Van 22 tot 24 november 2012 vond in Amsterdam de negende conferentie van de European Society for Textual Scholarship (ESTS) plaats, die werd georganiseerd in samenwerking met het Huygens ING. Het thema van de conferentie was: Editing fundamentals: Historical and literary paradigms in source editing. Elli Bleeker en Hester Meuleman waren er. Hieronder een impressionistische weergave van de discussie die ze na afloop voerden. Het thema van de conferentie, ‘editing fundamentals,’ leek openingsspreker en ESTS-voorzitter Dirk Van Hulle danig in de war te brengen.

Waarom?

Goede vraag! Ik vond het namelijk best een logisch thema voor een dergelijke conferentie. Een nieuwe digitale wereld vereist dat er nieuwe paradigma’s worden vastgesteld, zoals dat zo mooi heet. Ik was echter wel bang dat het nergens concreet zou worden. Alleen roepen dat er ‘een nieuwe standaard’ moet komen, die is ‘aangepast aan de huidige digitale tijden’ is te gemakkelijk. Dat horen we bovendien al jaren.

Ja, we moeten natuurlijk oppassen dat we er niet omheen blijven draaien, we moeten de digitale koe bij de horens vatten. Zo vond ik de vraag die opkwam na de keynote, ‘Scholarly editions in the world’, van Karina van Dalen-Oskam interessant: of er ook niet iets bestaat als ‘het recht om vergeten te worden’ en hoe het zit met privacy in het algemeen. Ineens hebben veel meer mensen toegang tot teksten die eerst alleen door een handvol academici werden gelezen.

Dat lijken mij bij uitstek vragen die tijdens zo’n conferentie aan de orde moeten komen. De deelnemers, van editiewetenschappers en letterkundigen tot historici, hebben allemaal te maken met dit dilemma. ‘Digital humanities’ is een betrekkelijk nieuwe tak van de geesteswetenschappen en omvat natuurlijk meer dan alleen de editiewetenschappen. Meerdere sprekers benadrukten dat dit een interdisciplinaire, gelaagde tak van de wetenschap is. Om die reden is het noodzakelijk om basisbegrippen opnieuw te definiëren, maar dit zou niet het belangrijkste doel moeten zijn. Het lijkt me logischer om te onderzoeken welke mogelijkheden de combinatie van tekstueel en technisch ingestelde mensen biedt.

Ja, want de gelaagdheid vormt deels een probleem. Huygens ING-directeur Lex Heerma van Voss had het in zijn openingswoord al over het ‘spekkoek-effect’: alle technische lagen die in een digitale editie moeten worden aangebracht. Godfried Coenen ging hier nog dieper op in. Coenen vertelde over het project Online Froissart, waar een indrukwekkende hoeveelheid geannoteerde teksten is te vinden van Jean Froissart (14e eeuw) over de Honderdjarige Oorlog. Waar hij tegenaan liep, was dat de technische ontwikkelingen nog niet zo ver zijn dat je tot in de oneindigheid lagen met metadata kunt aanbrengen. En dat is frustrerend. Ook Mariken Teeuwen benoemde in haar lezing ‘Fluent texts in medieval sources: Can digital tools help us make new editions?’ dit nieuwe probleem: de editeur die tal van nieuwe editiemogelijkheden heeft en zich afvraagt ‘hoe ga je te werk?’

We moeten ook nog rekening houden met het feit dat mensen tegenwoordig anders met teksten omgaan. Karina van Dalen-Oskam verwees niet voor niets naar Forgetful Muses van Ian Lancashire, waarin wordt beschreven hoe mensen in hun hoofd teksten verwerken. Dirk Van Hulle zei dat het menselijk brein tegenwoordig eerder wordt beschouwd als een voortdurend interactief apparaat, terwijl men het vroeger zag als een instrument dat slechts eenzijdig informatie opslurpt. Ons brein is de hele tijd bezig een link te maken met andere teksten, maar ook met theater, film, beeldende kunst.

