‘Deze gebeurtenis is te gewichtig voor het tegenwoordig[e tijdperk] en misschien in hare gevolgen om hiervan iets zonder melding voorbij te laten gaan.’ Met deze woorden omschreef de achttienjarige Willem de Clercq (1795-1844) de onrust in Nederland in het najaar van 1813.
De wortels van deze spanningen reikten diep.1 De nederlaag van Napoleon tegen de Europese coalitielegers in de Slag bij Leipzig (19 oktober 1813) luidde een onzekere tijd in op het Europese politieke toneel. Zo ook in Nederland, waar onduidelijkheid heerste over de toekomst van het Franse bestuur dat sinds 1795 haar invloed had uitgeoefend op de binnenlandse politiek, met een complete inlijving in 1810 tot gevolg. Binnen enkele weken rukten de Russische en Pruisische troepen – wier daadwerkelijke bedoelingen voor velen nog duister waren – op richting Nederland.

Deze bewogen periode is nauwkeurig beschreven door Willem de Clercq, de latere secretaris en directeur van de Nederlandsche Handel-Maatschappij en een der voormannen van de Nederlandse Réveil. Hij stamde uit een gegoede doopsgezinde familie, die haar inkomsten won uit de firma S&P de Clercq, waarin de jonge Willem al in 1810 was opgenomen. In datzelfde jaar begon hij in een dagboek zijn dagelijkse belevenissen te noteren; een vast element in zijn leven dat hij in stand heeft gehouden tot enkele dagen voor zijn overlijden op 4 februari 1844. Hij schreef uitvoerig over de turbulente maanden in 1813; zijn notities in november en december – gedeeltelijk in het Frans geschreven – besloegen bijna honderd bladzijden. Nu, aan het begin van de viering van 200 jaar koninkrijk, bieden zijn gedetailleerde observaties over het toenmalige sociale en politieke rumoer een waardevol inzicht in deze beslissende periode in de geschiedenis van de Nederlandse monarchie.

Van Os (1776-1839): De aankomst van de kozakken in Utrecht in 1813, Collectie Centraal Museum, Utrecht

Onbestemde weken
De Clercq baseerde zijn aantekeningen grotendeels op eigen waarnemingen; voor het nieuws buiten Amsterdam was hij afhankelijk van de (vaak onbetrouwbare) berichtgeving in de couranten en van de geruchten die de stad bereikten. De berichten over de opmars van de Europese geallieerde troepen volgden elkaar begin november in hoog tempo op: ‘Het zijn’, zo stelde De Clercq vast, ‘niet meer de dagen doch zelfs de uren die boeiend worden.’2
Op 9 november passeerden de Oost-Europese kozakken als eersten de Nederlandse grens. Naarmate de Franse bestuurders en militairen hierop het land begonnen te verlaten en het oude bewind geleidelijk wegviel, vonden in verschillende Nederlandse steden ongeregeldheden plaats. Het grootste oproer ontstond op 15 november in Amsterdam, waar de bevolking de kans greep om haar onvrede te uiten over de zware belastingen en de afbraak van de handel onder het Franse bewind. De Franse douanehuisjes in de stad, die symbool stonden voor deze malaise, werden die nacht in brand gestoken. De Clercq beschreef het rumoer in de stad, dat ’s avonds vanuit zijn kantoor hoorbaar was:

Spoedig vernamen wij dat het een troep van een honderdtal personen […] was, die de kreet ‘Oranje boven’ lieten weerklinken en die gevolgd werden door een aanzienlijke menigte van mensen. […] Vannacht werd ik gewekt door kreten en liederen terwijl er zo nu en dan een dichte hagel viel. Vanmorgen vernamen wij dat het rode schijnsel aan de hemel moest worden toegeschreven aan de brand van alle huizen van de douane […]. Een grote menigte Amsterdammers doorkruiste al zingende de straten. […] Moge deze dag, besmeurd door misdrijven, toch het begin zijn van een gelukkiger tijdperk […].3

Deze sociale onrust betekende weliswaar geen politieke, maar wel een mentale omslag onder de Amsterdamse bevolking. Ook De Clercq beschouwde deze dag als een belangrijk keerpunt: ‘De gebeurtenissen die hier in de laatste week voorgevallen zijn kunnen wezentlijk met recht de naam van omwenteling dragen. Alles wat fransch was is verdwenen [...].’Op diezelfde dag gingen de aantekeningen van De Clercq over van het Frans naar het Nederlands.

De daadwerkelijke politieke omwenteling ontstond in het zuidwesten van het land. Het nieuwe bestuur in Den Haag – waar tevens een oproer was uitgebroken – sprak zich nu duidelijk uit tegen de Fransen terwijl het voorlopige Amsterdamse stadsbestuur zich voornamelijk richtte op het herstel van de oude orde. Uit het ontstane machtsvacuüm verrees het Voorlopig Bewind, dat Prins Willem Frederik van Oranje uitnodigde als soeverein vorst het bestuur over Nederland op zich te nemen. Vanuit Den Haag werden de lokale besturen aangespoord om het nieuwe algemene bestuur te erkennen en de banden met de Fransen te verbreken.

