Februari 2011: De Bezige Bij trakteerde zijn relaties op een fraaie facsimile van het handschrift van De ontdekking van de hemel. ‘Voer voor toekomstige editeuren’, aldus het begeleidende kaartje. Marc van Zoggel licht een tip van de sluier op.

De economische crisis heeft ook de uitgeverswereld niet ongemoeid gelaten, zo constateerde Arjen Fortuin, recensent van NRC/Handelsblad, begin dit jaar. Uitgeverijen stoppen namelijk massaal met het exclusieve nieuwjaarsgeschenk. Teleurgesteld moest Fortuin dan ook concluderen dat januari geen feestmaand meer is voor de bibliofiel.

Een van de weinige uitgeverijen die hun relaties nog wel een bijzonder geschenk stuurden, was De Bezige Bij. 2010 was het jaar waarin Harry Mulisch overleed en als ‘eerbetoon aan de grote meester’ deed de uitgeverij uit zijn nalatenschap een facsimile van een manuscriptfragment van De ontdekking van de hemel cadeau. In een begeleidend kaartje schrijft Bezige Bij-directeur Robbert Ammerlaan dat het gaat om veertien bladen van ‘de vierde, losbladige versie van de proloog in handschrift uit 1990’.

Ook het blauwe cahier waarin de bladen zich bevonden is gereproduceerd. Het draagt een sticker met het opschrift ‘De ontdekking van de hemel II’. Op het eerste blad staat ‘Kroniek van de’ (doorgehaald), daaronder ‘De opdracht’ (eveneens doorgehaald), en daar weer onder ‘De ontdekking / van / de hemel’. Onderaan het blad staat in een tekstblokje ‘Versie – 4’, met de datering ‘18/1/1990’. Op het tweede blad staat: ‘Proloog in de hemel’, waarna op blad drie de daadwerkelijke tekst begint.

‘De ontdekking van de hemel II’ is niet het eerste Mulisch-manuscript dat in facsimile verschijnt. Het nieuwjaarsgeschenk van De Bezige Bij voor 1996 was De oer-aanslag, een fragment uit de nooit gepubliceerde roman ‘De ontdekking van Moskou’. Mulisch had het fragment uit het manuscript weggesneden om het uit te werken tot een aparte novelle met de werktitel ‘As’. Die groeide vervolgens uit tot de roman De aanslag. In beide facsimile’s zien we dat Mulisch steeds op de rechterbladzijde het verhaal schreef en dat hij de linker reserveerde voor aantekeningen, toevoegingen en veranderingen.

Al in 2002 publiceerde Mulisch een fragment uit de ontstaansgeschiedenis van De ontdekking van de hemel. Toen verscheen ter gelegenheid van de vijfenzeventigste verjaardag van de auteur het boekje Vonk [Fragment]. Kiem van De ontdekking van de hemel. Het betreft een tekstfragment geschreven in de eerste helft van de jaren zeventig. In Vonk is een engel aan het woord die, in de woorden van Mulisch in zijn ‘Korte toelichting’ op het boekje, ‘een zielevonk voorbereidt op zijn aardse bestaan als mens’. Hij is voorbestemd om het kind te worden van Helm Quinten Velt en Asta Soeren. ‘Sporen van deze antropogonie zijn terug te vinden in De ontdekking van de hemel, vooral in de Proloog en in de paragraaf “De opdracht” aan het slot van het Eerste Deel’, schrijft Mulisch ook nog in zijn toelichting. Dit zou kunnen betekenen dat al in het fragment dat later als Vonk is uitgebracht een eerste versie van de Proloog te vinden is. Volgens Ammerlaan is de vierde versie van de proloog, die nu dus als nieuwjaarsgeschenk is verspreid, ‘de vroegste versie die in zijn nalatenschap is gevonden.’ Het is natuurlijk mogelijk dat Mulisch de versie van begin jaren zeventig na de publicatie van Vonk heeft vernietigd en dat deze zich dus strikt genomen niet meer in zijn nalatenschap bevindt, maar toch. Hoe zit dat nu?

Globale tekstvergelijking tussen Vonk en het handschrift laat zien dat er zowel inhoudelijk als qua formulering enkele opvallende overeenkomsten zijn tussen het begin van Vonk en de laatste vier bladen uit het handschrift (11-14). Vonk begint als volgt: ‘- Kom eens hier, vonk. […] Nee, jij daar, het is jouw beurt. Ja, jij, drijf maar eens braaf in parallellepipeda naar mij toe en luister goed.’ Het handschrift geeft op blad 11: ‘- Vonk! Ja, jij! Drijf naar mij toe in langzaam wentelende parallellepipeda […]’. Sommige zinnen en passages zijn bijna letterlijk overgenomen: ‘dit pneumatisch areaal’ (Vonk); ‘dit pneumatische areaal’ (handschrift). Of: ‘Kijk, daarginds bij die convexe polygoonsector, daar gaat er weer een. Floep. Weg.’ (Vonk); ‘Kijk, daar, bij die convexe polygoonsector, daar gaat er een: floep, weg, […]’ (handschrift). En: ‘Zie mij als een soort notaris die jouw akte te verlijden heeft’ (Vonk); ‘ik figureer hier als een soort notaris, die akten verlijdt’ (handschrift). Mulisch moet het oude fragment van begin jaren zeventig bij de hand hebben gehad toen hij in 1990 de pen weer ter hand nam.

