Na de presentatie van Faverey’s Verzamelde gedichten (1993), in een feestelijke nazit ten huize van de weduwe met veel wijn en hapjes, tekende Marita Mathijsen het contract voor een uitgave van het volledige dichtwerk. Op een servetje dat naast de gehaktballetjes lag. Dit najaar komt ze de aldus aangegane ‘verplichting’ na. Een honderdtal gedichten zullen aan het oeuvre kunnen worden toegevoegd.

Op 16 oktober 1990 werd ik gebeld door redacteur Oscar Timmers van De Bezige Bij. Het was de zesde verjaardag van mijn dochtertje en ik zat midden in een kinderfeestje. Of ik de Verzamelde gedichten van Hans Faverey wilde gaan verzorgen. Ik slikte even, want dit voelde als een koninklijke onderscheiding. Daarna zei ik dat ik hem terug zou bellen. De goochelaar die we voor het feestje ingehuurd hadden was onverstoorbaar doorgegaan, en de kinderen hadden de telefoon niet eens gehoord. Toch was mij op dat moment een bijzonder voorstel gedaan. Ik beschouw Hans Faverey, die op 8 juli van dat jaar overleden was, als de grootste dichter van de periode na de Vijftigers. Een uitnodiging om zijn verzameld werk te gaan uitgeven, is niet zonder betekenis.

De volgende dag belde ik terug en natuurlijk had ik besloten de uitnodiging aan te nemen. Ik wist op dat moment nog niet helemaal wat het allemaal zou inhouden, maar ik besefte wel dat het voor de weduwe bepaald niet aangenaam moest zijn dat er drie maanden na de dood van de geliefde een vreemde in haar huis zou komen om te gaan wroeten in de dierbare documenten. Ik had Hans Faverey wel gekend, en ook zijn vrouw, Lela Ze?kovi?, kende ik, maar beiden slechts heel oppervlakkig.

Enige weken later ben ik begonnen. De opdracht was: een betrouwbare uitgave maken van de gedichten die tot dan toe verschenen waren. Ik wist op dat moment nog niet wat er behalve de gepubliceerde dichtbundels voorhanden was, en ik wist ook niet of de dichtbundels betrouwbare teksten presenteerden. Ook wist ik niet of er veel verschil was tussen eerste drukken en herdrukken. Ook over tijdschriftpublicaties wist ik niet veel meer dan dat ik wel eens voorpublicaties in De Revisor en in Raster had gezien.

De uitgegeven bundels bleken allemaal uiterst secuur samengesteld te zijn door de schrijver. Tussen eerste en latere drukken zaten vrijwel geen inhoudelijke varianten. Daarom koos ik de laatste versie bij het leven als basistekst. Zelfs tussen tijdschriftpublicaties en drukken zaten geen noemenswaardige verschillen. Faverey bleek ongelooflijk veel te schrappen, toe te voegen en te wijzigen vóórdat hij een gedicht de wereld inzond, maar was het eenmaal gepubliceerd, dan liet hij het verder met rust, op een enkele spellingskwestie of een leestekenverandering na. Vrijwel alles wat hij ooit in een tijdschrift het licht had doen zien, was ook in een bundel opgenomen. Voor de ‘Verspreide publikaties’ vond ik slechts zes gedichten.

Bibliofiele uitgave van ‘Waarover droomt zij,’ (Gedicht van de dag, Amsterdam 1978)

Ik was me er zeer van bewust dat een goed verzameld werk dat kort na de dood van een auteur uitkomt bij kan dragen aan de canonisering. Het leek me belangrijk dat er een echte mooie uitgave gemaakt zou worden. Voor het gedegen editeerwerk moest ik de verantwoordelijkheid op me nemen. De boekuitgave zou naar mijn idee tegelijkertijd moderniteit en klassieke schoonheid moeten uitstralen, het papier zou mooi moeten vallen voor de 750 pagina’s, en de typografie moest streng en fraai zijn. Hans Faverey wilde altijd dat zijn bundels in de Times gezet werden, dat de omslagen sober waren en aardse tinten hadden, en dat er zoveel mogelijk wit om de gedichten heen zat. De uitgever moest dus zorgen voor een boekverzorger die aansloot bij de wensen van Faverey.

Maar bij De Bezige Bij was het in die tijd niet zo gebruikelijk om een typograaf bij een uitgave te betrekken. Tot mijn stomme verbazing zag ik een kostenberekening waarbij geen bedrag voor een typograaf ingecalculeerd was. Ik had toen allang bedacht, dat Harry N. Sierman het meest zou aansluiten bij wat Faverey beoogde, en vooral ook bij wat de weduwe daarover dacht. Siermans strakheid, zijn voorkeur voor klassieke eenvoudigheid en zijn dienstbaarheid aan de tekst maakten hem op dat moment tot de aangewezen typograaf. Maar Sierman was duur en De Bezige Bij dacht zonder typograaf te kunnen. Er werd een dummy gemaakt – en toen kwam de schrijversweduwe in opstand. Ze dreigde stante pede het contact met De Bezige Bij te verbreken, als die vulgaire baksteen die ze gezien had Hans’ Verzameld werk zou worden. Opnieuw kreeg ik De Bezige Bij aan de telefoon, nu niet de redacteur maar de directeur. Hoe hij dit nu moest aanpakken. Ik opperde fijntjes dat ik wel een oplossing wist: Harry N. Sierman. En dat bleek inderdaad het schot in de roos te zijn dat ik verwacht had. Lela Faverey voelde meteen na het eerste gesprek dat Sierman de juiste man was. De uitgever mopperde eerst nog wat over de kosten, maar toen de uitgave eenmaal gerealiseerd was, vrij snel herdrukt moest worden en het boek bovendien bekroond werd als een van de 50 best verzorgde boeken van het jaar, trok die ook bij.

