November 2009: Charlotte Cailliau over Willem Kloos, zijn vrouw Jeanne in een ‘saaie bruine jurk’ en haar grijze zus. Twee priesteressen die de God in het diepst van zijn gedachten onder geen beding wensen te storen: ‘Willem slaapt ’s middags altijd een half uurtje.’

***

Het manuscript van de maand november is een ‘petite histoire’ die te amusant is om in een map in de kast te blijven zitten. Ik trof het aan toen ik voor mijn onderzoek het archief van Willem Kloos doornam in het Letterkundig Museum (signatuur K 00533 B3). Het gaat dus opnieuw over Kloos en het is opnieuw een brief. Maar daar houdt de vergelijking op. In tegenstelling tot het manuscript van de maand oktober, gaat het nu over de oudere Kloos die ondertussen al enkele jaren ‘gelukkig’ getrouwd is met Jeanne Reyneke Van Stuwe.

Willem Kloos en Jeanne Reyneke van Stuwe, jaren twintig (Gemeentearchief Den Haag).

De brief is geschreven door Albert van der Hoogte (1909-1970), die in de jaren twintig met zijn poëtische aspiraties als vanzelfsprekend bij de Grote Dichter uitkomt en zelfs bij hem op bezoek mag. Aan Wim Zaal vertelt hij, veertig jaar later, het relaas van de ontmoeting met Kloos en zijn vrouw. Zaal werkt op dat moment aan een artikel over Jeanne Kloos dat in 1969 in Nooit van gehoord. Stiefkinderen van de Nederlandse beschaving zou verschijnen en had bij Van der Hoogte geïnformeerd of hij Jeanne gekend had. Op 2 oktober 1968 kreeg hij het volgende antwoord:

‘Ik mag niet zeggen, dat ik Mevr. Kloos gekend heb, wèl, dat ik haar éen maal heb gesproken en enkele malen heb gezien. Toen ik 16 jaar was, schreef ik natuurlijk ook gedichten. Een proeve van mijn werk stuurde ik aan Willem Kloos, waarna ik de brief ontving, die ik U bijgaand ter kennisneming toezend. Dat was in 1927. Enkele jaren later schreef ik weer enkele gedichten, die ik aan Kloos stuurde en waarop ik ten antwoord kreeg, dat hij ze zou behouden ter plaatsing. Ik heb daar echter nooit iets van in druk gezien en evenmin heb ik ooit een cent honorarium ontvangen. Vermoedelijk is het dus bij de toezegging van de grote voorman der Tachtigers gebleven. De correspondentie en de gedichten zijn verloren gegaan, op éen sonnet na, dat ik curiositeitshalve opschrijf:

Aan Frederik van Eeden (†)

Uw lichaam is niet meer; vergaan zijn Uwe pijnen.
Toch: sterven deedt Ge niet. Uw Weezen te omheinen
Vermocht geen Dood. Het stoflijk mensenlijf mocht kwijnen,
Bezwijken zelfs, het heeven van Uw noob’len, fijnen

En hoogen Kunstnaarsgeest bleef onberoerd. Langs lijnen
Van diepdoorvoelde Waarheid stijgt hij en blijft deinen
Op wolken van oneindigheid. En vele kleinen,
Hart’len macht’loos hun bekrompen breinen

Om spot te vinden voor Uw grootheid, om te schreinen
Uw diepste innerlijk. Vergeefs. Voornaam op zijnen
Wiekslag zweeft Uw Geest. Ik breng U mijnen

Dank voor al wat Gij ons gaaft. Uw Weezen leeft, rein en
Flonkerend, gelijk in klaar kristallen glazen eed’le wijnen.
Zijn lichtglans blijve eeuwig op ons schijnen.

Ik citeer dit gedicht om duidelijk te maken, in welk een gemoedsstemming ik enige tijd later naar de Regentesselaan ging om met Kloos kennis te maken. Compleet met hoofdletters en al is het gedicht natuurlijk een imitatie van wat vijftig jaar daarvòor als de nieuwe dichtkunst gold.

