Het indrukwekkendste nummer uit het indrukwekkendste cabaretprogramma van de laatste jaren, Na de pauze (2007) van Herman Finkers, is het lied ‘Lieve dode dichter’. Deze ode aan Willem Wilmink, de in 2003 gestorven huisvriend van Finkers, bevat de ontroerende regels ‘Je bleef altijd die jongen / met zijn arm tegen de muur / van die warme Twentse kerk / na het hete middaguur.’ Hierin staan vrij precies de elementen die Wilminks wezen bepaalden: een haat-liefdeverhouding met het katholicisme, een stevige verknochtheid aan zijn geboortegrond Twente en daarbovenop een onverwoestbare jongensachtigheid.

In de collectieve herinnering leeft Wilmink dan ook in de eerste plaats voort als auteur van kinder- en jeugdliteratuur. In Altijd weer vogels die nesten beginnen (2006), Hugo Brems’ literatuurgeschiedenis van de jaren 1945-2005, komt hij op een enkele uitzondering na alleen in die hoedanigheid voor. De veelzijdigheid van Wilminks schrijverschap komt gelukkig beter uit de verf in de uitgaven met verzameld werk die de laatste jaren verschijnen. Na de verzamelde liedjes en gedichten (2004), verhalen (2009) en sprookjes en vertellingen (2010) zijn er nu de verzamelde brieven, bezorgd door Vic van de Reijt en Wobke Wilmink-Klein en geannoteerd door Annemieke Peek. Elsbeth Etty is verantwoordelijk voor de inleiding.

Of Wilmink zelf blij zou zijn geweest met een uitgave van zijn brieven is overigens twijfelachtig. Toen Aad Meinderts (Letterkundig Museum) hem eens om toestemming vroeg een brief van zijn hand aan Karel Eykman tentoon te mogen stellen, reageerde hij afwijzend: ‘ik heb het liever niet. Er wordt tegenwoordig nogal wat gesold met correspondenties, ook in commercieel opzicht, en ik zou me enigszins bespied voelen als, via via, niet voor de openbaarheid bestemde dingen toch vertoond zouden worden.’

 

WillemWilmink

 

Zelfportret in brieven bevat een keuze uit Wilminks correspondentie. De selectiecriteria waren dat de brieven ‘ook voor niet-ingewijden helder’ moesten zijn en dat ze ‘iets moesten zeggen over Wilminks leven of werk’. Alleen brieven van Wilmink zelf zijn opgenomen, niet de aan hem gerichte correspondentie, die hij zelf bovendien al voor een deel had vernietigd. Eeuwig zonde is dat de brieven die hij in zijn studententijd vanuit Amsterdam naar het thuisfront in Enschede stuurde niet zijn teruggevonden. De brieven die hij omgekeerd van zijn ouders ontving zijn wel boven water gekomen, maar vanwege de keuze alleen Wilmink zelf aan het woord te laten zijn deze buiten de editie gelaten.

Dat is jammer, want vermoed kan worden dat ze – voor zover ze reageren op hetgeen Wilmink schreef – voor het zelfportret van deze ‘outsider met een niet te stillen heimwee naar de geborgenheid van zijn jeugd’ (Etty) misschien wel inzichtelijker zullen zijn dan menige brief aan collega’s, vrienden of bekenden die er nu in staat. Wilmink was, zeker naarmate hij ouder werd, namelijk geen open boek in zijn privé-correspondentie. Het zijn ‘brieven, waarin een kunstenaar zijn ziel blootlegt’, schrijft Etty in de inleiding, maar dat is nu juist niet de indruk die men krijgt bij de lectuur ervan.

Wilmink was een tobber, werd geplaagd door angsten en tegenslagen, maar het werkelijke drama in zijn leven – de hel van zijn eerste huwelijk, de sores op zijn werk aan het Instituut voor Neerlandistiek van de UvA, zijn depressies, de moeizame verstandhouding met de zoons uit zijn eerste huwelijk, de Enschedese vuurwerkramp, zijn kwakkelende gezondheid in de laatste jaren – stelt hij vrijwel nooit zo direct in zijn brieven aan de orde. Dat doet hij in de regel pas achteraf, als het alweer beter met hem gaat, of jaren later, als hij kan terugblikken met de nodige distantie.

Zelden zijn de brieven het toneel van een diepe gevoelsuitstorting. Alleen in zijn eerste Amsterdamse jaren is Wilmink af en toe openhartig. Hij raakt er hopeloos verliefd op medestudente Mieke Veldt, de latere hoofddocent historische letterkunde. Aan haar schrijft hij sympathieke briefjes met vleiende gedichtjes, maar, zo moet hij een paar jaar later met pijn in het hart constateren, ze betekende meer voor hem dan hij voor haar: ‘ze heeft me altijd erg aardig gevonden, maar zich nooit voor me geïnteresseerd’.