Ik had in 1990 besloten alleen gepubliceerde gedichten op te nemen. Maar ik ontdekte al snel dat er nog een flinke voorraad ongepubliceerde, maar wel voltooide gedichten tussen de papieren zat. Daarnaast waren er vele variante versies bewaard gebleven, tot een tiental van ‘Rotslandschap met scheepstakelage’. Een variantenonderzoek zou zeker heel interessant zijn, leek mij. Een dergelijk onderzoek zou vele jaren vergen, en dat leek me niet iets voor een privé-persoon, maar voor het Huygens Instituut, in de toekomst. De ongepubliceerde voltooide verzen lieten me echter niet los.

Het servetje waarop de afspraak vastgelegd werd om de Nagelaten gedichten van Hans Faverey te publiceren

Op 5 februari 1993 was de presentatie van de Verzamelde gedichten. Na de feestelijkheden bij De Bezige Bij werd de avond voortgezet voor intimi bij Lela Ze?kovi? thuis. Bij veel wijn en veel hapjes kwamen we te spreken over wat er nog moest gebeuren. Oscar Timmers pakte een servet van de stapel naast de gehaktballetjes en schreef daarop een contract voor de uitgave, met een handtekening van Lela, hemzelf en mij. Dat servetje bleef door mijn gedachten spoken. Maar andere zaken hadden voorrang: het handboek teksteditie, boeken over de negentiende eeuw. Ik kreeg het drukker en drukker. Bovendien werd ik zelf weduwe. Oscar ging met pensioen, ikzelf werd hoogleraar en kreeg het nog drukker. Lela Faverey verhuisde naar Triëst in Italië en nam de handschriften mee. Maar het servetje lag er nog, en dat hinderde me. Ik nam me voor om de nagelaten gedichten te editeren na mijn pensioen. Inmiddels had Lela Ze?kovi? alvast een uitgave gemaakt van de mooiste nagelaten gedichten in Springvossen. Een bloemlezing, op esthetische maatstaven geselecteerd.

Versie van ‘Rotslandschap met scheepstakelage’, met een wanhopige verzuchting onderaan: ’11.04.75: 3 jaar aan bezig: nooit kom ik uit deze ets.’

Ik heb het nog steeds druk, ook al ben ik gepensioneerd sinds enige maanden. Maar het servetje heeft nu lang genoeg gezwegen. Dit jaar is Hans Faverey twintig jaar dood. Een mooie datum om een uitgave van zijn volledig dichtwerk te maken. Dus heb ik voor april en mei een appartementje gehuurd in Triëst. Ik verwacht een honderdtal gedichten aan de bestaande Verzamelde gedichten toe te voegen. Het zal nog een hele klus worden om te beslissen welke gedichten niet voltooid zijn en welke als voltooid beschouwd kunnen worden. Hans Faverey had de gewoonte om voor nieuwe versies nieuwe vellen in zijn schrijfmachine te draaien. En nieuwe versies wijken bij hem soms heel sterk af van eerdere. Hij schrijft langzaam maar zeker het anekdotische uit een gedicht tot hij een volledig geabstraheerde versie heeft. Het verschil tussen een nieuwe versie of een nieuw gedicht is lang niet altijd duidelijk. Soms helpt alleen de herkenning van enkele opvallende woorden die in alle versies vastgeklonken zijn gebleven.

Versie van een niet voltooid gedicht

Het verzameld werk van Hans Faverey is op dit moment niet meer te krijgen. Op 14 september, zijn geboortedag, hoop ik een prachtige nieuwe uitgave aan te kunnen bieden. Met alle voltooide, gepubliceerde en ongepubliceerde gedichten. In een gedegen editie, waarvoor ik borg moet staan, en in een typografische uitvoering die niet onderdoet voor die van de inmiddels overleden Harry N. Sierman. Misschien dat op de avond van de presentatie ik naast een schotel gehaktballetjes en een stapel servetten zit met de directeur van het Huygens Instituut en dat we op een servetje een contract tekenen over de uitgave van een varianteneditie. In 2033 bijvoorbeeld, als Hans zijn eeuwfeest viert. Met een beetje goede wil kan ik er dan nog bij zijn, al zal ik die editie niet zelf maken.

Marita Mathijsen