Zit het hart van sommige editeurs niet een tikkeltje op een vreemde plaats? Fabian Stolk over twee recente poëzieedities: die van Anton van Wilderode en Hans Faverey.

Editiewetenschappers zijn mensen met een ruim en stevig bonkend hart voor vergeten of miskende, voor mishandelde of gewoon door de sloop des tijds in het ongerede geraakte teksten. Puristen zijn het, waar het gaat om komma’s, naamvals-n’en, schpellingvernieling, varianten, eerste en laatste hand, echtheid of andere vormen van autorisatie. Een groot en fijnzinnig weefsel van concepten en termen hebben ze uitgevonden en afgesproken om het – laat ik het daartoe even beperken – literaire erfgoed te bewaken, bewaren en door te geven.

Dus: als er iemand het nobele plan opvat en uitvoert om een historische tekst vol langwijl en rare woorden en trage verhaallijnen op te kalefateren (opdat ook de actuele schooljongeren, wier puistige koppen vooral bezig zijn met social networking, gamen, blowen en daten, in contact gebracht zouden kunnen worden met hun literaire, culturele, historische wortelen, of anders wel die van het land waar zij op hun beurt in proberen te wortelen) zijn de editietechnische rapen snel gaar.

Soms denk ik dat het hart van die gedreven, gepassioneerde, om niet te zeggen: bezeten, editiewetenschappers een tikkeltje op een vreemde plek in het academische lijf is opgehangen. Na het gedoe rond de Max Havelaar dacht ik dat bij twee betrekkelijk recente, uiterst grondig wetenschappelijk verantwoorde edities.

In zijn documentaire varianteneditie met een kroniek van de genese van Anton van Wilderode’s debuutbundel De moerbeitoppen ruischten* stelt editeur Edward Vanhoutte dat ‘een groot publiek’ werd vervreemd van de historische vorm van de oorspronkelijk in 1943 verschenen tekst van De moerbeitoppen ruischten door de leeseditie die in 1999 verscheen in Van Wilderodes Volledig dichtwerk (ed. Lateur). Vooral een opeenvolging van spellingswijzigingen en spellingsmoderniseringen door auteur en editeurs in de tussenliggende halve eeuw waren de boosdoeners.

Kan zijn. Ik heb evenwel geen groot publiek massaal en verontwaardigd zien struikelen over spellingsinconsequenties in de Kruidvat-‘editie’ van enkele van Louis Couperus’ romans; die boeken vlogen destijds in veel groteren getale de drogisterij uit dan de hecht doorkauwde, muisgrijze Couperus-editie die door echte kommavorsers naast de markt werd gezet, maar waarin heel netjes werd verantwoord dat ‘zachtjes’ in regel 9 van pagina 12 was veranderd in ‘zachtjens’.

Als een editorische Robin Hood stelt Vanhoutte trots: ‘Met deze documentaire varianteneditie van De moerbeitoppen ruischten krijgen de poëzielezer, de Van Wilderodeliefhebber en de literatuurwetenschapper een wetenschappelijk verantwoorde uitgave aangeboden van een opmerkelijk debuut dat vier en een halve maand na zijn verschijnen al volledig was uitverkocht en sindsdien quasi onvindbaar is geworden.’

Mooi. Maar was het nou echt nodig om de poëzielezer, om het tot dat deel van het publiek te beperken, op het hoofd te timmeren met een mosgroene baksteen van niet minder dan zevenhonderddrieënzestig bladzijden, terwijl anno 1943 de moerbeitoppen ruischten met slechts 78 blaadjes (waarvan er maar 49 gedichten bevatten, althans volgens deze nieuwe editie)? Is de poëzielezer ook een voorwoordlezer, een verantwoordinglezer, een bronnen- en variantenlezer, en boven dat al een documentaire- en een essaylezer? En (zie boven) het staat ook zo gek in je boekenkast: een band van zes centimeters dik tussen al je poëziebundeltjes. Naast andermans verzamelde werken past deze ene bundel al evenmin (althans: niet staand).

De tweede recente editie die me deed denken: wat weet de editeur nog van de poëzielezer (terwijl die editeurs – daar ga ik blind van uit – zelf poëzielezers zijn), is die van Hans Faverey’s Gedichten 1962-1990, bezorgd door Marita Mathijsen.** Unique selling proposition van deze vernieuwde, vermeerderde uitgave van de Verzamelde gedichten uit 1990 zijn de ‘193 niet eerder gepubliceerde gedichten uit de nalatenschap’. En wat eigenlijk nog mooier is: de editeur blijkt een oer-debuutbundel ontdekt te hebben: een bundel die de dichter al jaren vóór zijn uiteindelijke debuut ter publicatie had aangeboden aan uitgeverij Querido. Die zag, blijkens een afwijzende brief, in maart 1964 geen brood in deze poëzie. Hoe wrang moet dat, terugblikkend, zijn, nu Faverey is uitgegroeid tot een der groten. En hoe spannend zou het zijn als we die oer-debuutbundel nu eindelijk eens zouden kunnen lezen. Niet om Querido uit te lachen, maar wel om te proberen na te gaan hoe dat toen geweest moet zijn: ex nihilo deze poëzie te lezen. En ook: hoe anders was het echte debuut wellicht?

Maar helaas heeft Mathijsen een heel verantwoorde verzamelde gedichten-editie samengesteld, geheel volgens de regelen van het vak. Dat ‘helaas’ klinkt misschien even gek, maar het is wel waar. De editie, inclusief de verantwoording van de editie, staat mijns inziens als een huis. En dat mag in de krant, want er verschijnen nog steeds verzamelde gedichten die aan alle kanten rammelen (nee, dit is niet de rubriek editorial naming and shaming). Maar een en ander heeft er wel toe geleid dat die oerbundel uit zicht is verdwenen. Faverey heeft namelijk een aantal gedichten eruit (bewerkt en) opgenomen in latere bundels; die gedichten zijn dus ook aldaar opgenomen in de editie. De overige, de onbekende, de niet eerder gepubliceerde gedichten zijn, volgens de regels, opgenomen in de afdeling ‘Nagelaten gedichten’. Hoe groot de bundel was, wat de titel was, welke gedichten erin waren opgenomen, hoe de gedichten met elkaar samenklonken… we weten het niet en kunnen het in deze editie ook niet te weten komen. Dat bedoel ik met: helaas.

Zou daar nou niet nog een klein, eenvoudig, diplomatisch volksuitgaafje van kunnen komen? En ook van De moerbeitoppen ruischten? En, nu ik toch bezig ben, nog ver voor sinteditieklaas: ook graag een van de oorspronkelijke versie van Marsmans debuut, Verzen.


Fabian R.W. Stolk

* Anton van Wilderode, De moerbeitoppen ruischten. Documentaire varianteneditie met een kroniek van de genese door Edward Vanhoutte. Met essays van Hugo Brems, Maarten De Pourq en Carl De Strycker en een voorwoord van Heman Van Rompuy. Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Gent 2010. Literaire tekstedities en bibliografieën 18.
** Hans Faverey, Gedichten 1962-1990. Editie Marita Mathijsen. De Bezige Bij, Amsterdam 2010.

Reageer