Regentesselaan 176, plaquette van de hand van Françoise Carbasius (1953), ‘Hier woonden Dr. Willem Kloos 1900-1938 en Jeanne Kloos-Reyneke van Stuwe 1900-1951′ (Gemeentearchief Den Haag)

De Regentesselaan had destijds omstreeks 1932 nog wat meer aanzien dan thans het geval is, maar was toch niet wat je noemt een heel deftige buurt. Ik verbaasde er mij over, dat de mensen er zo onverschillig huns weegs gingen en dat er ergens een gewone groentenwinkel, met gewone klanten was. In de nabijheid van de Grote Dichter verwachtte ik iets heel anders.

De deur werd opengedaan door een kleine, pinnige dame, in een saaie bruine jurk met een lange gouden horlogeketting om de hals. Ik zei wie ik was en dat ik een briefje had gekregen van de heer Kloos, waarin hij mij toestemming gaf, hem die dag om drie uur in de namiddag te bezoeken. De dame knikte en zei: Komt U maar binnen. Zij zei niet, wie ze was, maar ik begreep dat zij Jeanne Kloos was. Ze liet me in een uiterst sombere voorkamer, waar grote, sombere meubels stonden en een grote boekenkast tegen de muur leunde.

In die kamer bevond zich een andere, kleine grijze dame, kennelijk een zuster van de eerste. Ook zij noemde haar naam niet, maar ik hoorde even later, dat mevrouw Kloos haar “Jaquelien” noemde. Van het gesprek herinner ik me niet veel. Beide dames waren niet onvriendelijk, maar erg gereserveerd. Ik begreep, dat ik het als een zeer grote gunst moest beschouwen, dat ik voor het aanschijn van Willem Kloos mocht treden. Ook voelde ik, dat beide vrouwen een soort priesteressen waren, die dienst deden in de voorhof van de tempel.

Op een gegeven ogenblik stotterde ik zoiets als: “Ik heb Uw boeken ook gelezen, mevrouw, ‘Huis ter Aa…’” Maar mevrouw Kloos ging er niet of nauwelijks op in. Wij waren in het huis van Willem Kloos en daar gold alleen de dienst van de Dichter.

Na enkele minuten zei mevrouw Kloos: “Ik zal eens even zien…” En zij verliet de kamer. Toen zei Jacqueline: “Willem slaapt ’s middags altijd een half uurtje.”

Mevrouw Kloos kwam terug en zei: “Komt u maar mee” en zij ging mij voor naar de achterkamer. Daar ontmoette ik in een wolk van sigarenrook, tussen duizenden boeken, de oude Kloos, die mij vriendelijk, maar afgemeten te woord stond. Wij spraken over de dichtkunst (uiteraard) en in het bijzonder over Okeanos. Na een half uurtje ging ik weg. Mevrouw Kloos wachtte al in de gang en liet mij uit, niet onvriendelijk, maar uiterst gereserveerd.

Wat mij vooral opviel was het volslagen gebrek aan humor, zowel bij Kloos als bij de beide vrouwen. Kloos was niet alleen een God in het diepst van zijn gedachten, maar ook een God in de Achterkamer van de Regentesselaan 176.

De beide vrouwen waren zowel zijn lijfwacht als zijn priesteressen. Ook beschouwden zij hem in niet geringe mate als hun persoonlijk eigendom.’

***

Tot zover het relaas van Van der Hoogte. In zijn boek nam Wim Zaal alleen het citaat over het volslagen gebrek aan humor’ over, dat hij anoniem optekende, de rest van het verslag werd parafraserend ter
uggebracht tot de opmerking dat Jeanne
‘de priesteres [was] die de godheid beschermde’, zonder hoofdletters, zonder bronvermelding. Daarmee deed hij niet alleen de God in de Achterkamer van de Regentesselaan 176’ tekort, maar ook ‘een zijner bezoekers’.


Charlotte Cailliau