyt de Godverlochenende Leerstukken van Spinosa, en van Hattem, voortvloeyen, ten klaarsten ontdekt worden. / door J.F. van Daverveldt, / mede Bedienaar des H. Evangeliums / T Utrecht. / De Twede Druk / Vermeerdert met een Voorberigt, waar in de ongegronde beswaarnissen van Pieter Smit, in zyn Request aan de E. Groot Agtb. Heeren Borgemeesteren en Vroetschap der Stad Utrecht, en in zyne twee memorien aan de Eerw. kerkenraadt aldaar, naaktelyk ten toon gestelt worden. / T Utrecht, / By Mattheus Visch, 1733.

*** Zie dbnl op ‘Pontiaan van Hattem’.

Een reactie op “Sinterklaas in oorlogstijd”

  1. [...] Meuleman, ‘Sinterklaas in oorlogstijd’. Op: Textualscholarship.nl  Manuscript van de maand, december [...]

Reageer