In september 2012 verscheen Bart Slijpers biografie van Kloos. Charlotte Cailliau (Huygens ING) recenseert.

 

Ik benijd Bart Slijper niet. Een biografie schrijven van een figuur als Willem Kloos (1859-1938) is geen gemakkelijke opgave. Wie onderzoek doet naar het leven van de dichter stuit op twee problemen. Allereerst zijn er uit de periode tot omstreeks 1898 bijzonder weinig egodocumenten overgeleverd. In die jaren had Kloos last van periodes van depressies, waarin hij beïnvloed door zijn somber gemoed brieven en getuigenissen verscheurde. Bovendien logeerde hij lange tijd bij vrienden in huis of in de buurt van zijn vrienden, zodat er veel mondeling werd besproken en weinig op papier gezet. Door het nagenoeg ontbreken van dergelijke documenten is het moeilijk te achterhalen wat Kloos in die tijd bezighield. Een tweede probleem waar de biograaf mee wordt geconfronteerd is de fundamentele onbetrouwbaarheid van Kloos’ latere getuigenissen. De oudere Kloos had in zijn achterkamer in de Regentesselaan in Den Haag steeds vaker de neiging om in verslagen van de gebeurtenissen van vroeger het belang van zijn aandeel te benadrukken en het werk van anderen te minimaliseren. Zoals hij het zich op dat moment herinnerde, was hij telkens de eerste en het belangrijkst geweest. De biograaf die deze bronnen in zijn studie verwerkt moet te allen tijde kritisch en alert zijn.

Fragment uit brief Kloos aan Timmerman, 21/02/1916, LM 1989L-001166

Gelukkig is er ander materiaal overgeleverd op basis waarvan de biograaf de belangrijkste gebeurtenissen in het leven van Kloos kan reconstrueren. Er zijn de dagboeken en brieven van Frederik van Eeden, de correspondenties van Willem Witsen en Carel Vosmaer, de collectie van Albert Verwey in de Bijzondere collecties van de Universiteit van Amsterdam, het auteursarchief in het Letterkundig Museum en de archieven van De Nieuwe Gids in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Uiteraard zijn ook deze bronnen niet objectief. Aan uitspraken in brieven en dagboeken zijn motieven verbonden die voor de hedendaagse lezer vaak niet langer duidelijk zijn. In deze gevallen geldt eveneens dat de biograaf voorzichtig met de bronnen moet omgaan.

Slijper heeft dat gedaan. Terecht vermeldt hij in verband met de eerste soort bronnen dat ze voor zijn onderzoek nauwelijks bruikbaar zijn. Hij heeft zich geconcentreerd op de tweede soort bronnen en veel tijd in de relevante archieven doorgebracht. Een blik in het notenapparaat en de bibliografie maakt duidelijk dat hij grondig te werk is gegaan. In In dit gevreesd gemis presenteert hij de resultaten van zijn archiefonderzoek. In die presentatie probeert hij zoveel mogelijk de bron aan het woord te laten door middel van citaten. De interpretatie van de biograaf beperkt zich tot een minimum in de paragrafen die jaren uit het leven van Kloos behandelen die goed gedocumenteerd zijn . In de hoofdstukken die de minder bekende periodes als onderwerp hebben komt de romancier in Slijper naar boven. Op basis van wat hij leest in zowel poëtische als kritische teksten van Kloos uit die tijd tracht hij de hiaten op te vullen. Soms gaat hij daarin iets te ver en legt hij woorden in de monden van personages die ze waarschijnlijk nooit zo hebben uitgesproken. Niettemin vind ik dat Slijper al bij al het evenwicht tussen de ene verteltrant en de andere weet te bewaren. Het verhaal leest vlot en is in een aangename stijl op papier gezet.

Inhoudelijk ligt het zwaartepunt op grofweg 1880 tot 1890, de eerste tien jaren van Kloos’ dichterschap. Slijper focust op deze periode omdat Kloos volgens hem toen zijn mooiste gedichten heeft geschreven. Bovendien, zo merkt hij in het nawoord op, zijn deze jaren het belangrijkst voor de geschiedenis van de Nederlandse letterkunde. Kloos’ verhaal van dit decennium componeert Slijper rond twee vriendschappen, namelijk die tussen Kloos en de jonggestorven dichter Jacques Perk (1880-1881) en die tussen Kloos en de zes jaar jongere Albert Verwey (1882-1888). De band tussen de dichters Perk en Kloos belichtte Slijper al in zijn in 2010 verschenen boek Onder de blauwe oneindigheid. Daarover biedt deze uitgave weinig nieuwe informatie. De ontrafeling van de andere belangrijke relatie in Kloos’ leven is wat mij betreft interessanter. Pas na het lezen van het boek realiseer ik me de intensiteit van de vriendschap tussen Verwey en Kloos en wat de verbreking ervan bij beide literatoren heeft teweeggebracht. In die meeslepende passages vind ik de biograaf op zijn best. De vele jaren van Kloos’ leven die na 1890 nog volgden worden daarentegen erg summier behandeld. Met deze aanpak schaart Slijper zich achter de heersende opvatting in de literatuurgeschiedenis: alles wat Kloos na 1890 schreef is het vermelden niet waard. In een biografie van Kloos – een levensbeschrijving – is dit uitgangspunt mijns inziens te beperkend. Net over de jaren die tot nog toe onderbelicht zijn gebleven had deze studie opheldering kunnen brengen. Kloos is niet gestorven in 1890 en heeft in de eerste decennia van de twintigste eeuw nieuwe generaties van literatoren, zowel in Nederland en Vlaanderen, beroerd.

 

Jonge Kloos – foto is tegenwoordig onvindbaar, wel gepubliceerd in Charles Vergeer, Willem Witsen en zijn vriendenkring. Amsterdam/Brussel, 1985, nr. 3.


Oude Kloos – Bijzondere collecties Universiteit van Amsterdam, OTM: hs. XXX A 46: 1200

Ik waardeer het boek van Slijper en heb het met plezier gelezen, maar naar mijn gevoel blijft het vaak te dicht op de huid van Willem Kloos zitten. Ik had een meer cultuurhistorische benadering verkozen met aandacht voor de context waarin Kloos’ leven zich afspeelde. Om dit te bewerkstelligen had Slijper zich bijvoorbeeld kunnen concentreren op de rollen die Kloos gespeeld heeft, namelijk die van dichter, criticus, ‘leider’ van de Beweging van Tachtig, redactiesecretaris en later eigenaar van De Nieuwe Gids. Binnen die rollen had dan het particuliere aan bod kunnen komen en de invloed die bijvoorbeeld de vriendschappen hebben uitgeoefend.

Mag ik tot slot opmerken dat het omslag van het boek me minder aanspreekt? Bekijk ik het boek van ver, dan zie ik een bleke vlakte vol kraters die dan van naderbij beschouwd de pokdalige wang van Willem Kloos blijkt te zijn. Een beetje kleur en een meer markante foto of afbeelding hadden het boek aantrekkelijker gemaakt.

Charlotte Cailliau

Bart Slijper, In dit gevreesd gemis. Het leven van Willem Kloos. Amsterdam: Bert Bakker, 2012.

Reageer