Februari 2013: Ter gelegenheid van de 75e verjaardag van Jan Siebelink verschijnt – dertig jaar na dato – zijn allereerste roman Daniël in de vallei als ‘oerboek’.

Een oerboek bestaat bij de gratie van het oeuvre dat een auteur naderhand heeft opgebouwd. Het bevat oermateriaal dat nooit in zijn oorspronkelijke vorm is gepubliceerd, maar wél op de een of andere manier in later werk is terechtgekomen. Dat materiaal kan bestaan uit eerste vingeroefeningen, probeersels en kladversies, maar ook uit een min of meer voltooid werk dat nooit werd uitgegeven. Veel schrijvers bewaren dergelijke oermanuscripten om er later nog eens uit te kunnen putten.

Omslag

Zo ook Jan Siebelink. Hij bleek zelfs een complete roman in een la te hebben liggen: Daniël in de vallei. Dertig jaar na dato wordt het alsnog uitgegeven in de Oerboek-reeks, de reeks die is opgezet om onbekend werk te publiceren dat beschouwd kan worden als een sleutel tot het oeuvre van belangrijke Nederlandse schrijvers.

Bij Siebelink staat het belang buiten kijf: hij behoort ‘tot de succesvolste schrijvers van Nederland’, om de flaptekst te citeren: ‘Met zijn roman Knielen op een bed violen veroverde hij een ongekend groot en breed publiek. Het boek werd onderscheiden met de AKO Literatuurprijs en in verscheidene talen vertaald.’ Als er dan een oerroman wordt gevonden die – zoals Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich het formuleren in hun naschrift – een ‘blauwdruk’ blijkt te zijn van de succesvolle Violen-roman (en van Suezkade), dan is de keuze snel gemaakt. Het belang van het latere werk bepaalt de waarde van het oermanuscript.

Ontstaan

Daniël in de vallei kent een lange ontstaansgeschiedenis. De kiem ervan ligt in 1955, in een opstel dat de zeventienjarige Siebelink tijdens zijn opleiding aan de Arnhemse Rijkskweekschool schrijft. Het opstel zelf is verloren gegaan, ‘maar fragmenten bevinden zich in deze oerroman’, zo vertelt Siebelink voor de gelegenheid. Het steeds maar uitdijende manuscript – een ‘mengelmoes van ongelijksoortige bestanddelen’ noemt hij het zelf – belandt uiteindelijk in de kelder, en komt daar pas jaren later weer uit als Laurens van Krevelen, hoofdredacteur bij uitgeverij Meulenhoff, in 1982 aan Siebelink vraagt of hij nog ergens mee bezig is.

Pagina-1-uitsnede

Het typoscript van Daniël in de vallei dat nu als oerboek is uitgegeven is het resultaat van het proces van herschrijven en herzien dat dan volgt. Het bestaat uit 224 bladen, interlinie anderhalf, regellengte maximaal (de meeste regels lopen bijna van het papier af, en om nog meer ruimte te winnen heeft Siebelink spaties weggelaten waar het maar mogelijk was). In en tussen de regels heeft de schrijver zowel met de typemachine en Tipp-Ex als in zijn minuscule handschrift tal van typefouten gecorrigeerd en hier en daar nog een inhoudelijke wijziging aangebracht.

Bij het corrigeren van de tekst heeft Jan Siebelink wel het een en ander over het hoofd gezien. Dat is natuurlijk niet verwonderlijk, want zoals elke andere auteur zal hij ervan uitgegaan zijn dat er tussen ingeleverde kopij en boekpublicatie nog wel een paar redactie- en correctieslagen zouden zitten. Zover is het dus nooit gekomen: als de schrijver het typoscript aan Van Krevelen laat lezen, is diens oordeel stellig: de roman zal niet worden uitgegeven en belandt opnieuw in de kelder.

Onhandigheden

Een succesvol schrijver die na dertig jaar wordt geconfronteerd met dit vroege werk zal – zo kunt u zich voorstellen – alleen met moeite de neiging kunnen onderdrukken om de tekst te herzien en misschien zelfs grondig onder handen te nemen, als ware het een nieuwe roman. Maar dat is het natuurlijk niet. Een oerboek is geen uitgave van een nieuw manuscript dat aan alle kanten nog geredigeerd moet worden, maar een editie van een inmiddels historisch geworden document.

En hier komt de ‘tekstbezorger’ om de hoek kijken die bij ieder deel van de Oerboek-reeks wordt ingeschakeld. Voor het Siebelink-deel had ik de eer. Mijn voornaamste taak was om erop toe te zien dat de charme van het oorspronkelijke typoscript intact bleef, dat wil zeggen: dat inhoudelijke inconsequenties en doublures niet werden gladgestreken door een oplettende redacteur, of dat Siebelinks spellingseigenaardigheden (zoals zijn neiging tot de Franse schrijfwijze) niet ten prooi vielen aan een corrector, én dat de schrijver zelf niet alsnog aan zijn tekst ging sleutelen.

Voor alle partijen was deze rolverdeling wel even wennen, want een uitgever geeft toch liever een nieuwe roman uit dan een historisch document, en ook een auteur ziet natuurlijk liever een meesterwerk van zijn hand verschijnen dan een nog ‘onvoldragen’ roman (de kwalificatie is van Arjan Peters). En de tekstbezorger? Die beseft ook wel dat er geen historisch-kritische Gesamtausgabe van hem verlangd wordt maar een publiekseditie, maar toch moet hij op bepaalde editoriale strepen blijven staan.

Ik zal u hier niet vermoeien met alle overwegingen, heroverwegingen en uiteindelijke beslissingen. Kijkt u de lijst met ingrepen er maar op na. Bijzonder in de samenwerking was de volledige vrijheid die ik van de uitgever kreeg, het meest verrassend was de ruimhartigheid die Jan Siebelink aan de dag legde – zij het na enige aarzeling. De schrijver las nauwgezet met de drukproeven mee en had ook zéker de neiging om de tekst hier en daar op te willen vijzelen, maar kwam tot inkeer toen hij een minder gelukte passage resoluut had doorgehaald. Dat vond hij toch ook zelf te gortig, en hij noteerde erboven: ‘of zo laten als zijnde onhandigheden passend bij het oerboek’.

Onhandigheden

Deze en andere ‘onhandigheden’ zijn dus in het oerboek blijven staan, zodat de lezer inderdaad kennis kan maken met de vroege Jan Siebelink en niet met de succesauteur die hij later zou worden. Nog niet, althans. Zoals Arjan Peters het verwoordt in het essay dat hij bijdroeg aan Daniël in de vallei: ‘Hét gebeurt hier nog niet, maar het komt eraan. Dat voel je. Dat meen je te zien. Je wéét het trouwens ook, met de kennis van nu. Dit verhaal [...] is een intrigerende oefening; een bed van zaailingen waaraan mettertijd alle waarlijk grote romans zouden ontspruiten.’ Een mooiere parallel tussen ‘oermateriaal’ en ‘violenboek’ is nauwelijks te verzinnen.

Peter de Bruijn

 

Jan Siebelink, Daniël in de vallei. Samenstelling en redactie Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich. Amsterdam (De Bezige Bij), 2013.

De redactie van de Oerboek-reeks wordt gevormd door Peter de Bruijn, Daan Cartens, Sjoerd van Faassen, Lisa Kuitert, Mirjam Rotenstreich en Yves T’Sjoen. In de reeks verschenen eerder oerboeken van Hella S. Haasse (2002), Jeroen Brouwers (2006), Mensje van Keulen (2008) en S. Vestdijk (2010).