Maar voor velen in Nederland voelden deze ontwikkelingen geenszins als een bevrijding. De Clercq beschreef de argwaan die nog onder de Amsterdammers leefde: ‘Wij zijn […] in ’t geheel nog niet overtuigd dat de geallieerde mogendheden het met ons eens zijn om de prins van Oranje hier weder in het bewind te herstellen […] alles is zoo verward dat men nog geen blijkbaar vooruitzicht op redding kan voeden.’5 Het vertrouwen op een betere toekomst kwam in Amsterdam pas op 24 november, toen de kozakken bij de stadspoorten arriveerden om de laatste Fransen te verdrijven. Door hun aanwezigheid werd de stad gevrijwaard van represailles van de Fransen die zich nog in de regio bevonden. ‘Ieder was vol van vreugde en men wenschte elkanderen hartelijk geluk […]. Een geheel nieuw volk scheen verrezen te zijn en daar waar nog voor twee weken men slechts het zuchtend gemor van slaven hoorde heerschte nu overal de juichtoon der vrijheid.’6

De terugkeer van de Oranjes en De Clercqs persoonlijke ontmoetingen met de koning
Op 30 november zette de prins voet aan wal op het strand van Scheveningen, om twee dagen later in Amsterdam tot soeverein vorst te worden uitgeroepen. De Clercq stond – op het eerste moment in zijn leven dat hij Nederland buiten Frans bewind zag – langs de route van de prins door de stad:

Deze dag zal altoos in de geschiedenissen van Nederland gedenkwaardig blijven. Ik heb na een negentienjarig afzijn den naneef van Willem den Eersten en van Frederik Hendrik weder door het juichend Nederland als een verlosser zien ontfangen […]. Aan alle gevels praalde de Hollandsche vlag, ginds die van Oranje en hier en daar vertoonde de leeuw van Holland zijne eertijds zoo gevreesde klauw. […] De prins zat op een open barouche door zes paarden bespannen. […] Hij was zeer eenvoudig in een bruine jas gekleed. Het levendigst geroep van Hoezee en Oranje boven klonk en weergalmde van alle zijden naast zijn rijtuig. […]De volksmenigte was ontzettend. Sommigen reikten de prins hun handen toe en alles ademde vreugde. […]De omwenteling is volbragt. […] Elk braaf burger elk waar vaderlander gevoelt nu dat Oranje de leus moet zijn om welks middenpunt wij ons moeten vereenigen.7

De Clercq wist toen nog niet dat hij Koning Willem I en zijn opvolger in zijn latere leven verschillende malen zou ontmoeten. Vanaf 1824 was hij als secretaris – en later als directeur – werkzaam bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij die op initiatief van de koning was opgericht. In deze hoedanigheid ging hij geregeld op audiëntie bij Willem I, die De Clercq in zijn dagboek beschreef als iemand met ‘een zeer goedwillig maar weinig imposant voorkomen’,8 die zich ‘zeer moeilijk uitlaat, en eenigzints verlegen is.’Ook de latere jaren in het dagboek van De Clercq bieden middels deze beschrijvingen een unieke blik op de koninklijke familie tijdens de eerste decennia van de Nederlandse monarchie. Een monarchie die, naar De Clercqs aantekeningen laten zien, geenszins ontstond uit een algemene lang gekoesterde ‘bevrijding’ van de Fransen, maar voortkwam uit een effectief ingrijpen van een kleine groep Haagse regenten op een grillige politieke situatie. Een interventie van bovenaf, die echter door een groot deel van de Nederlandse bevolking werd toegejuicht.

Frederiek ten Broeke, Huygens ING

 

Noten

[1] Willem de Clercq, Woelige weken: November-December 1813 (toelichting: W.A. de Clercq) (Amsterdam 1988) 28.
[2] Ibidem 19.
[3] Ibidem 27-28.
[4] Dagboek van Willem de Clercq 1811-1830, deel III (1813) http://www.historici.nl/retroboeken/declercq 274.
[5] Ibidem 287.
[6] Ibidem 289-290.
[7] Ibidem 308-310.
[8] Dagboek van Willem de Clercq 1811-1830, deel XI (1824) http://www.historici.nl/retroboeken/declercq 59.
[9] Dagboek van Willem de Clercq 1811-1830, deel XVI (1829) http://www.historici.nl/retroboeken/declercq 280

Een reactie op “Willem de Clercq over 1813 en Koning Willem I”

  1. [...] ‘Deze gebeurtenis is te gewichtig voor het tegenwoordig[e tijdperk] en misschien in hare gevolgen om hiervan iets zonder melding voorbij te laten gaan.’ Met deze woorden omschreef de achttienjarige Willem de Clercq (1795-1844) de onrust in Nederland in het najaar van 1813. De wortels van deze spanningen reikten diep (…) Lees verder op textualscholarship.nl [...]

Reageer