Er zijn uiteraard ook significante verschillen. Sommige kunnen verklaard worden uit het gat van bijna twintig jaar tussen beide teksten. In Vonk heten de vonken nog ‘verblindend schitterende puntjes’ te zijn, terwijl in het handschrift sprake is van ‘het alles omvattende Licht, waarin jij een punt bent, nee, een snaartje.’ Mulisch hield de ontwikkelingen in de natuurwetenschappen nauwkeurig bij en de laatste toevoeging kan dan ook beschouwd worden als de weerslag van Mulisch’ kennisneming van de snaartheorie. Saillant detail is nog dat in Vonk de engel tegen de zielenvonk zegt: ‘Alleen het paradijs bestaat, de hemel niet’.

Inhoudelijk is van belang dat het queeste-element dat uiteindelijk in De ontdekking van de hemel zo’n belangrijke rol zou gaan spelen, in het handschrift voor het eerst opduikt. In het handschrift zegt de engel tegen de vonk dat er een speciale inspanning is gedaan om hem ervan te overtuigen te kiezen voor een aards bestaan: ‘Die investering is gedaan omdat je een belangrijk opdracht mee zult krijgen, die alleen jij je op een of andere manier zult weten te herinneren.’ In Vonk ontbreekt de opdracht en wordt de vonk slechts de keuze voorgelegd al dan niet af te dalen naar de Aarde. In zijn bespreking van Vonk in 2002 schreef – alweer – Arjen Fortuin dan ook terecht: ‘Dat Mulisch er verder geen raad mee wist en het idee vlot weer terzijde schoof, wekt geen verwondering: een serieus thema dient zich in de 33 bladzijden geschreven tekst nog niet aan.’ In de handschriftversie uit 1990 komt voor het eerst de goddelijke opdracht als motief voor, de aanzet tot een intrige die ten tijde van Vonk nog ontbrak, wat mogelijk de oorzaak was van – met een variant op een term van Fabian Stolk – de scripturus interruptus in de jaren zeventig. Overigens zijn in de uiteindelijke Ontdekking van de hemel in de bijzin ‘die alleen jij je op een of andere manier zult weten te herinneren’ de woorden ‘op een of andere manier’ verwijderd en is de volgende zin toegevoegd: ‘Maar je zult hem je niet herinneren als een herinnering, je zult denken dat het je eigen idee is, een fantastische inval.’ Zo is te zien hoe Mulisch steeds gerichter, steeds meer vanuit het idee van een concrete plot, ging schrijven.

Dat de versie van de proloog uit 1990 de vroegste zou zijn is dus – en met de volgende formulering zou Mulisch tevreden hebben ingestemd – zowel waar als niet waar. Van de twaalf bladen tekst (3-14) zijn 3 t/m 10 inderdaad als een vroege versie van de Proloog te beschouwen. De tekst op de bladen 11 t/m 14 komt echter voort uit het begin van het fragment Vonk. Mulisch heeft het uiteindelijk verplaatst naar het ongenummerde hoofdstuk ‘De opdracht’, in de eerste druk van De ontdekking van de hemel aan het eind van het eerste deel (‘Het begin van het begin’), pp. 235-237.

Dat deze versie 4 de vroegste versie wordt genoemd die in de nalatenschap is gevonden, kan minstens twee dingen betekenen. Een eerste mogelijkheid is dat de versies 1 t/m 3 verloren zijn gegaan. Een tweede mogelijkheid is echter dat versie 4 pas de eerste versie is waarbij de titel De ontdekking van de hemel opduikt en dat voorgaande versies zich onder andere titels of in andere hoedanigheden in de nalatenschap schuilhouden.

Er is een logica te bedenken waarbij Mulisch het Vonk-fragment als de eerste versie van de uiteindelijke Ontdekking beschouwde, dat er in de tussenliggende 20 jaar nog twee van zulke aanzetten zijn geweest en dat daarom de ‘vroegste’ versie in de nalatenschap door hemzelf versie ‘4’ wordt genoemd.

De vraag blijft evenwel wat de ‘II’ in ‘De ontdekking van de hemel II’ beduidt. Niet voor niets schrijft Ammerlaan nog: ‘Hoe map en handschrift zich tot elkaar verhouden is voer voor toekomstige editeuren.’ Om deze vraag te beantwoorden is allereerst meer kennis nodig van wat er zich nog meer aan archiefmateriaal in de nalatenschap van de auteur bevindt. Dit mooie geschenk licht alvast een tip van de sluier op.

Marc van Zoggel

Een reactie op “Hemelse opdracht”

  1. [...] van Zoggel, ‘Hemelse opdracht‘. Op: Textualscholarship.nl (www.textualscholarship.nl). Manuscript van de maand, februari [...]

Reageer