Bij andere lezingen merkte ik dat ook. De projecten waarover werd gesproken lijken er rekening mee te houden dat wij meer in hyperlinks en intertekstualiteit zijn gaan denken. Wetenschappers experimenteren met de mogelijkheden die het digitale medium biedt om tekst op meerdere manieren weer te geven. Daarnaast werkt men ook niet langer alleen met traditionele teksten, maar steeds vaker met andere soorten materiaal. Zo onderzocht Purificación Ribes bijvoorbeeld de verfilmingen van Maurice Tourneur’s Volpone. En Daniël O’Donnell en James Graham presenteerden hun Visionary Cross-project, waarbij ze onder andere een 3D-weergave lieten zien van de oude runeteksten op het Ruthwell Cross in Schotland.

Lopen we alleen zo niet het risico af te dwalen naar sappige verhalen en fancy technische foefjes? Persoonlijk werd ik meegesleept door het verhaal ‘Editing Tourneur’s Volpone’ van Purificación Ribes over de censuur die de Amerikanen pleegden op de Franse versie van Volpone en was ik onder de indruk van het 3D-kruis, maar wat is er toch mis met het goede oude boek?

Ik denk dat maar weinig deelnemers van deze conferentie zullen zeggen dat er iets mis is met het traditionele boek. Wat ze je wel zouden kunnen vertellen, is dat het niet langer genoeg is. Alleen een tekst volstaat niet meer. We willen meer. Mensen willen meelezen met de auteur; zien wat hij/zij zag; met zo min mogelijk muisklikken zoveel mogelijk informatie oproepen.

Dat is dus dat hyperactieve moderne brein van ons? Ook vermoeiend.

Waarschijnlijk. En ja, zeker vermoeiend. We zouden ook niet altijd voor ‘zoveel mogelijk’ moeten gaan. Het was interessant om tijdens de lezing van Susanne Heim te merken dat sommige toehoorders suggereerden dat haar project wellicht beter tot z’n recht kwam in de vorm van het traditionele boek. Haar doel was het opstellen van een monument voor de slachtoffers van de Holocaust. Je zou kunnen zeggen dat de enorme hoeveelheid teksten in Heims corpus beter toegankelijk is in digitale vorm. Maar misschien dat de vluchtigheid van digitale tekst wordt gezien als een eigenschap die niet bij een dergelijke editie past? Door zijn tastbaarheid is een boek al bijna vanzelf een monument.

Hear hear! Het boek als monument!

Ik geloof dat we een titel voor ons stuk hebben.

Yes! Maar nu ga ik advocaat van de duivel spelen en zeggen dat de terechte kritiek, die ze overigens zelf onderkende, op het project van Heim was dat de keuzes voor bepaalde teksten tot een heel ander boek en dus een heel ander beeld van de Holocaust zouden leiden. Wat dat betreft biedt de digitale weg misschien een vollediger beeld?

Dit zijn natuurlijk dilemma’s die editiewetenschappers altijd al hebben gehad: hoe selecteer je? Voor wie maak je de editie? Denk je dat editiewetenschappers andere keuzes maken dan voorheen, nu webedities door meer mensen worden bezocht? Dat ze zich meer richten op ‘het grote publiek’?

Jazeker, het project van Els Stronks is daar een goed voorbeeld van. Bij het Emblem Project Utrecht, over zeventiende-eeuwse emblemata, kunnen reacties van lezers worden opgenomen. Bij Annotated Books On Line kunnen mensen zelfs manuscripten uploaden waar aantekeningen in de marge in staan. Zo creëer je een ‘global community’ waar wetenschappers over de hele wereld met elkaar kunnen communiceren. Ik denk niet per se dat wetenschappers andere keuzes maken, maar het wordt wel makkelijker meer mensen aan te spreken door middel van die community. De digitale component maakt teksten toegankelijker dan een ouderwets apparaat in een ouderwets boek.

Ja, maar tegelijk bestaan er ook nog publieksedities in boekvorm die wel aanspreken.

Met uitgebreid kritisch apparaat?

Nee, zonder.

Is het dan wel verantwoord?