In het ellendige Amsterdam van de jaren zestig en zeventig zinkt hij steeds dieper weg. Hij verliest er zijn eerste vrouw aan het feminisme, zo omschrijft hij het later. Ze kan niet met zijn angsten omgaan en is hem ontrouw. Nog in 1986 maakt hij zich, in een brief aan kleinkunsthistoricus Frank Verhallen, kwaad over de vaagheid (‘niet aan jezelf toekomen, wat betekent dat toch?’) en vijandigheid van de tweede-golf-feministen. Die van het eerste uur waren tenminste nog ‘uit op het geluk van vrouwen, en niet op de erkenning van elkaars ongeluk.’

Ook in de academie kan hij zijn draai niet vinden. Hij ergert zich aan het ‘vage getheoretiseer’ over Chomsky en aan de universitaire hervormingsdrift. Inzichtelijk is een passage in een brief aan collega Enno Endt, waarin hij naar aanleiding van de ‘marxistische stukken’ die zijn verdwaasde instituutscollega’s in die tijd afscheiden een serieuze visie lijkt te ontvouwen op de maatschappelijke ontwikkelingen in relatie tot zijn eigen werk: ‘Voor mij valt een links standpunt wel te verenigen met bewondering voor een overdracht van puur-persoonlijke of puur-autonome literatuur en ik zou het een verraad aan mezelf en een verraad aan het vak vinden, om de kant van het grote maatschappelijke verbond van-alles-met-alles op te gaan.’ Maar hij is nog niet op weg of hij trapt alweer krachtig op de rem en haalt zijn zorgvuldig opgebouwde redenering met één dodelijk zinnetje onderuit: ‘Bovendien: weet ik veel.’

In 1988 zal Wilmink alsnog tot doctor in de letteren promoveren, ook al vinden zijn promotoren Kees Fens en W.P. Gerritsen zijn dissertatie eigenlijk niet goed. Zelf noemt hij het een van zijn dierbaarste werken: ‘Mij is dat boekje uit het hart gegrepen,’ schrijft hij vijf jaar later aan neerlandicus Harry Bekkering, ‘en wat de geleerde wereld er dan verder van vindt, daar heb ik schijt aan.’ Dat hij zijn proefschrift hier met ‘boekje’ aanduidt is wellicht veelzeggend; zoals in dichterlijk opzicht light verse zijn terrein was, zo was Wilminks wetenschappelijke ideaal light scholarship.

Met zijn geestige en virtuoze liedjes en gedichten heeft Wilmink wel succes, en vanaf 1979 richt hij zich fulltime op het schrijven. Amsterdam hakt er niettemin een leven lang in. Ook als hij er alweer jaren vertrokken is, is hij geestelijk niet in staat om nog eens naar de hoofdstad te gaan voor de bruiloft van zijn zoon uit zijn eerste huwelijk. Dit wordt hem kwalijk genomen, maar, zo schrijft hij aan zijn tandarts Ab Grevers, ‘’t was geen onwil, maar onmacht’. Aan zijn tandarts dus, niet aan de zoon zelf. Zo neemt hij altijd de omweg, laat hij in de intieme brieven nooit het achterste van zijn tong zien.

Terug in Enschede, gelukkig met zijn tweede vrouw, is Wilmink eindelijk thuis. Aan Fens, die zijn met W.P. Gerritsen samengestelde bloemlezing middeleeuwse poëzie Lyrische lente (2000) geestdriftig besprak, schrijft hij: ‘De menselijke conditie zoals enkele katholieke gedichten in Lyrische lente die weergeven, is de mijne, ik heb trouwens al van kinds af aan het gevoel dat ik het katholicisme niet afwijs, maar het katholicisme mij wel.’ In 1995 had hij al een kathedralentocht door Noord-Frankrijk gemaakt met Herman en Hetty Finkers. In de Mariakapel van Larchant werd hij hevig geraakt door dertiende-eeuwse borstbeelden van depressieve mensen: ‘En dat alles uit de steen gehouwen met zoveel begrip en zoveel deernis, dat er voor mij niets mooiers bestaat dan dat kerkje.’

In zijn laatste levensjaren wandelde Wilmink weer door zijn Twente, de geuren van zijn jeugd opsnuivend, kilometers makend als remedie tegen een dichtgeslibde ader in zijn been. ‘Ik heb mezelf gerepareerd’ schrijft hij triomfantelijk en niet alleen op dat been doelend, zo lijkt het. Ongetwijfeld zal hij tijdens een van die wandelingen op een zomerse dag gepauzeerd hebben bij een Twentse kerk, om even zijn arm tegen de warme steen te leggen.

 

Marc van Zoggel

 

Willem Wilmink, Zelfportret in brieven. Samengesteld door Vic van de Reijt en Wobke Wilmink-Klein, met een inleiding van Elsbeth Etty en annotaties van Annemieke Peek. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2014, 528 blz.

Reageer