Ha, daar hebben we de advocaat van de duivel weer. Nou, het was tekenend dat Andrew Jewell zei in zijn lezing ‘Across disciplines, across audiences, across purposes: Tales of a roving editor’ dat toen hij editiewetenschappers vertelde over zijn publiekseditie van de correspondentie van de Amerikaanse Willa Cather, het voelde als opbiechten van zijn zonden. Dat kwam vooral omdat hij een keuze moest maken uit de grote hoeveelheid tekst – die eeuwige last voor de editiewetenschapper – en doordat de tekst vanwege het publieksaspect zo ‘schoon’ mogelijk gepresenteerd moest worden. Er was bijvoorbeeld geen uitgebreid notenapparaat of lijst van ingrepen.

Wim van Mierlo stelde hier trouwens een terechte vraag: mag je er wel vanuit gaan dat het grote publiek een geannoteerde tekst niet kan of niet wil lezen? Onderschat je dan niet je lezers? Overigens kwam in die discussie ook de privacykwestie weer aan bod, want eigenlijk wilde Cather niet dat haar correspondentie publiek werd. In elk geval helpt deze editie degenen die het werk van Cather willen bestuderen verder. Eerst waren er alleen fragmenten beschikbaar en nu een verantwoorde editie.

Een ander voorbeeld van een verantwoorde publiekseditie zijn de Volledige Werken van Willem Frederik Hermans, waar Peter Kegel en Jan Gielkens over spraken. Deze editie bestaat uit een papieren publicatie én een digitale component, bruikbaar voor de wetenschapper de ‘gewone’ lezer.

En dan intertekstualiseert mijn brein naar de door Kegel en Gielkens aangehaalde quote van Roddy Doyle over Beyond Sleep, zoals Nooit meer slapen in het Engels heet: ‘The language is dry; the socks are wet; the compass is lost. A masterpiece.’ Want laten we dat niet vergeten: het gaat er uiteindelijk toch om de lezer een mooie tekst te bezorgen.

Prachtig. Maar om die advocaat van de duivel nog eenmaal in te zetten: ik wil nog even terugkomen op de zogenaamde interdisciplinairiteit van textual scholarship. Termen als innovatief, samenwerking en ‘across boundaries, across disciplines’ worden zo vaak gebruikt, dat ze hun betekenis dreigen te verliezen. Op papier staat het zo mooi, maar hoe is de realiteit? Binnen de geesteswetenschappen wordt er samengewerkt. Maar hoe groot is de kloof tussen de wereld van programmeurs en ontwikkelaars en die van geesteswetenschappers?

Nou, het gros van de aanwezigen kwam uit de geesteswetenschappelijke hoek. Bovendien werden alle discussies over TEI, XML en logoritmes op een nogal abstract niveau gevoerd. Het is nuttig om te filosoferen over de mogelijkheden en beperkingen van deze computertalen, maar ik miste een praktische nuchtere blik. Alleen Peter Shillingsburg en Jan Burgers leken zich daaraan te wagen. Het project van Shillingsburg, Humanities Research Infrastructure and Tools, is gericht op het ontwikkelen van ‘tools’ waarmee gebruikers een webeditie volledig naar hun wens kunnen inrichten en zo optimaal gebruik maken van het materiaal. De verantwoordelijkheid van de editeur verschuift van het aanbieden van een ‘ideale tekst’ naar het aanbieden van een digitale representatie van al het primaire bronnenmateriaal. Ook Simone Funda was bezig met het ontwikkelen van een dergelijke tool. Deze tool lijkt uitermate geschikt voor onze hyperactieve hersenen: gebruikers konden teksten, afbeeldingen en andere presentatievormen annoteren en onderling verbinden. Interessante ontwikkelingen die aantonen waar een samenwerking tussen de geesteswetenschappers en ontwikkelaars toe kan leiden. Toch zou een (grotere) bijdrage van programmeurs/ontwikkelaars hier niet hebben misstaan.

Bent u er nog, met uw moderne, intertekstuele brein?

Dan mag u nu weer een boek uit de kast pakken.

Elli Bleeker en Hester Meuleman (Huygens ING)

 

Een reactie op “Hear hear! Het boek als monument! Over de ESTS2012 Conferentie (22-24 november 2012, Amsterdam)”

Reageer